Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1506

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
200.158.784_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen causaal verband tussen fout en (gestelde) schade bij risico-aansprakelijkheid ex artikel 6:179; “Paard Loretta”zaak (HR 1 april 2011, NJ 2011, 405)?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek BES Boek 6 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.158.784/01

arrest van 19 april 2016

in de zaak van

[appellant] handelend onder de naam [ER],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [ER] ,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

De Esdoorn BCI B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als De Esdoorn,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 juli 2014, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [ER] als gedaagde en De Esdoorn als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/271634/HA ZA 13-803)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het tegen De Esdoorn verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) De Esdoorn exploiteert een onderneming in organisatie- en managementtrainingen. Mevrouw [enig bestuurder van De Esdoorn] (hierna: [enig bestuurder van De Esdoorn] ) heeft 80% van de aandelen in De Esdoorn en is enig bestuurder van die vennootschap.

b) [ER] is de eenmanszaak van de heer [appellant] en is een assurantietussenpersoon die gespecialiseerd is in paardenverzekeringen.

c) In juli 2009 heeft [enig bestuurder van De Esdoorn] (al dan niet in haar hoedanigheid van bestuurder van De Esdoorn) een paard genaamd Urona (hierna: het paard) gekocht. De koopovereenkomst is gedateerd op 1 september 2009 en de feitelijke levering van het paard heeft in september 2009 plaatsgevonden.

d) Op advies van de dierenarts die de aankoopkeuring van het paard heeft verricht, heeft [enig bestuurder van De Esdoorn] [ER] op 3 juni 2009 telefonisch benaderd voor het afsluiten van een verzekering. Van het gesprek is door of namens De Esdoorn een telefoonnotitie opgemaakt waarop zowel de naam van [enig bestuurder van De Esdoorn] als de naam van De Esdoorn staan vermeld.

e) [ER] heeft op 3 juni 2009 aan De Esdoorn ter attentie van [enig bestuurder van De Esdoorn] een aanvraagformulier voor een Dood- en ongevallenverzekering toegezonden. [enig bestuurder van De Esdoorn] heeft dit formulier ingevuld en geretourneerd. Onder vraag 3 heeft zij vermeld dat zij eigenaar van het paard is. De vraag of een aansprakelijkheidsverzekering gewenst is, is op dat formulier bevestigend beantwoord. Bij vraag 9 over het gebruiksdoel van het paard zijn de vakjes “Rijpaard”, “Recreatie” en “Dressuur” aangekruist.

f) Door bemiddeling van [ER] is met ingang van 3 juni 2009 een verzekering voor het paard bij ASR Verzekeringen afgesloten.

g) Op 16 september 2009 is [enig bestuurder van De Esdoorn] gewond geraakt bij een ongeval dat, na een wandeling op de locatie van na te noemen stal, veroorzaakt werd door het paard.

h) Het paard was ten tijde van het ongeval tegen betaling door De Esdoorn in training bij de professionele stal van de heer [stalhouder] (hierna: [stalhouder] ). Deze training vond plaats om het paard geschikt te maken voor inzet bij managementtrainingen. De training van het paard zou duren tot 1 augustus 2010 en zou per die datum geëvalueerd worden.

i. i) ASR heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgesloten verzekering de door [enig bestuurder van De Esdoorn] ten gevolge van het ongeval geleden schade niet dekte omdat geen bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering was afgesloten maar een particuliere verzekering. ASR baseert dit op het feit dat [enig bestuurder van De Esdoorn] en niet De Esdoorn als eigenaar van het paard is vermeld op het aanvraagformulier en op het feit dat op dat formulier niet is vermeld dat het paard bedrijfsmatig werd gebruikt. Het geschil tussen ASR en [enig bestuurder van De Esdoorn] is in juni 2010 beëindigd door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. ASR heeft aan [enig bestuurder van De Esdoorn] in dat verband een bedrag van € 20.000,-- betaald.

3.2.

De Esdoorn heeft [ER] in rechte betrokken en, onder meer, een verklaring voor recht gevorderd dat [ER] jegens De Esdoorn toerekenbaar tekortgekomen is en aansprakelijk is voor de schade die De Esdoorn lijdt, nader op te maken bij staat. De Esdoorn stelt dat door toedoen van [ER] een onjuiste verzekering is afgesloten. De Esdoorn stelt voorts dat [enig bestuurder van De Esdoorn] bij het eerste contact met [ER] heeft gemeld dat het paard bedrijfsmatig zou worden gebruikt en dat zij een verzekering wilde afsluiten voor schade aan het paard en voor schade veroorzaakt door het paard. Volgens De Esdoorn heeft [ER] bij [enig bestuurder van De Esdoorn] onvoldoende doorgevraagd naar de bedoelingen van De Esdoorn en had [ER] zich meer in de feitelijke situatie en de behoefte van De Esdoorn moeten verdiepen.

3.3.

[ER] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen. Onder meer heeft [ER] aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen de schade die De Esdoorn stelt te hebben geleden en de, overigens betwiste, tekortkoming van [ER] .

3.4.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep, voor zover thans relevant, de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en [ER] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank oordeelde dat, kort gezegd, [ER] , in zijn hoedanigheid van assurantietussenpersoon, niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Wat betreft het verweer van [ER] dat er geen causaal verband bestaat tussen tekortkoming en schade oordeelde de rechtbank (ro. 3.11 van het vonnis waarvan beroep): “Het betoog van [ER] aangaande de kwalitatieve aansprakelijkheid van de manegehouder [het hof leest: de stal waar het paard werd getraind] staat los van de onderhavige kwestie en raakt niet zijn eigen rechtsplicht.”

3.5.

[ER] voert tegen het vonnis waarvan beroep drie grieven aan.

3.6.

Het hof zal om redenen van proceseconomie allereerst grief 3 beoordelen.

3.6.1.

[ER] betoogt dat causaal verband tussen de gestelde schade van De Esdoorn en de eventuele tekortkoming van [ER] ontbreekt. Ter onderbouwing van dat standpunt stelt [ER] onder meer dat, ook als [ER] wel had gezorgd dat een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering tussen De Esdoorn en ASR was afgesloten, De Esdoorn voor de schade van [enig bestuurder van De Esdoorn] niet aansprakelijk zou zijn geweest. Nu het paard dat de schade veroorzaakte, tegen betaling door De Esdoorn, werd getraind door de professionele stal van [stalhouder] was laatstgenoemde op grond van de artikelen 6:179 en 6:181 BW (risico)aansprakelijk voor de door het paard veroorzaakte schade. Op grond van de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering had in die situatie dus evenmin vergoeding van de schade plaatsgevonden, aldus de toelichting op de grief.

3.6.2.

Het hof overweegt allereerst ten aanzien van de door De Esdoorn naar haar stellingen geleden schade als volgt.
[ER] stelt (memorie van grieven sub 25) dat [enig bestuurder van De Esdoorn] , blijkens haar als productie 3 bij inleidende dagvaarding overgelegde brief, als bestuurder van De Esdoorn aanwezig was in de stal van [stalhouder] toen het ongeval door het paard werd veroorzaakt en dat [enig bestuurder van De Esdoorn] dus als bestuurder van De Esdoorn die vennootschap aansprakelijk stelt. Dit blijkt inderdaad uit voormelde brief. De Esdoorn, die in hoger beroep niet is verschenen, heeft dit niet weersproken. Het is voor het hof op grond van de stellingen van De Esdoorn niet duidelijk welke schade die vennootschap, door de aansprakelijkstelling van [enig bestuurder van De Esdoorn] , stelt te hebben geleden. Voor een aansprakelijkheid jegens haar bestuurder, anders dan de risico-aansprakelijkheid van artikel 6: 179 BW, die het hof hierna zal beoordelen, zijn door De Esdoorn geen (genoegzame) feiten gesteld.

3.6.3.

Voor zover het oordeel in 3.6.2. al anders zou moeten luiden heeft omtrent het causaal verband tussen de gestelde fout van [ER] en de schade van De Esdoorn het volgende te gelden.
In hoger beroep moet er, op grond van de onder 3.6.1. weergegeven, door De Esdoorn niet weersproken, stellingen van [ER] , van uitgegaan worden dat het paard ten tijde van het ongeval werd gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van [stalhouder] . Daaruit volgt dat er op grond van de door [ER] aangehaalde wetsartikelen en het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2011, NJ 2011, 405 in de verhouding tussen De Esdoorn en [ER] geconcludeerd moet worden dat (niet De Esdoorn als eigenaar/bezitter van het paard maar:) [stalhouder] op grond van de artikelen 6:179 en 6:181 BW aansprakelijk is voor de schade die [enig bestuurder van De Esdoorn] leed door het ongeval dat het paard veroorzaakte. Had [ER] de volgens De Esdoorn juiste verzekering ten behoeve van De Esdoorn afgesloten c.q. doen afsluiten, te weten een AVB verzekering in plaats van een particuliere WA verzekering (zie de niet door De Esdoorn weersproken stelling in de memorie van grieven sub 29), dan was die schade derhalve evenmin door de verzekering vergoed. Tegenover deze betwisting door [ER] van het causaal verband had het op de weg van De Esdoorn gelegen haar stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan.
Aldus bestaat tussen de schade van De Esdoorn en de gestelde fout van [ER] geen causaal verband. Aan dit oordeel doet niet af de mededeling namens De Esdoorn ter comparitie in eerste aanleg dat, anders dan in het aan de Hoge Raad voorgelegde geval, het paard in dit geval niet werd gebruikt voor lesdoeleinden. Aangenomen moet worden dat ook het tegen betaling beleren en trainen van een paard leidt tot de conclusie dat dat paard gebruikt wordt in de uitoefening van een bedrijf, als bedoeld in artikel 6:181 lid 1 BW.

3.7.

Nu grief 3 slaagt heeft [ER] bij de behandeling van de overige grieven geen belang. Het vonnis waarvan beroep zal vernietigd worden en de vorderingen van De Esdoorn, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zullen alsnog afgewezen worden.

3.8.

De Esdoorn is de in het ongelijk gestelde partij. Zij zal in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de in voormeld vonnis toegewezen vordering tot het geven van een verklaring voor recht alsnog af;

veroordeelt De Esdoorn in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [ER] op € 75,-- aan griffierecht en op € 904,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 83,07 aan dagvaardingskosten, op € 1.601,-- aan griffierecht en op € 894,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat de proceskostenveroordelingen betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, P.M. Arnoldus-Smit en J.J. Verhoeven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 april 2016.

griffier rolraad