Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1495

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
200.139.219_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4973
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

achtergestelde lening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.139.219/01

arrest van 19 april 2016

in de zaak van

Beheer [Beheer] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. P.C.H. Jansen te Roosendaal,

tegen

1 [CB] Benelux B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. L. Hennink te Rotterdam,

en

2. Coöperatieve Rabobank U.A., voorheen genaamd Coöperatieve Rabobank [vestigingsnaam] U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , mede kantoor houdende te [kantoorplaats] ,

advocaat: mr. N.T.M. Verhoeven te Eindhoven,

geïntimeerden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 december 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, handelsrecht, Breda gewezen vonnis van 18 september 2013 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerden -CB respectievelijk Rabobank, tezamen CB c.s.- als gedaagden.

Het hof zal de nummering van het tussenarrest van 1 december 2015 voortzetten.

6 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemd tussenarrest van 1 december 2015;

  • -

    de door de Rabobank genomen akte inbreng producties, waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de door CB genomen akte, waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de door [appellante] genomen antwoordakte;

  • -

    de door de Rabobank genomen akte opvolging als gevolg van juridische fusie.

Het hof heeft bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De verdere beoordeling

7.1

Nadat [appellante] haar hiervoor genoemde antwoordakte heeft genomen, is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Daarna, maar voordat arrest is gewezen, heeft de Rabobank met goedvinden van [appellante] een akte opvolging als gevolg van juridische fusie genomen. In deze akte heeft de Rabobank meegedeeld dat de Coöperatieve Rabobank [vestigingsnaam] U.A. door fusie heeft opgehouden te bestaan en dat de Coöperatieve Rabobank U.A. verkrijgend rechtspersoon onder algemene titel is, die de procedure wenst voort te zetten.

Gelet op de door de Rabobank gestelde akkoordverklaring van [appellante] , kan de onderhavige procedure worden voortgezet door de Coöperatieve Rabobank U.A. Schorsing van de procedure dient geen doel.

7.2

Het hof heeft in het tussenarrest van 1 december 2015 de Rabobank in staat gesteld om in het geding te brengen stukken waaruit blijkt dat zij vanaf 1 januari 2013 tot heden onafgebroken een of meer vorderingen op CB heeft (gehad) en de hoogte daarvan, en tevens is CB in staat gesteld om over te leggen haar jaarcijfers uit 2013 en 2014.

De aan de hand van door haar overgelegde producties ondersteunde stelling van de Rabobank dat CB vanaf de aanvang van de onderhavige procedure steeds debiteur is geweest van de Rabobank is door [appellante] in haar antwoordakte niet bestreden. [appellante] heeft wel nog aangevoerd dat het (dan) niet wel begrijpelijk is dat het seizoenskrediet in strijd met haar strekking steeds onafgebroken op de maximale hoogte is gebleven. Het hof gaat aan die constatering voorbij alleen al omdat [appellante] daar verder geen rechtsgevolgen aan heeft verbonden.

7.3

Uit de door CB overgelegde jaarcijfers over 2013 blijkt dat haar liquide middelen op 31 december 2013 € 17.680,- bedroegen en op 31 december 2014 € 14.375,-. Met deze cijfers kan niet worden geconcludeerd dat de liquiditeiten van CB betaling van de gevorderde rente in en/of over die jaren toelaten. Anders dan [appellante] in haar akte aanvoert is het niet aan CB om de redelijkheid van de door haar gedane betalingen aan te tonen. Het hof verwijst wat dit betreft naar hetgeen in het tussenarrest in r.o. 4.7 en 4.8 reeds is geoordeeld.

7.4

Gelet op het vorenstaande en op hetgeen in het tussenarrest is geoordeeld kan er dan ook niet van worden uitgegaan dat de liquide middelen van CB tot en met 31 december 2014 zodanig zijn geweest dat kan worden geconcludeerd dat de liquiditeiten van CB betaling van het gevorderde toelaten.

Uit de door de Rabobank verstrekte cijfers blijkt verder dat de Rabobank steeds een vordering op CB heeft gehad. Dit betekent dat zij zich nog steeds op grond van de tussen partijen gesloten achterstellingsovereenkomst met succes kan verzetten tegen betaling van welk onderdeel dan ook van het thans door [appellante] gevorderde. Die achterstellingsovereenkomst houdt immers wat dit betreft in: “De crediteur (noot hof: [appellante] ) verbindt zich mitsdien jegens de bank, die dit aanneemt, om gehele noch gedeeltelijke voldoening van de vermelde vordering(en) op de debiteur en de daarover verschuldigde rente aan te nemen, deze vorderingen(en) en de daarover verschuldigde rente niet in verrekening te brengen, niet te vervreemden of te bezwaren en geen zekerheid voor deze vordering(en) en de daarover verschuldigde rente van de debiteur te accepteren, zolang de bank nog enige vordering op de debiteur heeft of kan verkrijgen, tenzij hij van de bank daarvoor vooraf schriftelijke toestemming heeft verkregen.”
Gelet op deze nog steeds bestaande bevoegdheid van de Rabobank dient al het door [appellante] gevorderde thans te worden afgewezen. Dit is niet anders als art. 5 van de schuldbekentenis zo moet worden uitgelegd als [appellante] heeft aangevoerd in nr. 5 en de nrs. 66 en verder van haar memorie van grieven.

7.5

Dit betekent dat de grieven falen, en het vonnis zal worden bekrachtigd. Voor zover [appellante] bewijs heeft aangeboden, gaat het hof daaraan voorbij als niet ter zake dienend. [appellante] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten, behoudens, gelet op hetgeen het hof in het tussenarrest in r.o. 4.9 heeft geoordeeld, de kosten van de na het tussenarrest genomen aktes.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten het hoger beroep, voor zover gerezen aan de zijde van CB begroot op € 4.961,- aan griffierecht en € 3.263,- aan salaris advocaat en voor zover gerezen aan de zijde van de Rabobank begroot op € 4.961,- aan griffierecht en € 3.263,- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling ten gunste van de Rabobank uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, J.J. Verhoeven en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 april 2016.

griffier rolraadsheer