Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1439

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
14-04-2016
Zaaknummer
200.169.861_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In woonwagen en in bijgebouw aangetroffen vuurwapens. Hoewel niet is komen vast te staan dat de huurder van de woonwagenstandplaats, tevens bewoner van de woonwagen, van de aanwezigheid van de wapens op de hoogte was, levert dit wel een tekortkoming van de huurder op. Ontbinding van de huurovereenkomst is in het onderhavige geval echter niet gerechtvaardigd vanwege de bijzondere medische omstandigheden aan de zijde van de huurder (onder meer: ernstige gezondheidsproblemen als gevolg van meerdere herseninfarcten, weduwnaar van ruim 80 jaar oud, bedlegerig, niet in staat de normale dagelijkse handelingen zelfstandig uit te voeren, aangewezen op thuiszorg en op zorg van op het woonwagenkamp wonende kinderen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.169.861/01

arrest van 12 april 2016

in de zaak van

Gemeente Heusden,

gevestigd te Heusden,

appellante,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. N.J.M. Broers te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.G.H. van de Kamp te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 maart 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, gewezen tussen de gemeente als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3523924/181, rolnummer 14/9149)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 22 januari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord met twee producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    Sinds 1 juli 1990 huurt [geïntimeerde] van de gemeente de woonwagenstandplaats met berging en sanitair gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres] , met een oppervlakte van ongeveer 325 m2.

  • -

    Op vrijdag 26 april 2013 heeft de politie op grond van de Wet Wapens en Munitie een onderzoek ingesteld in de op de standplaats geplaatste woonwagen van [geïntimeerde] , in de bijgebouwen en op en rondom de door [geïntimeerde] gehuurde standplaats. De politie heeft toen in de woonkamer een pistool aangetroffen, in een personenauto een stroomstootwapen en in een van hekken gemaakt hok in het weiland achter de woning de navolgende verpakte goederen: een pistool met 14 patronen en een geluiddemper, een pistool, een revolver en tot slot vier patronen. In de woonwagen zijn voorts henneptoppen aangetroffen (volgens de politie ongeveer 38 gram hennep).

  • -

    Op dinsdag 6 mei 2014 heeft de politie op grond van de Wet Wapens en Munitie weer een onderzoek ingesteld in de woonwagen, in de bijgebouwen en op en rondom het gehuurde perceel. De politie heeft toen in een van de woonwagen vrijstaand bijgebouw een pistool met traangaspatronen en een alarmpistool aangetroffen. Op de zich naast het perceel bevindende parkeerplaats heeft de politie een machinegeweer met twee dozen patronen aangetroffen.

  • -

    De politie heeft over de huiszoekingen van 26 april 2013 en 6 mei 2014 een rapportage van 22 mei 2014 opgesteld, die door de gemeente in het geding gebracht. In die rapportage staat onder meer het volgende:

“Door het ontbreken van een verlof voor het voorhanden hebben van een vuurwapen, het daadwerkelijk voorhanden hebben van vuurwapens in combinatie met antecedenten en recidive binnen de Opiumwet kan worden gesteld dat er sprake is van zware criminaliteit met een dreiging voor de maatschappelijke veiligheid;”.

  • -

    Op 6 augustus 2014 is [geïntimeerde] door de politierechter veroordeeld voor, kort gezegd, het op 26 april 2013 in zijn woonwagen voorhanden hebben van een pistool en voor het op 26 april 2013 in zijn woonwagen voorhanden hebben van ongeveer 38 gram hennep. Ter zake het in de auto aangetroffen stroomstootwapen en ter zake de in het weiland aangetroffen wapens is [geïntimeerde] vrijgesproken. [geïntimeerde] heeft tegen de veroordeling hoger beroep ingesteld.

  • -

    Ter zake de op 6 mei 2014 in het bijgebouw en op de parkeerplaats aangetroffen wapens is [geïntimeerde] aanvankelijk als verdachte aangemerkt maar de Officier van Justitie heeft deze zaak tegen [geïntimeerde] begin 2015 geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

  • -

    Bij brief van 4 juli 2014 heeft de advocaat van de gemeente [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld de huurovereenkomst zelf op te zeggen en aangekondigd dat de gemeente, als [geïntimeerde] de huurovereenkomst niet zelf opzegt, een procedure bij de kantonrechter zal starten waarin ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van de standplaats zal worden gevorderd.

  • -

    [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert de gemeente:

  • -

    primair: ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van het gehuurde op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    subsidiair: vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft de gemeente, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde] is tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door op en bij het gehuurde vuurwapens voorhanden te hebben althans op te laten slaan. Gelet daarop is van de gemeente niet te vergen dat zij de huurovereenkomst laat voortduren.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het tussenvonnis van 22 januari 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.2.5.

In het eindvonnis van 26 maart 2015 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld:

  • -

    Of [geïntimeerde] het op 26 april 2013 in de woonwagen aangetroffen pistool en de op 6 mei 2014 in het bijgebouw aangetroffen wapens zelf daar heeft neergelegd, kan in het midden blijven. Ook als [geïntimeerde] niet bekend was met de aanwezigheid van die wapens omdat zij daar door een bezoeker zijn neergelegd, is [geïntimeerde] daar op de voet van artikel 7:219 BW voor aansprakelijk (rov. 3.5 en 3.6).

  • -

    Omdat op 26 april 2013 in de woonwagen een pistool en 38 gram hennep is aangetroffen en op 6 mei 2014 in een bijgebouw op het gehuurde een pistool met traangaspatronen en een alarmpistool zijn aangetroffen, moet geconcludeerd worden dat [geïntimeerde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen. [geïntimeerde] is dus tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst (rov. 3.7).

  • -

    Het weiland en de parkeerplaats behoren niet tot het gehuurde. Met betrekking tot de daar aangetroffen wapens is geen sprake van een tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst (rov. 3.8 en 3.9).

  • -

    Hoewel de vastgestelde tekortkomingen in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen, moet de ontbinding in dit geval achterwege blijven in verband met de persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [geïntimeerde] . De primaire vordering moet daarom worden afgewezen (rov. 3.10).

  • -

    Om dezelfde redenen moet ook de subsidiaire vordering worden afgewezen (rov. 3.11).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter de vorderingen van de gemeente afgewezen en de gemeente in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

De gemeente heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd tegen het vonnis van 26 maart 2015. De gemeente heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

Met betrekking tot grief I

3.4.1.

Grief I is gericht tegen rechtsoverweging 3.10 van het vonnis van 26 maart 2015. In die rechtsoverweging heeft de kantonrechter het volgende overwogen:

“ Hoewel de vaststaande toerekenbare tekortkomingen in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen, dient de ontbinding in het onderhavige geval achterwege te blijven in verband met de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde] , op grond waarvan zijn woonbelang zwaarder dient te wegen dan het belang van de gemeente Heusden bij ontbinding van de huurovereenkomst.

[geïntimeerde] heeft, onder meer door het overleggen van zijn medisch dossier, aangetoond dat hij mede als gevolg van meerdere herseninfarcten met ernstige gezondheidsproblemen kampt, zowel lichamelijk als geestelijk. Hij is thans bijna 80 jaar oud, bedlegerig (uit voornoemd dossier blijkt dat hij bijna de hele dag op bed ligt) en is niet in staat om de normale dagelijkse handelingen zelfstandig uit te voeren. Hij verplaatst zich middels een rolstoel en heeft veel verzorging nodig. Ter comparitie heeft zijn zoon verklaard dat [geïntimeerde] eigenlijk met alles hulp nodig heeft en dat hij voor deze hulp, naast de thuiszorg, grotendeels is aangewezen op zijn familie die ook op het woonwagenkamp verblijft. Op grond van voornoemde omstandigheden dient aan het woonbelang van [geïntimeerde] een zodanig gewicht te worden toegekend, dat ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen in dit geval niet gerechtvaardigd is. De primaire vordering van de gemeente Heusden wordt derhalve afgewezen.”

3.4.2.

In de toelichting op grief I heeft de gemeente deze overweging van de kantonrechter bestreden en aangevoerd – kort gezegd – dat het belang van gemeente bij beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij voortzetting van de huurovereenkomst.

3.5.1.

Als deze grief doel zou treffen zou het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde verweren moeten behandelen, ook voor zover die verweren door de kantonrechter zijn verworpen of onbehandeld zijn gelaten. Het staat het hof echter vrij die verweren eerst te behandelen en pas daarna over de grief te oordelen. Naar het oordeel van het hof zijn er redenen aanwezig om eerst te beoordelen in welk opzicht [geïntimeerde] tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst.

3.5.2.

Het hof stelt daarover voorop dat de gemeente aan haar vorderingen uitsluitend ten grondslag heeft gelegd dat [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst tekort geschoten is door op of nabij het gehuurde vuurwapens en munitie voorhanden te hebben (punt 7 inleidende dagvaarding en productie 4 bij de inleidende dagvaarding). Dat [geïntimeerde] ook in de nakoming van de huurovereenkomst tekort geschoten is door hennep voorhanden te hebben, is door de gemeente niet althans onvoldoende duidelijk aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. Het hof zal de aangetroffen hennep dus verder buiten beschouwing laten. Dat brengt mee dat het hof geen oordeel hoeft te geven over het door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord gevoerde verweer dat hij de hennep op – onofficieel – doktersadvies gebruikte.

3.5.3.

De gemeente heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat met betrekking tot de wapens en munitie die op het weiland en in de auto op de parkeerplaats zijn aangetroffen, geen sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde] omdat het weiland en de parkeerplaats niet tot de gehuurde standplaats behoren. Voor het hof staat dus vast dat ter zake deze wapens en munitie geen sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst.

3.5.4.

Daarmee resteert de vraag of [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten is doordat op 26 april 2013 in de woonwagen een pistool is aangetroffen en op 6 mei 2014 in een bijgebouw op het gehuurde een pistool met traangaspatronen en een alarmpistool zijn aangetroffen. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij ter zake tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst. Hij heeft daartoe gesteld dat hij niet van de aanwezigheid van de genoemde zaken op de hoogte was. De kantonrechter heeft geoordeeld dat in het midden kan blijven of [geïntimeerde] op de hoogte was van de aanwezigheid van die wapens en munitie, omdat hij op de voet van artikel 7:219 BW aansprakelijk is voor de gedragingen van de personen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of die zich met zijn goedvinden daarop bevinden. Dat oordeel is onjuist. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.5.5.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 7:219 BW volgt dat een vordering op grond van artikel 7:219 BW niet zonder meer toewijsbaar is als personen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich daarop bevinden, weliswaar gedragingen hebben verricht die, als zij zouden zijn verricht door de huurder, in strijd zouden zijn met diens verplichting om zich als goed huurder te gedragen, maar die niet tot schade aan het gehuurde hebben geleid. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Omtrent schade aan het gehuurde is immers niets gesteld of gebleken. In een geval als het onderhavige, waarin geen sprake is van schade aan het gehuurde maar wel sprake is van gedragingen die, als zij zouden zijn verricht door de huurder, in strijd zouden zijn met diens verplichting om zich als goed huurder te gedragen, is beslissend of de huurder zich, in het licht van de gedragingen van de betreffende derden, zelf niet heeft gedragen als goed huurder.

Bij de beoordeling van die vraag dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, zoals de vraag of er voldoende verband bestaat tussen die gedraging en het gebruik van het gehuurde. Daarvan kan in elk geval sprake zijn indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had te houden en vervolgens nagelaten heeft maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verlangd hadden mogen worden.

3.5.6.

Naar het oordeel van het hof kan uit de door de gemeente vastgestelde feiten niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] zich met betrekking tot de in het bijgebouw aangetroffen zaken (een pistool met traangaspatronen en een alarmpistool) niet als een goed huurder van de standplaats heeft gedragen. De gemeente heeft immers geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit af te leiden is dat [geïntimeerde] van de aanwezigheid van deze zaken in het bijgebouw op de hoogte is geweest of had moeten zijn, terwijl [geïntimeerde] uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft betwist dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van de genoemde zaken in het bijgebouw. De gemeente heeft voorts niet gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] als gevolg van meerdere herseninfarcten met ernstige gezondheidsproblemen kampt, bedlegerig is, niet in staat om de normale dagelijkse handelingen zelfstandig uit te voeren, en zich alleen door middel van een rolstoel kan verplaatsen. Gelet op deze medische situatie van [geïntimeerde] kan aan hem moeilijk verweten worden dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden op het buiten zijn woonwagen gelegen bijgebouw. Voor zover desondanks al een tekortkoming zou moeten worden aangenomen ter zake het onvoldoende toezicht houden op het bijgebouw, betreft dat naar het oordeel van het hof in elk geval een tekortkoming die [geïntimeerde] gelet op zijn medische situatie niet zwaar kan worden aangerekend.

3.5.7.

Ten aanzien van het in de woonwagen aangetroffen pistool is dat naar het oordeel van het hof anders. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij van de aanwezigheid van dat pistool, dat door de politie is aangetroffen onder een zuil in de woonwagen, op de hoogte was. De gemeente heeft niet op concrete wijze aangeboden te bewijzen dat [geïntimeerde] wel van de aanwezigheid van dat pistool op de hoogte was. Desondanks kan naar het oordeel van het hof aan [geïntimeerde] worden verweten worden dat hij, als hij niet van de aanwezigheid van het pistool op de hoogte was, onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de handelingen die bezoekers in de woonwagen uitvoerden en op zaken die zij daarin verstopten. Dat het pistool was verstopt onder een zuil in de woonwagen voert niet tot een ander oordeel.

3.5.8.

Het hof concludeert om bovenstaande redenen dat sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst, zij het een tekortkoming van andere aard dan de door de kantonrechter aanwezig geoordeelde tekortkoming (zie rechtsoverweging 3.5.5 van dit arrest).

3.6.1.

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling dient de rechter verder rekening te houden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval waaronder eventueel ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming. De rechter dient het woonbelang van de huurder in zijn beoordeling te betrekken.

3.6.2.

Het hof is – evenals kennelijk de kantonrechter – van oordeel dat de tekortkoming op zichzelf genomen niet van zodanig bijzondere aard of geringe betekenis is dat zij de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de vraag of de ontbinding in dit concrete geval gerechtvaardigd is, moet het hof echter niet alleen de tekortkoming maar ook alle overige aangevoerde omstandigheden van het geval betrekken, waaronder het woonbelang van [geïntimeerde] . Het hof acht daarbij van doorslaggevend belang dat de gemeente niet heeft betwist [geïntimeerde] :

  • -

    geboren is op [geboortedatum] 1935 en dus bijna 81 jaar oud is;

  • -

    al tientallen jaren op het betreffende woonwagenkampje woont;

  • -

    sinds 2012 weduwnaar is;

  • -

    als gevolg van meerdere herseninfarcten met ernstige gezondheidsproblemen kampt;

  • -

    bedlegerig is en derhalve bijna de hele dag op bed ligt;

  • -

    niet in staat om de normale dagelijkse handelingen zelfstandig uit te voeren en dus veel verzorging nodig heeft;

  • -

    zich alleen door middel van een rolstoel verplaatst;

  • -

    aangewezen is op hulp van niet alleen de thuiszorg maar ook van zijn (klein)kinderen die eveneens op het betreffende woonwagenkampje wonen.

Onder deze omstandigheden leidt een ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van de standplaats naar het oordeel van het hof tot onaanvaardbare gevolgen. Door de gemeente is weliswaar gesteld dat [geïntimeerde] bij een van zijn kinderen zou kunnen intrekken maar naar het oordeel van het hof heeft de gemeente onvoldoende onderbouwd dat dit een reële en aanvaardbare optie is. Dat [geïntimeerde] aansluitend op de ontruiming van de standplaats elders acceptabele vervangende woonruimte zal kunnen vinden, is naar het oordeel van het hof evenmin voldoende onderbouwd. Gelet op de medische situatie van [geïntimeerde] acht het hof een tijdelijk verblijf in een vorm van noodopvang geen aanvaardbare optie. Het hof concludeert daarom dat de tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief I.

Met betrekking tot grief II

3.7.1.

De gemeente heeft in het geding in eerste aanleg subsidiair – voor het geval de primaire vordering tot ontbinding en ontruiming niet zou worden toegewezen – vaststelling gevorderd van het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Deze vordering is gebaseerd op artikel 7:272 lid 2 BW in verband met artikel 7:274 lid 1 sub a BW. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. De gemeente is daartegen opgekomen met grief II. In de toelichting op de grief voert de gemeente aan dat gelet op de aangetroffen wapens en munitie moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt, zodat er een grond aanwezig is voor beëindiging van de huurovereenkomst. Verder betoogt de gemeente dat het hof het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen kan bepalen op een wat langere termijn van bijvoorbeeld drie tot zes maanden, zodat [geïntimeerde] zijn overgang naar andere huisvesting zorgvuldig kan voorbereiden en uitvoeren. Onder die omstandigheden kan volgens de gemeente niet worden gezegd dat het woonbelang van [geïntimeerde] zwaarder moet wegen dan het belang van de gemeente bij beëindiging van de huurovereenkomst.

3.7.2.

Het hof overweegt dienaangaande dat de rechter bij een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst op grond van art. 7:274 lid 1 sub a BW, analoog aan de beoordeling van een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst, moet beoordelen of de ernst van de tekortkoming, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de ingrijpende sanctie van beëindiging van de huur rechtvaardigt. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat die vraag in dit geval ontkennend moet worden beantwoord. Dat [geïntimeerde] meer tijd heeft om een overgang naar andere huisvesting voor te bereiden en uit te voeren als bij de beëindiging van de huur een ruimere termijn wordt gehanteerd, laat onverlet dat het hof in dit geval een beëindiging van de huurovereenkomst, bij afweging van enerzijds de ernst en aard van de tekortkoming en anderzijds de medische situatie van [geïntimeerde] en de daarmee verband houdende behoefte aan zorg van op het woonwagenkamp verblijvende familieleden, niet gerechtvaardigd acht. Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief II.

Met betrekking tot grief III

3.8.1.

De gemeente betoogt met grief III dat de kantonrechter ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan artikel 7:273 lid 2 BW. Volgens dat artikelonderdeel moet de rechter, als hij een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst afwijst, beslissen of de overeenkomst voor onbepaalde tijd of voor een door hem vast te stellen bepaalde tijd wordt verlengd. In de toelichting op de grief voert de gemeente aan dat zij, als de rechter de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd verlengt, de huurovereenkomst als gevolg van het bepaalde in artikel 7:277 lid 2 BW niet eerder opnieuw zal kunnen opzeggen dan drie jaren nadat de beslissing van de rechter onherroepelijk is geworden. Volgens de gemeente is dat in dit geval onwenselijk en moet daarom worden bepaald dat de huur voor een kortere termijn wordt verlengd.

3.8.2.

De grief is in zoverre gegrond dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten expliciet een beslissing als bedoeld in artikel 7:273 lid 2 BW te nemen. Het hof zal die beslissing alsnog nemen.

3.8.3.

Het vonnis van de kantonrechter komt er impliciet op neer dat hij de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft verlengd. Het hof acht die beslissing in de gegeven omstandigheden juist. Uit hetgeen het hof ten aanzien van de grieven I en II heeft overwogen, volgt dat er nu geen aanleiding is om een einddatum voor de huurovereenkomst te bepalen. Dat dit meebrengt dat de gemeente de huurovereenkomst pas – kort gezegd – na drie jaar opnieuw op dezelfde grond kan opzeggen, voert niet tot een ander oordeel. De gemeente behoudt de bevoegdheid om, indien bepaalde nieuwe tekortkomingen van [geïntimeerde] daarvoor aanleiding zouden geven, ook binnen de genoemde termijn van drie jaar ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen op de voet van artikel 6:265 BW.

3.8.4.

Om bovenstaande redenen concludeert het hof dat grief III slechts ten dele doel heeft getroffen. Het hof zal alsnog op de voet van artikel 7:273 lid 2 BW bepalen dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt verlengd.

Met betrekking tot grief IV

3.9.

De gemeente is met grief IV opgekomen tegen haar veroordeling in de proceskosten. Het hof verwerpt deze grief. Omdat de vorderingen van de gemeente tot ontbinding of beëindiging van de huurovereenkomst worden afgewezen, is de gemeente te beschouwen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het enkele feit dat het hof wel een tekortkoming van [geïntimeerde] aanwezig heeft geacht, doet daar niet aan af. Het hof acht het dus juist dat de gemeente in de kosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld.

Conclusie en afwikkeling

3.10.

Omdat het hof de grieven I, II en IV geheel en grief III grotendeels heeft verworpen, zal het hof:

  • -

    het vonnis van 26 maart 2015 bekrachtigen voor zover bij dat vonnis de vorderingen van de gemeente zijn afgewezen en de gemeente in de proceskosten is veroordeeld;

  • -

    alsnog op de voet van artikel 7:273 lid 2 BW bepalen dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt verlengd;

  • -

    de gemeente als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen;

  • -

    dit arrest, zoals door [geïntimeerde] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, onder zaaknummer 3523924/181 en rolnummer 14/9149 tussen partijen gewezen vonnis van 26 maart 2015, voor zover bij dat vonnis de vorderingen van de gemeente zijn afgewezen en de gemeente in de proceskosten is veroordeeld;

vernietigt het genoemde vonnis voor zover de kantonrechter in dat vonnis heeft nagelaten een beslissing op de voet van artikel 7:273 lid 2 te nemen en, in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt op de voet van artikel 7:273 lid 2 BW dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt verlengd;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 311,-- aan griffierecht en op € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 april 2016.

griffier rolraadsheer