Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1423

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
200.132.386_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:5225
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gevolgen van ontbinding. schadeberekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.132.386/01

arrest van 12 april 2016

in de zaak van

1 Mosquitno B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. MRF Investments B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [appellante 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [appellant 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Roermond,

tegen

Edco [vestigingsnaam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.M.S. ter Beek-Ehren te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 8 september 2015 in het op het bij exploot van dagvaarding van 14 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 3 juli 2013 en het daaraan vooraf gegane vonnis van 18 juli 2012, gewezen door de toenmalige rechtbank Roermond tussen appellanten in principaal appel en geïntimeerden in incidenteel appel -Mosquitno c.s., dan wel, ieder voor zich respectievelijk Mosquitno, MRF, [appellante 3] en [appellant 4] - als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerde in principaal appel en appellante in incidenteel appel -Edco- als eiseres in conventie en verweerster in reconventie.

Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten

9 Het geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- voornoemd arrest van 8 september 2015;

- de akte na tussenarrest zijdens Edco, waarbij producties zijn overgelegd;

- de akte zijdens Mosquitno c.s. waarbij een productie is overgelegd.

Vervolgens is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

10 De beoordeling in het principaal en incidenteel appel

10.1.1

Edco heeft in de door haar genomen akte na tussenarrest het hof verzocht terug te komen op de in r.o. 7.7 van het tussenarrest van 5 september 2015 genomen bindende eindbeslissing. In deze r.o. heeft het hof vastgesteld dat van het door Edco aan Mosquitno betaalde bedrag van € 166.064,50, welk bedrag Mosquitno weer aan Edco moet terugbetalen, moeten worden afgetrokken € 38.315,- en € 15.300,-. Het bedrag van € 38.315,- moet, aldus het hof, worden afgetrokken omdat de armbandjes die Edco niet meer kan terugleveren deze waarde vertegenwoordigen. Het bedrag van € 15.300,- moet volgens het hof worden afgetrokken omdat partijen het erover eens zijn dat Mosquitno op 13 mei 2013 en 11 juni 2013 in totaal € 15.300,- aan Edco heeft terugbetaald.

Edco stelt in haar akte na tussenarrest dat zij, Edco, tegenover de betaling van € 15.300,- armbandjes aan Mosquitno heeft teruggeleverd en wel ter waarde van 1,5 x € 15.500,-. Deze teruggeleverde armbandjes, aldus Edco, zijn ook meegenomen in het bedrag van € 38.315,-. Aldus is volgens Edco sprake van een dubbeltelling door het hof. Edco stelt dat voor zover Mosquitno c.s. bij memorie van grieven het standpunt hebben ingenomen dat het bedrag van € 15.300,- naast het bedrag van € 38.315,- van het terug te betalen bedrag moet worden afgetrokken, zij dit standpunt hebben prijsgegeven in hun akte wijziging van eis in de hoofdzaak en memorie van antwoord in incidenteel appel.

10.1.2

Bij de beantwoording van de vraag of het hof dient terug te komen op een door het hof uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing op een geschilpunt tussen partijen, stelt het hof het volgende voorop. Het hof is in beginsel in het verdere verloop van de procedure gebonden aan een door het hof gegeven beslissing waarbij een geschilpunt tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Mosquitno c.s. hebben zich in hun akte na tussenarrest inhoudelijk uitgelaten over het verzoek van Edco om terug te komen op de genoemde tussenbeslissing, zodat het hof daar nu inhoudelijk over kan oordelen. Zij hebben in hun akte aangevoerd, kort gezegd, dat het hof geen dubbeltelling heeft gemaakt.

10.1.3

Edco heeft onder meer in haar akte uitlating producties van 18 maart 2014 aangevoerd dat het bedrag van € 38.315,- de waarde vertegenwoordigt van de goederen die Edco niet meer aan Mosquitno heeft kunnen terugleveren. In de kern genomen betoogt zij thans in haar akte na tussenarrest dat dit door haar gestelde feit niet juist is: het bedrag van € 38.315,- bestaat uit een bedrag van slechts € 12.777,50 uit producten die niet meer kunnen worden teruggeleverd wegens verkoop aan derden en uit een bedrag van € 2.357,50 uit producten die niet meer kunnen worden teruggeleverd omdat zij zijn gebruikt als monsters aan bijvoorbeeld de NVWA en de rechter. Voor het overgrote deel, en wel voor € 23.180,-, zou dit bedrag bestaan uit producten die zij al zou hebben teruggeleverd aan Mosquitno.

Het hof kan aan de hand van de overgelegde stukken niet vaststellen dat hetgeen Edco in onder meer haar hiervoor genoemde akte uitlating producties heeft gesteld feitelijk onjuist is, en dat hetgeen zij thans stelt wel feitelijk juist is. Het hof kan alleen maar vaststellen dat Edco van een eerder door haar aangevoerd feit thans verklaart dat dit feit onjuist is. Daarmee kan niet worden geoordeeld dat het hof in deze een beslissing heeft genomen die berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Het hof weegt hierbij ook het volgende mee. Edco heeft nog aangevoerd in haar akte na tussenarrest dat uit hetgeen Mosquitno c.s. in hun akte wijziging van eis in de hoofdzaak en memorie van antwoord in incidenteel appel hierover hebben aangevoerd ook moet worden afgeleid dat Mosquitno c.s. hun stellingen omtrent het bedrag van € 15.300,- niet handhaafden. Dat leest het hof daarin echter niet. Zo hebben Mosquitno c.s. bijvoorbeeld in nr. 1.7 van die akte gesteld dat aangenomen mag worden dat het daarvoor in nr. 1.6 genoemde bedrag van € 38.320,- (bedrag door Edco verkochte bracelets), bestaat uit door Edco verkochte bracelets in de periode gelegen na levering (juni 2011) en voor de start van de procedure tegen Mosquitno c.s., dus voor 20 januari 2012. Dit verhoudt zich niet met de stelling van Edco in haar akte na tussenarrest inhoudende dat de betaling van het bedrag van € 15.300,- in mei/juni 2013 betrekking had op toen door haar terug gekochte goederen.

Het hof acht dan ook geen termen aanwezig om terug te komen op genoemde beslissing in r.o. 7.7 van het tussenarrest van 8 september 2015.

10.2.1

Het hof heeft Edco in het tussenarrest van 8 september 2015 in staat gesteld om bij akte de door haar gemaakte opslagkosten ter zake de armbandjes vanaf 1 november 2012 tot de dag dat alle armbandjes zijn teruggegeven gespecificeerd en behoorlijk onderbouwd te becijferen. Tegen het door Edco vervolgens bij akte van 20 oktober 2015 becijferde bedrag van € 5.462,80 hebben Mosquitno c.s. geen bezwaar aangevoerd. Het hof houdt het er hierbij voor dat Mosquitno c.s. in hun akte na tussenarrest van 1 december 2015 per abuis “€ 5.4632,80” hebben geschreven. Dit betekent dat het bedrag aan door Edco gemaakte opslagkosten moet worden verhoogd met € 5.462,80.

Recapitulerend betekent dit het volgende.

Mosquitno is bij eindvonnis in het dictum onder nr. 4.2. veroordeeld tot betaling van € 42.354,46, met hoofdelijke aansprakelijkheid van MRF Investment B.V., [appellante 3] en [appellant 4] voor een bedrag van € 39.741,33. Dit bedrag is samengesteld als volgt:

a. € 7.354,46 aan opslagkosten. Dit bedrag moet worden vermeerderd met het net genoemde bedrag van € 5.462,80 (r.o. 7.9.3.2 tussenarrest 8 september 2015), en wordt dus € 12.817,26;

b. € 10.000,- aan overheadkosten. Dit bedrag moet worden verminderd met € 1.000,- (r.o. 7.9.4.2 tussenarrest 8 september 2015), en wordt dus € 9.000,-;

c. € 25.000,- wegens gederfde winst. Dit bedrag moet worden verminderd met € 3.333,40 (r.o. 7.9.5.2 tussenarrest 8 september 2015), en wordt dus € 21.666,60.

Dit betekent dat alleen Mosquitno (zie r.o. 7.10 tussenarrest 8 september 2015) in nr. 4.2. van het eindvonnis veroordeeld had moeten worden om aan Edco te betalen € 43.483,86.

10.2.2

Mosquitno is onder 4.1. van het eindvonnis veroordeeld om aan Edco te betalen € 166.064,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 7.140,- vanaf 15 juli 2011, over € 10.710,- vanaf 16 augustus 2011 en over € 148.214,50 vanaf 29 augustus 2011. Het totaalbedrag moet zijn € 112.449,50 (zie r.o. 7.7 tussenarrest 8 september 2015 en hiervoor r.o. 10.1). Het hof houdt het ervoor dat Edco de eerste partijen die aan haar zijn geleverd, niet meer heeft kunnen teruggeven, zodat rente is verschuldigd vanaf 29 augustus 2011. Wat dit betreft slaagt grief III. Er zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente, zodat die rente zal worden toegewezen.

10.3

In de laatste nog te beoordelen grief, de veertiende, klagen Mosquitno c.s. erover dat de rechtbank hen tot bewijs van hun stellingen had moeten toelaten. De grief faalt, met inachtneming van het vorenstaande en van hetgeen het hof in het tussenarrest van 8 september 2015 heeft overwogen, zijn de bewijsaanbiedingen van beide partijen niet ter zake, dan wel onvoldoende specifiek.

10.4

Het hof is van oordeel dat Mosquitno heeft te gelden als de partij die overwegend in het ongelijk is gesteld. Zij dient dus te worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en van dit hoger beroep. Edco dient te worden veroordeeld in de aan de zijde van MRF Investment B.V., [appellante 3] en [appellant 4] gerezen proceskosten, die worden begroot op nihil. De beslagkosten die Edco heeft gemaakt ten opzichte van [appellante 3] blijven voor rekening van Edco, nu haar vordering tegen [appellante 3] moet worden afgewezen.

11 De uitspraak

Het hof:

In het principaal en in het incidenteel appel:

vernietigt het vonnis van 3 juli 2013 en doet opnieuw recht als volgt:

veroordeelt Mosquitno om aan Edco te betalen € 112.449,50 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 29 augustus 2011 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Mosquitno om aan Edco te betalen € 43.483,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2012 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Mosquitno ter zake de procedure tussen haar en Edco in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Edco worden begroot op € 12.717,17 in totaal in eerste aanleg en op € 4.961 aan griffierecht en op € 7.896,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verstaat dat Mosquitno ter zake reeds heeft betaald € 221.099,80 en bepaalt dat dit door Mosquitno betaalde bedrag in mindering strekt op vorenstaande veroordelingen en veroordeelt Edco tot terugbetaling van hetgeen Mosquitno hiermee meer heeft betaald dan waartoe zij hiervoor is veroordeeld;

veroordeelt Edco ter zake de procedure tussen haar en MRF Investment B.V., [appellante 3] en [appellant 4] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep voor zover gerezen aan de zijde van MRF Investment B.V., [appellante 3] en [appellant 4] in eerste aanleg en in hoger beroep begroot op nihil;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 april 2016.

griffier rolraadsheer