Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:14

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
15/00022
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8976, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:856
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een gebruikte kampeerauto vanuit Duitsland ingevoerd. De heffing van BPM bij gebruikte voertuigen die in Nederland worden ingevoerd vanuit een andere EU-lidstaat mag niet hoger zijn dan de BPM die nog drukt op vergelijkbare gebruikte voertuigen die al in Nederland zijn geregistreerd. Naar het oordeel van het Hof zijn vergelijkbare gebruikte voertuigen in dit geval geen gebruikte gesloten bestelauto’s, maar gebruikte kampeerauto’s (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 2 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2518, V-N 2015/51.1.4).

Het Hof volgt belanghebbende evenmin in zijn stelling dat het opleggen van een naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van artikel 110 VWEU. Voor de heffing van BPM wordt aangesloten bij de eerste registratie van het voertuig in het kentekenregister. Inherent hieraan is dat wanneer wordt geconstateerd dat te weinig BPM is voldaan, deze wordt nageheven bij degene die aanvankelijk de verschuldigde BPM ter zake van de registratie heeft voldaan. Deze nageheven BPM rust dan ook op de auto en zal – voor zover niet afgeschreven – worden doorberekend aan een volgende koper. In zoverre kan niet worden gezegd dat op een reeds geregistreerde gebruikte auto een lagere belasting drukt dan op een geïmporteerde gebruikte auto. Dat degene die een geïmporteerde auto laat registreren wordt geconfronteerd met de onzekerheid van een mogelijke naheffing is inherent aan het systeem van de BPM. Voor zover dit al als een verschil in behandeling moet worden gezien, is dit gerechtvaardigd vanuit het systeem van heffing van de BPM.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/399
FutD 2016-0524
DouaneUpdate 2016-0160
NTFR 2016/851 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00022

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] (Limburg),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 november 2014, nummer AWB 14/2437, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) en de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op of omstreeks 5 november 2012 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een motorrijtuig van het merk [A] , type [B] , met identificatienummer [nummer] . De op aangifte verschuldigde BPM ten bedrage van € 5.924 is op 7 november 2012 voldaan. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] met dagtekening 18 oktober 2013 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 520. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking € 12 aan belastingrente in rekening gebracht.

De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur met dagtekening 7 maart 2014 gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 165.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 november 2015 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [C] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van mevrouw [D] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [E] en [F] .

1.5.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft op of omstreeks 5 november 2012 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een motorrijtuig van het merk [A] , type [B] , met identificatienummer [nummer] (hierna: de kampeerauto). De aangifte resulteert in een te betalen bedrag van € 5.924. Op 7 november 2012 is de kampeerauto in het kentekenregister geregistreerd. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van € 520.

2.2.

De kampeerauto is afkomstig uit Duitsland. De datum van eerste toelating aldaar is 12 augustus 2011.

2.3.

In het Kaderbesluit van 27 juni 2012, BLKB 2012/1106M, Stcrt. 2012, 13.574 (hierna: het Besluit) is ten aanzien van kampeerauto’s het volgende opgenomen:

5.4. Kampeerauto's

5.4.1.

Maatstaf van heffing kampeerauto

Als een gesloten bestelauto is ingericht als kampeerauto die voldoet aan de in paragraaf 5.4.2 genoemde voorwaarden, zou de bpm moeten worden berekend over de catalogusprijs van de kampeerauto. De meeste kampeerauto's worden vervaardigd op basis van een bepaald type gesloten bestelauto.

Goedkeuring

Met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) keur ik het volgende goed.

Als een gesloten bestelauto wordt gebruikt als basis voor een qua wielbasis van die bestelauto afwijkende kampeerauto en voldoet aan de voorwaarden, wordt de bpm berekend over de catalogusprijs van een zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto. Dit geldt ook als een kampeerauto is afgeleid van een ander soort auto (bijvoorbeeld een chassis-cabine). Daarbij wordt achtereenvolgens rekening gehouden met:

- het merk en type van de gebruikte auto of chassis-cabine;

- het motortype (diesel, benzine, cilinderinhoud, aantal kW);

- de wielbasis van de kampeerauto.

Als de wielbasis van de verkregen kampeerauto afwijkt van de wielbasis van de vergelijkbare bestelauto of chassis-cabine, wordt uitgegaan van de vergelijkbare auto met de in centimeters meest nabij gelegen wielbasis die de feitelijke wielbasis van de kampeerauto niet te boven gaat.

Voor het bepalen van de catalogusprijs is het uiteindelijke resultaat, de vervaardigde kampeerauto, doorslaggevend. Steeds wordt uitgegaan van de catalogusprijs van een met die kampeerauto op voornoemde kenmerken vergelijkbare vracht- of bestelauto.

5.4.2.

Recreatieve functie

Een kampeerauto heeft twee functies. Enerzijds dient hij voor het vervoer van personen. Anderzijds heeft hij een recreatieve functie, die vergelijkbaar is met die van tenten en caravans.

Voor het bepalen van de maatstaf van heffing van een kampeerauto wordt uitgegaan van de catalogusprijs van een met die kampeerauto vergelijkbare bestelauto, met inbegrip van de waarde van de aan de recreatieve functie toe te rekenen delen van de inrichting.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de bpm voor kampeerauto's niet wordt berekend over dat deel van de catalogusprijs dat is toe te rekenen aan de recreatieve functie. Ik stel hierbij de volgende cumulatieve voorwaarden aan de binnenruimte van deze kampeerauto. De binnenruimte ligt achter de stoelen voor de bestuurder en de bijrijder en is bestemd voor het verblijf en de overnachting.

- De binnenruimte van het als kampeerauto ingerichte motorrijtuig moet minimaal 170 cm hoog zijn (stahoogte), over een lengte van minimaal 200 cm en over een breedte van minimaal 90 cm.

- In afwijking hiervan mag, als de binnenruimte met een oorspronkelijk dak geen stahoogte heeft van 170 cm maar minimaal 130 cm, het dak voorzien zijn van een al dan niet uitklapbare permanent aangebrachte gesloten dakconstructie waardoor de stahoogte over een breedte van ten minste 90 cm en een lengte van ten minste 100 cm verhoogd kan worden tot een stahoogte van ten minste 170 cm.

- Voor motorrijtuigen van het merk Volkswagen, type Transporter, met een door de RDW toegekende 'datum van eerste toelating tot de weg' van vóór 1 januari 1994, waarbij de motor vanaf de fabriek achterin is geplaatst, geldt dat deze criteria ten aanzien van de binnenruimte kunnen worden toegepast als ware de motor niet achterin gelegen.

- De binnenruimte moet ten minste zijn voorzien van:

- twee vaste zitplaatsen;

- een tafel, waarvan de bevestiging zodanig mag zijn ontworpen dat hij eenvoudig kan worden verwijderd;

- slaapaccommodatie voor ten minste twee personen, eventueel gecreëerd met behulp van de zitplaatsen, niet zijnde de bestuurders- of bijrijderzitplaatsen;

- vaste en afsluitbare opbergfaciliteiten;

- een vast keukenblok met een minimale hoogte van 60 cm van het werkblad, voorzien van een (ingebouwde) vaste kookgelegenheid en een vaste, niet volledig uitneembare watervoorziening met een spoelbak, een kraan en een afvoer, het geheel bestemd voor gebruik in de binnenruimte.”

2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat wordt voldaan aan de in het Besluit genoemde voorwaarden aan de binnenruimte van de kampeerauto. Evenmin is in geschil dat de “zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto” een [A] [B] betreft met een bruto-BPM van € 10.412.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is een ná het belastbare feit opgelegde naheffingsaanslag aan een importeur van gebruikte auto’s discriminerend in de zin van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)?

2. Dient bij het bepalen van het afschrijvingspercentage te worden aangesloten bij de waarde van een gebruikte gesloten bestelauto [A] [B] zonder recreatieve voorzieningen, of bij de waarde van een gebruikte kampeerauto, met recreatieve voorzieningen?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van de waarde van een gesloten bestelauto zonder recreatieve voorzieningen.
De Inspecteur is van mening dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van een gebruikte kampeerauto met recreatieve voorzieningen.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Een na het belastbare feit opgelegde naheffingsaanslag

4.1.

Artikel 110 VWEU luidt als volgt:

“De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”

4.2.

Belanghebbende vergelijkt de aankoop van een binnenlands gebruikt voertuig - dat reeds is geregistreerd - met de aankoop van een geïmporteerd gebruikt voertuig dat nog niet is geregistreerd. In de eerste situatie wordt de bij de registratie te weinig geheven of betaalde belasting (BPM) niet nageheven bij de koper van de gebruikte auto, maar bij diegene die de auto in het verleden heeft geregistreerd. In de tweede situatie wordt wel nageheven bij de koper van de gebruikte auto. Belanghebbende is daarom van mening dat het opleggen van naheffingsaanslagen ná het belastbare feit aan kopers van gebruikte geïmporteerde auto’s discriminerend is in de zin van artikel 110 VWEU.

4.3.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat het opleggen van een naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van artikel 110 VWEU. Er is sprake van discriminatie indien feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld. Of de aankoop van een binnenlandse, reeds geregistreerde, gebruikte auto feitelijk en rechtens vergelijkbaar is met de aankoop van een geïmporteerde gebruikte auto die nog niet is geregistreerd, dient mede te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden die van belang zijn voor de belastingheffing. Voor de heffing van BPM wordt aangesloten bij de eerste registratie van het voertuig in het kentekenregister. Inherent hieraan is dat wanneer wordt geconstateerd dat te weinig BPM is voldaan, deze wordt nageheven bij degene die aanvankelijk de verschuldigde BPM ter zake van de registratie heeft voldaan. Deze nageheven BPM rust dan ook op de auto en zal – voor zover niet afgeschreven – worden doorberekend aan een volgende koper. In zoverre kan niet worden gezegd dat op een reeds geregistreerde gebruikte auto een lagere belasting drukt dan op een geïmporteerde gebruikte auto.

Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat er sprake is van een verschil in formeelrechtelijke bepalingen, als gevolg waarvan degene die een geïmporteerde auto laat registreren, geconfronteerd wordt met de onzekerheid van mogelijke naheffing, is dit inherent aan het systeem dat degene die de auto laat registreren, de belasting is verschuldigd en bij te lage voldoening van de belasting het risico loopt dat dit wordt gecorrigeerd door middel van het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor zover dit al als een verschil in behandeling moet worden gezien, is dit gerechtvaardigd vanuit het systeem van heffing van de BPM.

4.4.

Voor zover belanghebbende met zijn stelling heeft bedoeld dat nimmer kan worden nageheven nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, faalt deze stelling eveneens. De bevoegdheid tot het naheffen van de te weinig geheven of betaalde BPM vloeit immers voort uit artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Op grond van artikel 20, derde lid, AWR vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag pas door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggave is verleend. Uit het door belanghebbende aangehaalde arrest (Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 12/00400, ECLI:NL:HR:2013:64), waarin in geschil was of naheffing ter zake van de registratie van een personenauto ook kan plaatsvinden vóór de registratie van die auto, kan evenmin worden afgeleid dat geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd ná het belastbare feit.

Het afschrijvingspercentage van een gebruikte kampeerauto

4.5.

Belanghebbende is van mening dat artikel 110 VWEU wordt geschonden indien ter bepaling van de verschuldigde BPM wordt uitgegaan van de waarde van een gebruikte kampeerauto met recreatieve voorzieningen, omdat bij binnenlandse kampeerauto’s, op grond van het Besluit, geen heffing plaatsvindt over de waarde die kan worden toegerekend aan het recreatieve gedeelte. Belanghebbende stelt daarom dat, ter berekening van de verschuldigde BPM, de waarde van de gebruikte kampeerauto wordt bepaald op de waarde van een gebruikte gesloten bestelauto [A] [B] . Hij baseert zich hierbij op een opgave van EurotaxGlass’s van 2 november 2012 voor een [A] [B] , bouwjaar augustus 2011, ingevolge welke opgave de handelswaarde op € 18.215 is gesteld. Het afschrijvingspercentage berekent belanghebbende aldus op 43,1% ((€ 32.005 -/- € 18.215)/€ 32.005) en de verschuldigde BPM op € 5.924 ((1 - 0,431) x € 10.412).

4.6.

De Inspecteur heeft, onder verwijzing naar de tabel van artikel 10, tweede lid, Wet BPM jo. artikel 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, een afschrijvingspercentage toegepast van 38,108%. De waarde bedraagt dan € 19.808 ((1 - 0,38108) x € 32.005). De verschuldigde BPM bedraagt dan € 6.444 ((1 - 0,38108) x € 10.412).

4.7.

Uitgangspunt voor de heffing van BPM bij gebruikte voertuigen, die in Nederland worden ingevoerd vanuit een andere EU-lidstaat, is dat niet meer BPM geheven mag worden dan de BPM die nog drukt op vergelijkbare gebruikte voertuigen, die al in Nederland zijn geregistreerd. Naar het oordeel van het Hof zijn vergelijkbare gebruikte voertuigen in dit geval geen gebruikte gesloten bestelauto’s, maar gebruikte kampeerauto’s, nu, naar tussen partijen ook niet in geschil is, wezenlijke verschillen bestaan tussen gesloten bestelauto’s en kampeerauto’s. Voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage bij een gebruikte kampeerauto dient derhalve de historische nieuwprijs van een kampeerauto te worden afgezet tegen de waarde van de gebruikte kampeerauto op het moment van registratie, en niet tegen de waarde van de vergelijkbare gesloten bestelauto. Dit betekent dat voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage wél rekening moet worden gehouden met de uitrusting tot kampeerauto. Belanghebbendes andersluidende standpunt moet worden verworpen. Slechts voor de berekening van de bruto‑BPM bij nieuwe kampeerauto’s is in het Besluit een goedkeuring gegeven, in die zin dat kan worden uitgegaan van de catalogusprijs van de met de kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto, zonder de waarde van de aan de recreatieve functie toe te rekenen delen van de inrichting. De aldus berekende bruto-BPM geldt wel als uitgangspunt voor de berekening van de rest-BPM in vergelijkbare gebruikte voertuigen die al in Nederland zijn geregistreerd.

4.8.

Het Hof acht, met de Rechtbank, een door de Inspecteur gehanteerde afschrijving van 38,108% voor de kampeerauto met een kilometerstand van 6.260 over een periode van ruim één jaar niet te laag. De door de Inspecteur berekende verschuldigde BPM van € 6.444 bij een inkoopwaarde van € 19.808 is daarom niet te hoog.

Belastingrente

4.9.

Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikking inzake de belastingrente. Nu belanghebbende daartegen geen afzonderlijke klachten heeft aangevoerd en het Hof ook ambtshalve niet is gebleken dat de belastingrente onjuist is berekend, dient de in rekening gebrachte belastingrente in stand te worden gelaten.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 7 januari 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

3. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

4. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.