Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1380

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
19-09-2016
Zaaknummer
200.185.828/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw en artikel 288 lid 3 Fw

Bekrachtiging weigering toelating. niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest (oplichting en valsheid en geschrifte). Verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 7 april 2016

Zaaknummer : 200.185.828/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/212323 FT RK 15/1493

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. S.P.J. Oudenhoven te Roermond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 8 februari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 februari 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling op [appellante] van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellante], bijgestaan door mr. Oudenhoven.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 14 december 2015 en 1 februari 2016;

- de ter zitting door de advocaat van [appellante] overgelegde pleitnota.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 16.938,39. Daaronder bevindt zich een schuld aan CZ van € 5.416,81.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord zijn gegaan.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de vermeend onjuist ingediende reisdeclaraties door [appellante] bij CZ merkt zij op dat deze gedurende een periode zijn ingediend waarin zij veelvuldig artsen diende te raadplegen en behandelingen diende te ondergaan. Volgens [appellante] is er nimmer sprake geweest van een fraudevordering of een vordering van strafrechtelijke aard en de kwestie is enkel het gevolg van een civiele procedure.

Voorts stelt [appellante] dat zij na een ongeval in juli 2015 tegen de pijnklachten aan haar schouder zware medicijnen voorgeschreven heeft gekregen. Volgens [appellante] heeft zij van deze medicijnen ernstige bijwerkingen ervaren. [appellante] kon zich niet concentreren, was gedesoriënteerd en wist soms niet waar ze mee bezig was.

[appellante] is ervan overtuigd dat deze bijwerkingen haar verklaringen tijdens de politieverhoren op 29 juli 2015 negatief hebben beïnvloed. [appellante] was op dat moment totaal niet zichzelf en samen met het feit dat zij de Nederlandse taal niet goed machtig is, heeft dit ertoe geleid dat [appellante] de vragen die haar door de politie tijdens de verhoren zijn gesteld verkeerd c.q. onjuist heeft begrepen en geïnterpreteerd. Hierdoor zijn bepaalde uitlatingen van [appellante] geheel uit hun verband gerukt met alle gevolgen van dien. [appellante] ontkent niet dat ze teveel aan declaraties bij CZ heeft ingediend. Wel heeft ze dit nimmer te kwader trouw gedaan, aldus [appellante].

3.4.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - toegevoegd dat sinds 10 november 2014 mevrouw [budgetbegeleider] van Budgetbegeleiding [plaats] als haar budgetbegeleider optreedt. Volgens [appellante] is de budgetbegeleidster positief over de wijze waarop zij haar schulden aanpakt en deze laat saneren.

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.5.2.

Met betrekking tot de schuld aan CZ van € 5.416,81, welke schuld is ontstaan omdat [appellante] 37 reisdeclaraties heeft vervalst en waarbij zij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrifte – blijkens de processen-verbaal van verhoor heeft [appellante] dat ten overstaan van de verbalisanten erkend - overweegt het hof het volgende.

3.5.3.

Zoals reeds in rechtsoverweging 3.3. is overwogen heeft [appellante] - overigens voor het eerst in hoger beroep - gesteld dat zij als gevolg van een verkeersongeval in juli 2015 -tegen de pijnklachten aan haar schouder zware medicijnen voorgeschreven kreeg en innam. Volgens [appellante] heeft zij van dit medicijn ernstige bijwerkingen ervaren, kon ze zich niet concentreren, was zij gedesoriënteerd en wist ze soms niet waar ze mee bezig was.

[appellante] is ervan overtuigd dat deze bijwerkingen haar verklaringen tijdens de politieverhoren op 29 juli 2015 negatief hebben beïnvloed. [appellante] was op dat moment totaal niet zichzelf en samen met het feit dat zij de Nederlandse taal niet goed machtig is, heeft dit ertoe geleid dat [appellante] de vragen die haar door de politie tijdens de verhoren zijn gesteld verkeerd c.q. onjuist heeft begrepen en geïnterpreteerd.

3.5.4.

Het hof overweegt in de eerste plaats dat [appellante] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft erkend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van oplichting en valsheid in geschrifte door 37 reisdeclaraties te vervalsen en in te dienen bij haar ziektekostenverzekeraar CZ. Zoals uit het proces-verbaal in eerste aanleg van 1 februari 2016 blijkt, heeft [appellante] verklaard dat zij het geld, dat zij zou ontvangen uit deze vervalste reisdeclaraties, wilde gebruiken om haar schulden af te lossen. Op grond van voornoemde handelwijze is het hof dan ook van oordeel dat ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de schuld van [appellante] aan CZ als te goeder trouw kan worden aangemerkt.

[appellante] stelt nog wel dat de rechtbank in het kader van de beoordeling van de goede trouw ten onrechte voorbij is gegaan aan haar situatie en omstandigheden, maar het enkele feit dat [appellante] problemen van medische aard ondervindt waardoor zij, zoals zij stelt, in de financiele problemen is gekomen rechtvaardigt naar het oordeel van het hof nog niet de bovenbedoelde handelwijze van [appellante] te weten het vervalsen van reisdeclaraties.

3.5.5.

Met betrekking tot de stelling van [appellante] dat zij de Nederlandse taal niet goed machtig is en dat zij, in combinatie met haar medicijngebruik, de vragen die haar door de politie tijdens de verhoren zijn gesteld verkeerd c.q. onjuist heeft begrepen en geïnterpreteerd, verwijst het hof naar de processen-verbaal van verhoor van respectievelijk 29 juli 2015 om 08:35 uur en 13:30 uur en 2 september 2015, waarvan de inhoud overigens door [appellante] niet althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken. Blijkens deze processen-verbaal heeft [appellante] herhaaldelijk verklaard dat zij zichzelf in staat achtte om in de Nederlands taal te communiceren, terwijl de verbalisanten hebben verklaard dat zij constateerden dat [appellante] het Nederlands voldoende beheerste en met haar communiceerden in de Nederlandse taal.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 29 juli 2015 om 08:35 uur dat [appellante] de vraag van de verbalisant of zij de Nederlands taal goed begrijpt en verstaat met “ja” heeft beantwoord. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van [appellante] dat zij de vragen die haar door de politie zijn gesteld onjuist zou hebben begrepen en geïnterpreteerd.

Het hof overweegt voorts dat niet is gebleken of op andere wijze aannemelijk geworden dat [appellante] zodanige bijwerkingen van haar medicijngebruik heeft gekregen dat zij tijdens de politieverhoren gedesoriënteerd was, niet wist wat ze deed en de vragen van de verbalisanten ter zake van de door haar vervalste reisdeclaraties niet of niet goed zou hebben begrepen. Daar komt nog bij dat [appellante] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep op de vraag van het hof, of zij een andere verklaring zou hebben afgelegd dan hetgeen dan in de processen-verbaal is opgenomen, geen eenduidig antwoord heeft kunnen geven.

Het hof overweegt wellicht ten overvloede dat, zelfs indien zou komen vast te staan dat [appellante] de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen en zij tijdens de politieverhoren vanwege bijwerkingen van haar medicijngebruik gedesoriënteerd zou zijn geraakt, nog niet valt in te zien dat [appellante] ten aanzien van de schuld aan CZ, welke schuld het gevolg is van door [appellante] gepleegde oplichting en valsheid in geschrifte althans vervalsing, wel te goeder trouw zou zijn geweest.

Het hof merkt met betrekking tot de medische gesteldheid van [appellante] tot slot nog op dat niet gebleken is van een causaal verband tussen de medische gesteldheid van [appellante] en de gedragingen van [appellante] met betrekking tot het vervalsen van reisdeclaraties, dat zou rechtvaardigen dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan CZ te goeder trouw zou zijn geweest.

3.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.

3.7.

Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat zij van mening is dat haar situatie en de (huidige) omstandigheden, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel aanleiding geven om toepassing te geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw, overweegt het hof het volgende.

Lid 3 van artikel 288 Fw geeft de rechter de bevoegdheid om een schuldenaar tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te laten, ook al is betrokkene niet te goeder trouw geweest ten aanzien van het ontstaan en/of laten voortbestaan van schulden gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Voorwaarde is, "dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen."

Het in lid 3 van artikel 288 Fw bepaalde wordt ook aangeduid als 'de hardheidsclausule'. Tijdens de parlementaire behandeling is de hardheidsclausule vooral ter sprake gekomen in het kader van de vraag of ook personen met psychosociale en verslavingsproblemen voor toelating tot de schuldsaneringsregeling in aanmerking kunnen komen. Maar aan de hardheidsclausule komt een bredere werking toe. Dat volgt uit de algemene formulering van de clausule, waarvoor bewust is gekozen. Aan de hardheidsclausule kan toepassing worden gegeven wanneer die mede met de persoon van de schuldenaar samenhangende factoren, die tot het eerder derailleren van de schuldenaar op financieel vlak hebben geleid, goed onder controle zijn gebracht en daardoor het uitzicht bestaat dat hij het schuldsaneringstraject goed zal doorlopen.

3.7.1.

Gelet op de inhoud van de processtukken en op hetgeen door en namens [appellante] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat vooralsnog niet voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw).

Het hof overweegt in dat verband dat de enkele omstandigheid dat [appellante] een betrekkelijke korte periode - sinds 10 november 2014 - onder budgetbeheer staat nog niet betekent dat haar leefsituatie zodanig - langdurig - stabiel is dat zij haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende een periode van minimaal 3 jaar naar behoren zal nakomen.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, L.Th.L.G. Pellis, en J.J. Minnaar en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.