Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1367

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
200.182.185/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ; ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgever; artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW; ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0418
AR 2016/1089
RAR 2016/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 7 april 2016

Zaaknummer : 200.182.185/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4311005 \ EJ VERZ 15-369

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.P.J. Rubens te Boven-Leeuwen,

tegen

Stichting [de Stichting] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [de Stichting] ,

advocaat: mr. F.L.L. Vermeeren te Drunen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 22 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties (waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling met pleitaantekeningen), ingekomen ter griffie op 18 december 2015;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2016;

- de op 11 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling; bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Rubens ;

- mevrouw [bestuurslid van de stichting 1] en de heer [bestuurslid van de stichting 2] , bestuursleden van [de Stichting] , bijgestaan door mr. Vermeeren;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Rubens overgelegde pleitaantekeningen;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Vermeeren overgelegde pleitaantekeningen.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1963, is sinds 1 september 2010 in dienst van [de Stichting] als coördinator, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar laatst verdiende salaris bedraagt € 2.295,85 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

  2. Op 24 juni 2015 heeft [de Stichting] aan [appellante] meegedeeld dat zij wenst te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

  3. Op 25 juni 2015 heeft [appellante] zich ziek gemeld.

  4. Bij brief van 7 juli 2015 heeft [de Stichting] [appellante] per datum hersteld verklaring op non-actief gesteld.

  5. [de Stichting] heeft [appellante] , naar aanleiding van een rapportage van de bedrijfsarts van 3 juli 2015, hersteld gemeld per 17 juli 2015.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [de Stichting] verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 september 2015, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

Daaraan heeft [de Stichting] ten grondslag gelegd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW dan wel andere omstandigheden in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder h BW die zodanig zijn dat van [de Stichting] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Als andere omstandigheden in voormelde zin heeft [de Stichting] genoemd botsende karakters en een verschil van inzicht tussen partijen omtrent de uitoefening van werkzaamheden.

3.2.2.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat strekte tot afwijzing van het verzoek van [de Stichting] . Voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou ontbinden, heeft [appellante] verzocht haar een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen. Volgens [appellante] heeft [de Stichting] ernstig verwijtbaar gehandeld zodat aan haar een billijke vergoeding toekomt.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder a jo. 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW met ingang van 1 november 2015 en [de Stichting] veroordeeld om aan [appellante] een transitievergoeding te betalen van € 4.132,53 bruto. Voorts heeft de kantonrechter beslist dat aan [appellante] geen billijke vergoeding toekomt, omdat een situatie van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [de Stichting] in de zin van artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder c BW zich niet voordoet. De kantonrechter heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

3.4.

[appellante] is van voormelde beschikking tijdig in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. Zij heeft verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

a. primair: de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de ontbinding is uitgesproken van het dienstverband tussen partijen en dit dienstverband op grond van het bepaalde in artikel 7:683 BW te herstellen, onder toekenning van voorzieningen als bedoeld in artikel 7:682 lid 6 BW;

b. subsidiair: de in de bestreden beschikking uitgesproken ontbinding van het dienstverband tussen partijen in stand te laten onder toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 BW van € 20.000,00;

c. [de Stichting] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.5. (

De advocaat van) [appellante] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard de achtste grief tegen het bestreden vonnis in te trekken. Daarop behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

3.6.

Met de eerste grief stelt [appellante] dat de kantonrechter haar verweer onvolledig heeft weergegeven. Het hof overweegt dat geen rechtsregel een rechter verplicht al hetgeen door een partij wordt aangevoerd in de uitspraak te vermelden. Het staat een rechter vrij daaruit die selectie te maken die hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Derhalve faalt grief 1.

3.7.

Hetzelfde lot treft grief 3 die zich richt tegen de weergave door de kantonrechter van de gronden die [de Stichting] aan het ontslagverzoek ten grondslag heeft gelegd. Dat de kantonrechter inhoudelijk geen recht heeft gedaan op hetgeen door partijen is aangevoerd heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd.

3.8.

Grief 2, die zich richt tegen de overweging van de kantonrechter dat gesteld noch gebleken is dat enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst geldt, is tevergeefs opgeworpen. Zo al moet worden aangenomen dat [appellante] ten tijde van de behandeling van het ontslagverzoek ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte, hetgeen door [de Stichting] gemotiveerd en met stukken onderbouwd is weersproken, geldt dat het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW niet zonder meer in de weg staat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Immers, gesteld noch gebleken is dat het ontbindingsverzoek verband houdt met arbeidsongeschiktheid van [appellante] wegens ziekte, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:671b lid 6 aanhef en onder a BW.

3.9.

De grieven 4, 5 en 6 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een zodanige verstoorde arbeidsverhouding dat van [de Stichting] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.10.

De in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW vermelde redelijke grond voor opzegging is ontleend aan het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt onder meer dat geen wijziging werd beoogd ten opzichte van hetgeen in dat Ontslagbesluit en de daarop toentertijd gebaseerde Beleidsregels Ontslagtaak UWV was geregeld (zie bijv. Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 98-101).

Het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit bepaalde ten aanzien van deze grond dat de werkgever aannemelijk diende te maken dat sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 3, p. 43-46 en p. 98) is hierover nog het volgende opgemerkt:

“In het Ontslagbesluit gelden als criteria voor het verlenen van toestemming voor ontslag dat de verstoring ernstig en duurzaam moet zijn. Beide criteria gelden in beginsel nog steeds en komen tot uitdrukking in de formulering <zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren>. In beginsel, omdat ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd.”

Het hof merkt op dat deze laatste nuancering ook al was opgenomen in paragraaf 4c van hoofdstuk 27 van de Beleidsregels Ontslagtaak UWV.

3.11.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de eigen stellingen van [appellante] dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Daartoe is het volgende redengevend. [appellante] erkent dat sprake is van, zoals zij het noemt, ‘een minder goede verhouding’ tussen haar en het bestuur van [de Stichting] (randnummer 10 beroepschrift). Ook spreekt [appellante] van ‘een moeizame verhouding’ met de voorzitter van het bestuur (randnummer 14 beroepschrift). [appellante] heeft de communicatie en de samenwerking met de voorzitter van het bestuur vanaf aanvang dienstverband als uiterst moeizaam en problematisch ervaren, zo heeft zij ook ter zitting in hoger beroep verklaard.

Daartegenover stelt [appellante] dat ook met een minder goede verhouding tussen haar en het bestuur, gedurende vijf jaren op een succesvolle manier is samengewerkt (grief 4 onder 10) en dat haar moeizame verhouding met de voorzitter van het bestuur al vijf jaar werkbaar is gebleken (grief 5 onder 14). [appellante] is dan ook van mening dat het dienstverband kan worden voortgezet. Echter, uit de eigen stellingen van [appellante] , als verwoord onder randnummers 16 t/m 20 van de kort geding dagvaarding (beroepschrift, productie 1c), welke stellingen ter zitting in hoger beroep door het hof aan [appellante] zijn voorgehouden en met partijen zijn besproken, volgt dat van een werkbare verhouding tussen [appellante] en het bestuur nu juist geen sprake is.

In de kort geding dagvaarding onder randnummer 17 verwijst [appellante] naar een brief van oud-bestuurslid [oud-bestuurslid 1] van 10 maart 2011, waarin [oud-bestuurslid 1] de intentie uitspreekt om de moeizaam verlopende communicatie tussen [appellante] en de voorzitter van het bestuur te reguleren. [appellante] stelt dat de communicatie tussen haar en de voorzitter van het bestuur als gevolg van deze maatregel lange tijd goed is verlopen. De heer [oud-bestuurslid 1] is sinds december 2014 geen bestuurslid meer bij [de Stichting] . Een volgend bestuurslid dat heeft geprobeerd de communicatie tussen de voorzitter van het bestuur en [appellante] goed te laten verlopen is mevrouw [oud-bestuurslid 2] , zo stelt [appellante] in de kort geding dagvaarding onder randnummer 18. Mevrouw [oud-bestuurslid 2] is meerdere malen opgetreden als buffer en/of als mediator tussen de voorzitter en [appellante] . Net als de heer [oud-bestuurslid 1] is ook mevrouw [oud-bestuurslid 2] in december 2014 vertrokken als bestuurslid van [de Stichting] .

3.12.

Het hof maakt uit het vorenstaande op dat de aanwezigheid van een buffer tussen [appellante] en de voorzitter van het bestuur c.q. iemand die de communicatie tussen beiden reguleert, een noodzakelijke voorwaarde is voor de communicatie en samenwerking tussen [appellante] en het bestuur in de persoon van zijn voorzitter en daarmee voor het functioneren van [appellante] als coördinator. Naar het oordeel van het hof kan niet van [de Stichting] gevergd worden voortdurend in een dergelijke buffer te voorzien. Daarbij komt dat naar het oordeel van het hof een situatie waarbij de communicatie tussen [appellante] en (de voorzitter van) het bestuur noodzakelijkerwijze via een derde dient te verlopen niet werkbaar is en aan een vruchtbare samenwerking tussen [appellante] en (de voorzitter van) het bestuur in de weg staat.

3.13.

Ter zitting in hoger beroep is door de voorzitter van het bestuur tegengesproken dat zij haar functie binnenkort zal neerleggen. [appellante] had dit aangevoerd om aan te geven dat haar moeizame relatie met de voorzitter binnen afzienbare tijd tot het verleden zal behoren.

3.14.

Daarbij komt dat het hof uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat niet alleen tussen [appellante] en de voorzitter van het bestuur maar ook tussen [appellante] en de overige bestuursleden een uiterst moeizame relatie bestaat.

Overgelegd is een verklaring van bestuurslid [bestuurslid van de stichting 2] (productie 18 in eerste aanleg) waarin hij onder meer verklaart:

“(…) Het voeren van functionerings- en beoordelingsgesprekken heb ik als tweede bestuurslid (naast de voorzitter) op enig moment overgenomen van een voormalig bestuurslid omdat deze collega-bestuurder aan het eind van zijn repertoire en Latijn was geraakt met mevrouw [appellante] . Mevrouw [appellante] dreef ook mij in deze gesprekken al gauw tot wanhoop (...). Mevrouw [appellante] bleek keer op keer, door de jaren heen dat ik deel uit maak van het stichtingsbestuur, niet aanspreekbaar en beïnvloedbaar op het door haar vertoonde gedrag. Ik kan u zeggen dat de werkrelatie met mevrouw [appellante] het bestuur tot wanhoop heeft gedreven. De impact op de sfeer in het bestuur (en in de organisatie) werd langzaamaan onhoudbaar groot. Hoewel het bestuur voor mevrouw [appellante] werkgever is en die rol zo professioneel mogelijk invult, zijn de leden van het bestuur óók gewoon vrijwilligers met weliswaar enige draagkracht, maar die is in praktijk begrensd gebleken door het de onaanstuurbaarheid van mevrouw [appellante] en de enorme stress die zich hierdoor van de leden van het bestuur meester maakte. (…).”

Het voormalig bestuurslid waarover [bestuurslid van de stichting 2] in zijn verklaring spreekt is oud-bestuurslid [oud-bestuurslid 1] . Overgelegd is een brief van [oud-bestuurslid 1] aan het bestuur van 4 januari 2016 (verweerschrift in hoger beroep, productie 3). Daarin citeert [oud-bestuurslid 1] het antwoord dat hij [appellante] heeft gezonden nadat zij hem begin december 2015 had gevraagd om op voormelde verklaring van [bestuurslid van de stichting 2] te reageren. In zijn antwoord aan [appellante] (zoals geciteerd in voormelde brief) schrijft [oud-bestuurslid 1] : “Op je verzoek zal ik niet anders ingaan dan door je te zeggen dat wat ik in de brief van [bestuurslid van de stichting 2] (hof: [bestuurslid van de stichting 2] ) lees volledig juist is. (…)”

[oud-bestuurslid 1] vervolgt zijn brief aan het bestuur van 4 januari 2016 als volgt:

“(…) De contacten met en het gedrag van [appellante] (hof: [appellante] ) leidden bij mij steeds meer tot spanning, met name in de laatste twee jaren. Een gewoon gesprek waarin naar elkaar werd geluisterd bleek voor [appellante] bijna onmogelijk. Bij alle opmerkingen die er van de zijde van het bestuur werden gemaakt, reageerde [appellante] steeds zeer afwerend, verdedigend en nooit was zij in staat of bereid in te zien dat haar eigen gedrag misschien zou moeten veranderen (…) Voor mij was de grens bereikt omstreeks november 2014 na een telefoongesprek van [appellante] met mij over het huisvestingsbesluit van het bestuur. De druk die zij daarbij (impliciet) op mij legde heb ik als zeer belastend ervaren en daarom besloot ik onmiddellijk daarna mijn bestuurslidmaatschap te beëindigen. (…).”

Ter zitting in eerste aanleg hebben de (naast de voorzitter) aanwezige (overige) bestuursleden van [de Stichting] , mevrouw [bestuurslid van de stichting 3] , mevrouw [bestuurslid van de stichting 4] en mevrouw [bestuurslid van de stichting 5] verklaard dat het vertrouwen in [appellante] onherstelbaar is aangetast. Daarmee is de relatie van [appellante] met het gehele bestuur ernstig en duurzaam verstoord geraakt. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het unanieme besluit van het bestuur om te komen tot beëindiging van het dienstverband met [appellante] .

3.15.

Nog daargelaten dat ter zitting in hoger beroep door [de Stichting] is tegengesproken dat van een aangekondigd vertrek van het (voltallige) bestuur (indien [appellante] zou terugkeren) sprake zou zijn, heeft te gelden dat eerdere bestuurswisselingen (waarvan een overzicht is overgelegd als productie 2 bij het beroepschrift) geen verbetering hebben gebracht in de relatie tussen partijen.

3.16.

[de Stichting] is een vrijwilligersorganisatie bestaande uit een (onbezoldigd) bestuur, een grote groep vrijwilligers en één (betaalde) coördinator in de persoon van [appellante] . [appellante] vervult een spilfunctie tussen de vrijwilligers en het bestuur van [de Stichting] . Het bestuur, waarvan de leden hun bestuurstaken allen vervullen naast andere maatschappelijke functies, staat letterlijk en figuurlijk op afstand en heeft slechts in beperkte mate tijd en gelegenheid om op het functioneren van [appellante] toe te zien. Het is derhalve onontbeerlijk dat het bestuur vertrouwen heeft in (het functioneren van) [appellante] en daarbij past niet de noodzaak om voortdurend te voorzien in een ‘buffer’ tussen [appellante] en het bestuur.

3.17.

Gelet op het voorgaande is het hof, evenals de kantonrechter, van oordeel dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [de Stichting] niet langer in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het dienstverband met [appellante] voortzet. Herplaatsing van [appellante] binnen [de Stichting] is gezien de verstoring van de arbeidsverhouding niet mogelijk. De conclusie is dan ook dat het verzoek van [de Stichting] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht is toegewezen op de grond dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW. Het verzoek van [appellante] strekkend tot herstel van de arbeidsovereenkomst moet derhalve worden afgewezen.

Het voorgaande betekent dat de grieven 4, 5 en 6 falen.

3.18.

Het subsidiaire verzoek van [appellante] strekkend tot toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:683 BW (grief 7) moet eveneens worden afgewezen. Blijkens het petitum van het beroepschrift heeft [appellante] enkel verzocht om een billijke vergoeding voor het geval het hof tot het oordeel mocht komen dat de kantonrechter de ontbinding ten onrechte heeft toegewezen, maar de arbeidsovereenkomst niet wil herstellen. Het hof is evenwel van oordeel dat het verzoek van [de Stichting] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht is toegewezen.

Voor zover [appellante] heeft bedoeld aanspraak te maken op een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [de Stichting] heeft het volgende te gelden.

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [de Stichting] ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW. Het betreft hier een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder c BW kan de rechter in dat geval een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Uit de wetgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34) volgt dat het hierbij gaat om uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren. Ook heeft [appellante] gewezen op de zogenaamde ‘Asscher-escape’, waarmee wordt bedoeld dat de werkgever ten onrechte beëindiging van de arbeidsovereenkomst nastreeft, waardoor de arbeidsrelatie verstoord raakt. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Grief 7 faalt derhalve.

3.19.

[appellante] heeft nog gerefereerd aan schending van de eisen van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW door [de Stichting] . Voor zover [appellante] daarmee heeft bedoeld op deze grondslag aanspraak te willen maken op een aanvullende vergoeding naast de reeds toegekende transitievergoeding – een dergelijk verzoek is niet opgenomen in het petitum van het beroepschrift – oordeelt het hof dat dit niet meer is dan een enkele stelling die onvoldoende is toegelicht. Het hof laat in het midden of een dergelijke vergoeding toewijsbaar is naast een transitievergoeding en een eventuele billijke vergoeding.

3.20.

Uit het voorgaande volgt dat het hof niet toekomt aan bewijslevering. Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het overigens in hoger beroep verzochte afwijzen.

3.21.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de Stichting] zullen worden vastgesteld op € 711,00 aan griffierecht en op € 1.788,00 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten in tariefgroep II).

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de Stichting] op € 711,00 aan griffierecht en op € 1.788,00 aan salaris advocaat en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, J.W. van Rijkom en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.