Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1329

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
200 173 679_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage jongmeerderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/11.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 7 april 2016

Zaaknummer: 200.173.679/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/290742 / FA RK 15-1131

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.A.A. Smits,

tegen

[verweerder] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: [jongmeerderjarige] ,

advocaat: voorheen mr. M.A.M. Kools, thans mr. C.A.M.J. de Wit.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 april 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juli 2015, heeft de man verzocht bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van [jongmeerderjarige] tot vaststelling van een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2015, heeft [jongmeerderjarige] verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Smits;

  • -

    [jongmeerderjarige] , bijgestaan door mr. De Wit.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [jongmeerderjarige] d.d. 8 februari 2016;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 12 februari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

De man is op 4 juli 1986 gehuwd met mevrouw [de vrouw] (hierna: de vrouw).

Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] [jongmeerderjarige] geboren.

3.2.

Bij beschikking van 28 april 2006 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 mei 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] moet voldoen een bedrag van € 127,- per maand met ingang van 20 november 2014.

De bijdrage voor [jongmeerderjarige] beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 129,68 per maand.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man betreffen - zakelijk weergegeven - :

- de behoefte van [jongmeerderjarige] (grief 1);

- de draagkracht van de vrouw en de stiefvader van [jongmeerderjarige] (grief 2);

- de draagkracht van de man (grief 3);

- de ingangsdatum (grief 4).

Ingangsdatum

3.6.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de onderhoudsbijdrage moet ingaan. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

3.6.1.

Het hof zal uitgaan van de datum van 5 maart 2015, zijnde de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift. In hetgeen [jongmeerderjarige] heeft gesteld, ziet het hof onvoldoende reden om van deze gebruikelijke ingangsdatum bij een eerste vaststelling van alimentatie af te wijken. Het hof heeft hierbij mede gelet op het tijdsverloop tussen 20 november 2014, dat is de dag waarop de advocaat van [jongmeerderjarige] de man voor de eerste keer heeft aangeschreven, en 5 maart 2015 alsmede op het gegeven dat indien de te betalen bijdrage wordt vastgesteld met ingang van 20 november 2014, de man te maken krijgt met betalingsproblemen, naar hij onbetwist heeft gesteld. Grief 4 slaagt.

Behoefte [jongmeerderjarige]

3.7.

Dat [jongmeerderjarige] behoefte heeft aan een bedrag van € 808,17 per maand, waarbij aansluiting is gezocht bij de geldende WSF-norm, wordt op zichzelf door de man niet betwist.

De man voert evenwel met grief 1 aan dat op dat bedrag in mindering moet worden gebracht de eigen inkomsten van [jongmeerderjarige] uit een bijbaan in het bedrijf van zijn stiefvader en de zorgtoeslag.

3.7.1.

[jongmeerderjarige] betwist dat hij een bijbaan heeft. Hij ruimt de werkplaats van het bedrijf van zijn stiefvader wel eens op, hetgeen hem € 42,- per week aan zakgeld oplevert. Dit zakgeld kan niet worden aangemerkt als substantieel en vermindert zijn behoefte niet.

Met de zorgtoeslag voorziet [jongmeerderjarige] in het eigen risico, zodat deze toeslag evenmin zijn behoefte verlaagt.

3.7.2.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:392 juncto 1:395a van het Burgerlijk Wetboek (BW) een verlengde onderhoudsplicht voor ouders jegens hun jongmeerderjarige kinderen van 18 tot 21 jaar geldt, ongeacht hun behoeftigheid. Alleen indien sprake is van substantiële (bij)verdiensten, wordt met deze eigen inkomsten bij de behoeftebepaling rekening gehouden. Van substantiële bijverdiensten van [jongmeerderjarige] is het hof niet gebleken. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [jongmeerderjarige] is de enkele omstandigheid dat hij soms de werkplaats van het bedrijf van zijn stiefvader opruimt onvoldoende om te kunnen concluderen dat zijnerzijds sprake is van substantiële inkomsten die het niveau van hetgeen een student gebruikelijk met een bijbaan verdient, overstijgen. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

Het hof is voorts van oordeel dat de behoefte van [jongmeerderjarige] moet worden vastgesteld los van de zorgtoeslag. Deze toeslag heeft een subsidiair, aanvullend, karakter en wordt vastgesteld op basis van het inkomen van de aanvrager, waaronder de onderhoudsbijdrage, terwijl de redenering niet andersom geldt dat de onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld met inachtneming van de toeslag (HR 7 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW8293).

Grief 1 faalt derhalve.

Draagkracht vrouw en stiefvader

3.8.

Het hof volgt de man in zijn standpunt dat ook de vrouw onderhoudsplichtig is ten opzichte van [jongmeerderjarige] . Het hof is tevens met de man - anders dan het hof de advocaat van de man ter zitting bij vergissing heeft voorgehouden - van oordeel dat ook de stiefvader van [jongmeerderjarige] een onderhoudsplicht heeft jegens [jongmeerderjarige] . Grief 2 slaagt derhalve, maar gezien het navolgende kan dit de man niet baten.

3.9.

De vrouw heeft een salaris van € 907,56 bruto per maand, zoals blijkt uit de salarisspecificaties van april 2015, mei 2015 en juni 2015, nog te vermeerderen met vakantietoeslag.

De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw vast op een bedrag van € 865,- per maand. Nu de vrouw een netto besteedbaar inkomen heeft lager dan € 1.275,- per maand, zal het hof uitgaan van een minimum draagkracht van € 25,- per maand.

3.10.

Met betrekking tot de verplichting van de stiefvader om in de kosten van studie en levensonderhoud van [jongmeerderjarige] bij te dragen, is het hof van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn onderhoudsverplichting op nihil gesteld dient te worden. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de man nooit enige bijdrage heeft geleverd in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] en dat de stiefvader met de vrouw ook in de kosten van de twee andere kinderen van de man en de vrouw voorziet.

Draagkracht man

3.11.

De man voert met grief 3 aan dat hij weliswaar op grond van de draagkrachttabel een draagkracht heeft van € 127,- per maand, maar dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schulden van de man waarop hij maandelijks aflost. De man doet in dit verband een beroep op de aanvaardbaarheidstoets.

[jongmeerderjarige] heeft de grief van de man gemotiveerd weersproken.

3.11.1.

Het hof overweegt als volgt.

Bij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets ligt het op de weg van de onderhoudsplichtige te stellen en te onderbouwen dat sprake is van schulden en dat de op basis van de draagkrachttabel vastgestelde bijdrage tot een onaanvaardbare situatie leidt voor de onderhoudsplichtige. Van een dergelijke situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

- bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of

- van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om een beroep op de aanvaardbaarheidstoets te doen slagen. Het hof neemt hierbij op de eerste plaats in aanmerking dat de man is hertrouwd, zodat zijn echtgenote de helft van de verschuldigde aflossingen op gezamenlijke schulden moet dragen. De door [jongmeerderjarige] betwiste en door de man niet nader onderbouwde stelling van de man dat zijn echtgenote wegens ziekte geen inkomen heeft en derhalve niets kan aflossen, wordt door het hof gepasseerd. De man heeft immers nagelaten enig bewijs van de ziekte van zijn echtgenote over te leggen en hij heeft evenmin bewijs bijgebracht van arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote. Het hof houdt het er dan ook voor dat de echtgenote van de man in staat is betaalde arbeid te verrichten en aldus een relevant inkomen te verwerven.

Het hof is voorts van oordeel dat tegenover de betwisting door [jongmeerderjarige] het bestaan van een schuld aan de broer van de man bij gebreke van onderliggende stukken niet is komen vast te staan.

Het hof houdt evenmin rekening met de schulden van de man bij de belastingdienst in verband met teveel ontvangen toeslagen. Nu de man deze toeslagen ten onrechte heeft ontvangen, had het op zijn weg gelegen deze gelden te reserveren.

Met betrekking tot de schulden aan [zorgverzekeraar] stelt het hof vast dat deze op naam van de echtgenote van de man staan en bovendien reeds hadden moeten zijn afgelost, reden waarom het hof deze schulden niet in aanmerking neemt. Ook de schuld aan [kredietverstrekker] staat op naam van de echtgenote van de man, zodat het hof hiermee eveneens geen rekening houdt.

Ten slotte wordt de schuld aan de [bank] ten bedrage van € 5.000,- uit hoofde van een doorlopend krediet door het hof evenmin in aanmerking genomen. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de man weliswaar op deze schuld aflost, maar ook bedragen van het krediet opneemt, zodat de hoofdsom op 14 juli 2015 € 4.872,73 bedroeg en er derhalve per saldo nauwelijks aflossing plaatsvindt.

Gelet op het voorgaande faalt grief 3.

3.12.

Nu de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw onvoldoende is om volledig in de behoefte van [jongmeerderjarige] te voorzien, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven en dient de man bij te dragen in de kosten van [jongmeerderjarige] tot aan de grens van zijn draagkracht, te weten € 127,- per maand.

3.13.

Uit het voorgaande volgt dat de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, behoudens ten aanzien van de ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 april 2015, doch uitsluitend voor zover daarbij de ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage is bepaald op 20 november 2014,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de ingangsdatum op 5 maart 2015;

bekrachtigt voormelde beschikking voor al het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.C. Bijleveld - van der Slikke en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.