Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
200.163.880_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:8291, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schadevergoeding bij de civiele rechter nadat in een administratieve procedure een eerdere beslissing van de gemeente (waarbij een gevraagde voorziening was afgewezen) door de rechtbank is vernietigd en die voorziening alsnog is toegewezen, met begroting door de rechtbank van een bedrag waarop de waarde van die voorziening kan worden gesteld, blijft beperkt tot de wettelijke rente

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/146
PS-Updates.nl 2016-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.163.880/01

arrest van 5 april 2016

in de zaak van

1 [appellante 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante 1] ,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Roermond,

tegen

Gemeente Brunssum,

gevestigd te Brunssum,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de Gemeente,

advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 december 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 9 oktober 2013 en 1 oktober 2014, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen [appellante 1] als eisers en de Gemeente als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/181703/HA ZA 13-249)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met twee producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Hierna worden appellanten sub 1 en 2 gezamenlijk (en in vrouwelijk enkelvoud) aangeduid als “ [appellante 1] ”, appellante sub 1 als “mevrouw [appellante 1] ” en appellant sub 2 als “de heer [appellant 2] ”.

3.2.

De volgende feiten staan vast.

3.2.1.

In 2003 heeft mevrouw [appellante 1] een voorziening krachtens de WMO aangevraagd en (deels) ontvangen. In 2007 heeft mevrouw [appellante 1] wederom een aanvraag ingediend krachtens de WMO, ditmaal tot het aanbrengen van voorzieningen in de woning, te weten een hellingbaan bij de voordeur, drempelnivellering, lift, en aanpassing van het toilet. De kosten werden destijds begroot op € 25.000,--. De aanvrage is afgewezen en daarin heeft mevrouw [appellante 1] toen berust.

3.2.2.

Op 16 maart 2010 heeft zij andermaal een aanvraag ingediend voor woningaanpassing krachtens de WMO. Het ging ditmaal in elk geval om een traplift. Een medische rapportage van juni 2010 maakte gewag van een traplift, het wegwerken van dorpels en een natte cel-voorziening.

3.2.3.

Bij besluit van 3 februari 2011 werd de gevraagde voorziening geweigerd omdat aangepaste woonruimte beschikbaar was zodat een verhuiskostenvergoeding groot € 1.700,--werd toegekend.
In de visie van mevrouw [appellante 1] was verhuizing geen optie in verband met de geestelijke gezondheid van de heer [appellant 2] .

3.2.4.

Op 24 februari 2011 maakte mevrouw [appellante 1] tegen de weigering van de gevraagde toekenning bezwaar; de bezwaarschriftencommissie behandelde het bezwaarschrift en adviseerde op 20 juli 2011 tot afwijzing van het bezwaar. In lijn daarmee werd het bezwaar door de Gemeente op 2 augustus 2011 ongegrond verklaard.

3.2.5.

Van die beslissing heeft mevrouw [appellante 1] beroep ingesteld bij de rechtbank Maastricht. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van 6 juni 2012 het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit van 2 augustus 2011, bepaalde dat de Gemeente aan mevrouw [appellante 1] een PGB ten bedrage van € 56.000,-- verstrekte, en dat de uitspraak in de plaats van het bestreden besluit trad.

3.2.6.

Bij beroepschrift van 18 juli 2012 werd door mevrouw [appellante 1] tegen die uitspraak op twee onderdelen beroep aangetekend:

  • -

    ten eerste, omdat de rechtbank de kosten van de voorziening beperkte tot € 56.000,-- terwijl dat bedrag was gebaseerd op een raming;

  • -

    ten tweede, omdat de rechtbank heeft nagelaten de Gemeente op te dragen een nieuw besluit te nemen ter zake van de deskundigenkosten en de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.

3.2.7.

Bij uitspraak van 16 april 2014 werd het eerste bezwaar ongegrond verklaard en de aangevallen beslissing in zoverre bevestigd, terwijl het tweede bezwaar gegrond werd verklaard aldus dat de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) de zaak voor wat betreft de kosten zelf afdeed.

3.3.

In de onderhavige zaak vorderde [appellante 1] bij inleidende dagvaarding van 5 juni 2013 – dus na de uitspraak van de rechtbank d.d. 6 juni 2012, maar vóór de uitspraak van de CRvB van 16 april 2014 - een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig had gehandeld, en veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van de deswege door hen geleden schade, op te maken bij staat. Niet geheel duidelijk is of [appellante 1] zich beriep op onrechtmatigheid van het op 3 februari 2011 genomen primaire besluit, van het op 2 augustus 2011 genomen besluit waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard, of beide.

3.3.1.

Bij incidentele conclusie vorderde mevrouw [appellante 1] vergoeding van een bedrag groot € 1.614,-- per maand voor een aanleunwoning. Bij incidenteel vonnis van 9 oktober 2013 werd deze vordering afgewezen. Grief 1 heeft betrekking op de afwijzing van de incidentele vordering.

3.3.2.

Door het uitblijven van de gevraagde woningaanpassingen, aldus [appellante 1] , is de gezondheid van mevrouw [appellante 1] ernstig geschaad. Zij heeft veel vaker in een MS-kliniek moeten verblijven dan voorheen. Voorts is de heer [appellant 2] door het uitblijven van de voorzieningen arbeidsongeschikt geraakt en heeft hij zijn baan verloren.

3.4.

Bij de in de hoofdzaak gevorderde kostenposten gaat het om

  1. kosten van mevrouw [appellante 1] wegens noodzakelijk verblijf in de MS-kliniek in [woonplaats] of aanleunwoning daarbij;

  2. kosten van zowel mevrouw [appellante 1] als de heer [appellant 2] in verband met gedwongen gescheiden wonen (dubbele woon- en energielasten e.d.);

  3. door [appellant 2] geleden inkomensschade;

  4. reiskosten van de heer [appellant 2] van Brunssum naar [woonplaats] ;

  5. immateriële schade, geleden door mevrouw [appellante 1] èn de heer [appellant 2] .

3.5.

De Gemeente heeft diverse verweren gevoerd.

3.5.1.

De Gemeente heeft zich erop beroepen dat krachtens art. 6:119 BW de eventueel door haar te vergoeden schade werd beperkt tot de wettelijke rente, welke ook aan mevrouw [appellante 1] is aangeboden. Zij beriep zich daarbij onder meer op CRvB 26 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX9608 en CRvB 1 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6441.

3.5.2.

Voorts beriep de Gemeente zich op eigen schuld van [appellante 1] en werden overigens inhoudelijk de schadeposten betwist.

3.5.3.

Ten aanzien van schadeposten c (en d?) stelt de Gemeente dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan aangezien de bestreden norm niet strekte tot bescherming van enig belang van de heer [appellant 2] . Ten aanzien van schadepost c betwist de Gemeente voorts het oorzakelijk verband, omdat de heer [appellant 2] al jaren ziek was en een uitkering genoot.

3.6.

Het bestreden vonnis in de hoofdzaak:

3.6.1.

In r.o. 2.4 en 4.1 wijdde de rechtbank overwegingen aan de omvang van het door [appellante 1] ingestelde hoger beroep (grieven 3 en 5).

3.6.2.

De rechtbank oordeelde in r.o. 4.2 met betrekking tot de periode voor 3 februari 2011 dat de Gemeente niet onrechtmatig had gehandeld (grief 6).

3.6.3.

Het in r.o. 3.5.1 omschreven verweer van de Gemeente is door de rechtbank in r.o. 4.6 gehonoreerd (grief 4).

3.6.4.

De rechtbank oordeelde in r.o. 4.7, ten overvloede, dat nu mevrouw [appellante 1] het PGB niet had gebruikt maar (feitelijk) naar een woning in [woonplaats] (B) is verhuisd, niet gezegd kan worden dat de te late ter beschikking stelling van het PGB tot daadwerkelijke schade voor mevrouw [appellante 1] heeft geleid (grief 7).

3.6.5.

Met betrekking tot de heer [appellant 2] honoreerde de rechtbank in r.o. 4.8 het verweer dat het aangevallen besluit niet tot de heer [appellant 2] was gericht en dus ook niet jegens hem als onrechtmatig kan worden bestempeld (grief 2).

3.6.6.

In de overwegingen van de rechtbank ligt besloten dat de rechtbank het primaire besluit van 3 februari 2011 onrechtmatig achtte. De gevorderde verklaring voor recht werd dan ook door de rechtbank uitgesproken, althans voor zover het mevrouw [appellante 1] betreft. Het appel is kennelijk daartegen niet gericht en ook het incidentele appel is tegen dat oordeel niet gericht.

3.6.7.

De door [appellante 1] gevorderde schadevergoeding werd beperkt tot de wettelijke rente over het door de bestuursrechter vastgestelde bedrag groot € 56.000,--; het meer of anders gevorderde – dat ziet dus tevens op het afwijzen van de gevraagde verklaring voor recht, voor zoveel dit de heer [appellant 2] betrof - werd afgewezen (grief 8).

3.6.8.

Grief 9 betreft de beslissing inzake de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak.

3.7.

De Gemeente heeft incidenteel appel ingesteld en één grief geformuleerd. Deze betreft de beslissing inzake de proceskosten.

3.8.

Grieven 3 en 5 leiden, wat daar verder van zij, niet tot vernietiging van het vonnis. Het beroepschrift van 18 juli 2012 luidde (op dit onderdeel) letterlijk dat beroep werd ingesteld tegen “het oordeel van de rechtbank dat de kosten van de Wmo-voorzieningen beperkt dienen te blijven tot een bedrag van 56.000 euro ondanks het feit dat dat bedrag is gebaseerd enkel op een raming.”
De CRvB heeft dienaangaande overwogen en beslist in zijn r.o. 4.1 en 4.2.
Grieven 3 en 5 berusten op een onjuiste lezing van het vonnis waarvan beroep. Nergens blijkt uit dat de rechtbank de mening was toegedaan als zou mevrouw [appellante 1] bij de CRvB bezwaar hebben gemaakt tegen toekenning van € 56.000,--; het ging haar er bij het administratieve beroep om dat zij vreesde dat dit bedrag bij budgetoverschrijdingen te beperkt zou blijken en dat de rechtbank in de onderhavige zaak dat zou hebben misverstaan blijkt niet.

3.9.

Het hof merkt grief 4 aan als de meest verstrekkende grief. Deze betreft immers een beslissing van de rechtbank welke leidt tot afwijzing van vrijwel de volledige vordering (uitgezonderd de gevraagde en gegeven verklaring voor recht, waarbij ook de Gemeente zich heeft neergelegd).

3.9.1.

Het hof verwijst naar de tweede in r.o. 3.5.1 aangehaalde uitspraak van de CRvB . Het hof citeert uit de overwegingen:

Appellant heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de IB-Groep, gedateerd 24 april 2003 en aangevuld bij schrijven van 27 juni 2003, naar aanleiding van het besluit op bezwaar van 15 april 2003, waarbij aan hem met terugwerkende kracht, per 1 september 2002 een uitwonendentoelage is toegekend.

Bij besluit van 11 juli 2003 is een bedrag van € 53,97 toegekend als vergoeding van de schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, onder verwijzing naar artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin is bepaald dat een dergelijke schadevergoeding uitsluitend bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest.

Bij besluit van 17 maart 2004 (hierna: bestreden besluit) is het tegen het besluit van 11 juli 2003 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder de overweging (voor zover van belang) dat ingevolge vaste rechtspraak, zoals die onder meer is neergelegd in de uitspraak van de Raad van 8 maart 2001, LJN ZF4260, ingeval van vertraging in de voldoening van een geldsom, waarvan hier sprake is, vergoeding van de schade ingevolge artikel 6:119 BW genormeerd is op het forfait van de wettelijke rente van de hoofdsom over de tijd dat de IB-Groep met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het gaat om schade die voortvloeit uit een onrechtmatig besluit, niet om de vertraging in de voldoening van een geldsom. …
De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat in het onderhavige geval waarin achteraf, met terugwerkende kracht een uitwonendentoelage is toegekend, sprake is van vertraging in de voldoening van een geldsom als bedoeld in artikel 6:119 BW.

3.9.2.

In dat geval ging het dus om de aanvankelijke beslissing van een bestuursorgaan om een bepaalde vergoeding niet toe te kennen, welk besluit na bezwaar en beroep is vernietigd, waarna door de eiser schade werd gevorderd, niet op grond van de vertraagde uitbetaling van het later alsnog vastgestelde bedrag, maar vanwege het onrechtmatige – vernietigde – besluit. De CRvB oordeelde desondanks dat hierop art. 6:119 BW van toepassing is.

3.9.3.

Deze uitspraak stemt overeen met vaste jurisprudentie van de CRvB, zoals deze blijkt uit de ook door de CRvB aangehaalde uitspraak van de CRvB van 8 maart 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:ZF4260, maar ook met HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220, waarin de Hoge Raad onder meer overwoog:

Art. 6:119 BW strekt, evenals art. 1286 (oud) BW, ertoe de schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom te fixeren op de wettelijke rente, zulks ter wille van de rechtszekerheid en van de hanteerbaarheid van het recht op dit punt (vgl. HR 11 februari 2000, nr. C98/129, NJ 2000, 275). Aldus behoeft de schuldeiser enerzijds niet te bewijzen enige schade te hebben geleden ten gevolge van de vertraging in de voldoening van de hem toekomende geldsom, maar kan hij anderzijds ook geen hogere vergoeding vorderen indien zijn schade meer dan het fixum zou belopen.

3.9.4.

Eenzelfde situatie als in de zaak welke leidde tot de uitspraak van de CRvB van 1 juni 2007 is in de onderhavige zaak aan de orde. Ook in het onderhavige geval is de zaak uiteindelijk te herleiden tot het oordeel dat aan de verzoekster ten onrechte enigerlei vorm van vergoeding is onthouden, welke vergoeding met de uitspraak – in de administratieve procedure – in hoger beroep alsnog is toegekend, zij het – eveneens ten onrechte – te laat. De schadevergoeding wegens die te late betaling bestaat in de wettelijke rente, en daar blijft het dan bij. Dit betekent dat grief 4 faalt. Voorts betekent dit dat grief 7 geen bespreking meer behoeft.

3.10.

Voor grief 2 geldt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, hoezeer ook het aangevallen besluit van 3 februari 2011 in zijn gevolgen ook de heer [appellant 2] raakte, het uiteindelijk enkel een besluit op een aanvrage van mevrouw [appellante 1] betrof.
Het is vaste jurisprudentie dat met de vernietiging van een besluit van een overheidsorgaan door de bestuursrechter, de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven is alsmede de daaruit voortspruitende schadeplichtigheid. Aldus ook, terecht, [appellante 1] in haar inleidende dagvaarding sub 3.6. Maar waar het besluit enkel een aanvrage van mevrouw [appellante 1] betrof, kan de onrechtmatigheid, voor zoveel deze automatisch geacht wordt voort te vloeien uit de vernietiging van het bestreden besluit, enkel diegene betreffen tot wie het vernietigde besluit was gericht en dat was enkel mevrouw [appellante 1] . Dit wordt niet anders door het gegeven dat de grond voor de vernietiging van het besluit, zoals die uit het vonnis van de bestuursrechter blijkt, nu juist was gelegen in de omstandigheid dat de Gemeente bij haar besluit de psychische gevolgen voor de echtgenoot, de heer [appellant 2] , had genegeerd. Voor de vraag of de Gemeente overigens jegens de heer [appellant 2] onrechtmatig heeft gehandeld verwijst het hof naar hetgeen te dien aanzien verderop zal worden overwogen.

3.11.

Grief 6 heeft betrekking op het oordeel dat van onrechtmatig handelen vóór 3 februari 2011 niet is gebleken.
[appellante 1] stelt hiertoe dat de Gemeente het er al voor 3 februari 2011 op heeft aangelegd dat er een verhuisprimaat zou worden opgelegd.
In de beslissing van het CRvB ligt besloten dat de Gemeente ten onrechte geen PGB voor woningaanpassing, doch slechts een verhuisvergoeding had toegekend. Het verwijt dat de Gemeente vóór het nemen van het besluit van 3 februari 2011 zich op een standpunt heeft gesteld dat uiteindelijk, na vernietiging van het besluit, niet houdbaar is gebleken, levert evenwel geen zelfstandige onrechtmatige handeling op. In dit geval gaat die voorbereiding en het oordeel daaromtrent geheel op in het oordeel omtrent de rechtmatigheid van het besluit. De grief faalt.

3.12.

Grief 1 heeft betrekking op de bij het vonnis van 9 oktober 2013 afgewezen provisionele vordering.
Mevrouw [appellante 1] stelde daartoe dat de weigering van de Gemeente om de woning aan te passen haar had genoodzaakt om van april 2012 tot oktober 2012 noodgedwongen in een MS-kliniek in [woonplaats] , België, te gaan wonen omdat haar woning nog steeds niet was aangepast. Die kosten bedroegen € 8.500,-- per maand, in totaal € 34.000,--, en heeft [appellante 1] zelf moeten dragen. [appellante 1] kwalificeert deze kosten als bereddingskosten en de zin van art. 7:597 BW en wijst erop dat de onderhavige procedure aan de zijde van de Gemeente feitelijk wordt gevoerd door haar aansprakelijkheidsverzekeraar. Vanaf oktober 2012 heeft [appellante 1] – naar zij stelt - de kosten weten te beperken doordat zij in een aanleunwoning bij die kliniek is kunnen gaan wonen voor € 1.614,-- per maand. Een verzoek van 30 juli 2013 tot vergoeding van deze kosten is door de Gemeente van de hand gewezen. De vordering strekt tot betaling van € 1.614,-- per maand vanaf 1 september 2013 voor de duur van de procedure, dan wel, als dat korter is, totdat de woningaanpassing heeft plaatsgevonden.

3.12.1.

Ook deze vordering is, uiteindelijk, te beschouwen als een vordering welke samenhangt met het gemis van de middelen om de woning aan te passen. Ook daarvoor geldt dus – als overwogen onder grief 4 – dat alle schade welke samenhangt met het gemis van het bedrag dat, naar het achteraf gegeven oordeel van de bestuursrechter, verstrekt had moeten worden, zich oplost in een aanspraak op wettelijke rente.

3.12.2.

[appellante 1] beroept zich op art. 7:957 BW (bereddingskosten).
De omstandigheid dat de procedure aan de zijde van de Gemeente op de achtergrond (mede) “door” haar aansprakelijkheidsverzekeraar wordt gevoerd leidt er niet toe dat op die grond genoemd artikel van toepassing zou zijn. De Parlementaire Geschiedenis verzet zich tegen een ruime uitleg van wat onder beredding moet worden begrepen. Cruciaal daarbij is of schade voorkomen moet worden, en voorts of de verzekerde of verzekeringnemer [dat was in dit geval de Gemeente, niet [appellante 1] ; hof] verplicht was binnen redelijke grenzen de nodige maatregelen te nemen. De achterliggende gedachte is - mede - dat het, uiteindelijk, ook de verzekeraar is die er baat bij heeft dat de verzekerde moeite doet om de schade te beperken en gecompenseerd moet worden voor de kosten die hij daarbij maakt.
In het onderhavige geval is van dat alles geen sprake; de door [appellante 1] geclaimde verblijfskosten hebben niets te maken met een beperking van de kosten voor de aanpassing van de woning.

3.12.3.

Grief 1 faalt dus eveneens.

3.13.

In de inleidende dagvaarding heeft [appellante 1] in r.o. 3.6 aangegeven waarop de onrechtmatigheid primair werd gebaseerd: reeds op het enkele gegeven dat de rechtbank in de administratieve zaak, in haar vonnis van 6 juni 2012, het bestreden besluit heeft vernietigd. Het hof stelde een en ander reeds hiervoor aan de orde.

3.13.1.

Het aan hun vorderingen ten grondslag gelegde feitencomplex laat evenwel de mogelijkheid open – zie de inleidende dagvaarding 4.4, laatste volzin - dat zij tevens bedoelen dat de Gemeente ook los van de uit de vernietiging daarvan voortspruitende onrechtmatigheid van het op de aanvraag van mevrouw [appellante 1] genomen besluit onrechtmatig heeft gehandeld, niet alleen tegen mevrouw [appellante 1] , maar ook tegen de heer [appellant 2] .

3.13.2.

[appellante 1] dicht de Gemeente kwade intenties ten opzichte van hen beiden toe: Inleidende dagvaarding 1.10: de Gemeente heeft mevrouw [appellante 1] en de heer [appellant 2] zeer ernstige gezondheidsschade berokkend. Inleidende dagvaarding . 3.6: de gemeente heeft tot twee maal toe, willens en wetens, zich contrair tegen het klip en klare advies van de GGD-arts opgesteld. Inleidende dagvaarding 3.8: de Gemeente maakt zich schuldig aan het misdrijf genoemd in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht [opzettelijk iemand in een hulpeloze toestand brengen of achterlaten; hof]. Inleidende dagvaarding 4.3: de Gemeente heeft opzettelijk en bewust anders gehandeld dan zij had behoren te doen, … en daarmee mevrouw [appellante 1] en [appellant 2] willens en wetens zeer lang in een hulpbehoevende situatie aan hun lot overgelaten, terwijl de Gemeente wist dat dit voor hen beiden tot ernstige gezondheidsschade kon leiden. Inleidende dagvaarding 4.4: de Gemeente heeft daarmee in hoge mate verwijtbaar gehandeld.

3.13.3.

Ondanks deze grote woorden komt het, uiteindelijk, aan op een verschil van inzicht omtrent de vraag of mevrouw [appellante 1] recht had op woningaanpassing op kosten van de Gemeente, of niet. Mevrouw [appellante 1] vond van wel, de Gemeente vond van niet, doch de Gemeente is later gecorrigeerd door de rechtbank en de CRvB. De onrechtmatigheid is dan gegeven. Wil daarenboven sprake zijn van onrechtmatigheid op een andere grond, dan is daar meer voor nodig dan het enkele gegeven dat een besluit vernietigd is.
Het veelvuldig gebruik van termen als “willens en wetens” en de verwijzing naar art. 255 Sr. lijken te impliceren dat de Gemeente het oogmerk had om mevrouw [appellante 1] gezondheidsschade toe te brengen. Voor zover zij dat inderdaad bedoelt te stellen, blijkt dat nergens uit, ook niet uit het gegeven dat de Gemeente – achteraf gezien: ten onrechte – meende anders te kunnen beslissen dan haar door de GGD was geadviseerd.
Bij deze stand van zaken zijn onvoldoende concrete feiten door mevrouw [appellante 1] gesteld die met zich brengen dat de Gemeente anderszins (dat wil zeggen: anders dan door het enkele feit dat zij een beslissing heeft genomen welke in administratief hoger beroep geen stand heeft gehouden) onrechtmatig jegens mevrouw [appellante 1] had gehandeld.

3.13.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat van de onder r.o. 3.4 genoemde posten post a., welke ziet op kosten van mevrouw [appellante 1] , moet worden afgewezen.

3.13.5.

Dat geldt ook voor de posten sub b. en c. , voor zover betrekking hebbende op kosten van mevrouw [appellante 1] . Ook die kosten spruiten uiteindelijk voort uit het gemis van de aan mevrouw [appellante 1] toekomende vergoeding, zodat ook in verband daarmee de eventueel toe te kennen schadevergoeding beperkt blijft tot de wettelijke rente.

3.13.6.

Mevrouw [appellante 1] vordert sub e. nog immateriële schadevergoeding. Dit stuit – naast het voorgaande – ook af op de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat zich enige situatie heeft voorgedaan welke op de voet van art. 6:106 BW aanspraak zou geven op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade. Van aantasting van de persoon als bedoeld in genoemd artikel is geen sprake, althans daaromtrent is onvoldoende gesteld.

3.14.

Voor de heer [appellant 2] geldt het navolgende.
Denkbaar is dat een Gemeente door te handelen als zij doet (ook) onrechtmatig handelt jegens een derde. Dat is dan niet degene tot wie een vernietigd besluit was gericht, doch bijvoorbeeld iemand die daarbij een afgeleid belang heeft. Indien en voor zover, gelet op de omstandigheden van het geval, de Gemeente door te handelen als zij deed rechtstreeks jegens die derde onrechtmatig heeft gehandeld, is ook de relativiteit gegeven.

3.14.1.

Volgens de heer [appellant 2] doet deze situatie zich in dit geval voor. De hiertoe door hem gehanteerde redenering is in grote lijnen als volgt.
Mevrouw [appellante 1] was rolstoelafhankelijk en in het bijzonder toiletbezoek was moeizaam, ook in verband met forse beperkingen in en aan het urinewegstelsel, met herhaalde infecties leidende tot resistentie voor antibiotica aan toe. Daartoe was aanpassing van de woning vereist.
Verhuizing – waarvan door [appellante 1] niet, althans niet gemotiveerd, is betwist dat dit voor mevrouw [appellante 1] mogelijk een oplossing had kunnen vormen – was in geen geval een optie, aangezien de heer [appellant 2] (mede) als gevolg van de situatie waarin mevrouw [appellante 1] verkeert zelf psychische problemen heeft opgelopen. Gedwongen verhuizing zou leiden tot psychisch decompenseren, stelt [appellante 1] onder verwijzing naar rapportage van de GGD van 30 november 2010.

3.14.2.

Het hof laat evenwel de vraag of en in hoeverre de Gemeente met haar opstelling onrechtmatig jegens de heer [appellant 2] heeft gehandeld onbesproken, aangezien onvoldoende is gebleken dat zodanig eventueel onrechtmatig handelen tot voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleid. Het hof werkt dit uit.

3.14.3.

Ook ten aanzien van de heer [appellant 2] geldt voor de posten sub b. en c., dat deze uiteindelijk voortspruiten uit het gemis van de aan mevrouw [appellante 1] toekomende vergoeding, zodat ook in verband daarmee de eventueel toe te kennen schadevergoeding beperkt blijft tot de wettelijke rente.

3.14.4.

Post d. heeft enkel betrekking op schade van de heer [appellant 2] , te weten inkomensschade.
Hiervoor geldt dat de heer [appellant 2] kennelijk reeds op 1 oktober 2010 is uitgevallen. Ook als ervan uit wordt gegaan dat deze uitval uiteindelijk te herleiden was tot de slechte situatie waarin zijn vrouw verkeerde, dan nog zijn er onvoldoende concrete aanwijzingen voorhanden – en gesteld – waaruit kan worden afgeleid dat reeds voor 1 oktober 2010 het aan de handelingen van de Gemeente te wijten was dat [appellant 2] ziek was geworden. Het aangevallen besluit dateert immers van nadien, van 3 februari 2011.

3.14.5.

Bij conclusie van antwoord heeft de Gemeente bovendien onweersproken gesteld dat [appellant 2] , voordat hij in de Ziektewet kwam, reeds enige tijd in de WW zat.

3.14.6.

De gestelde feiten wijzen er onvoldoende op dat [appellant 2] zijn baan is kwijt geraakt als gevolg van enige aan de Gemeente toe te rekenen omstandigheid. Het causaal verband met de door [appellant 2] gestelde onrechtmatige daad ontbreekt dus. Dat betekent dat de vraag of de Gemeente al dan niet onrechtmatig jegens de heer [appellant 2] heeft gehandeld geen beantwoording meer behoeft.

3.14.7.

Voor de ook door de heer [appellant 2] gevorderde vergoeding van immateriële schade geldt hetzelfde als hiervoor met betrekking tot mevrouw [appellante 1] is overwogen.

3.15.

Nu geen van de grieven slaagt, althans geen van de grieven tot vernietiging van het vonnis leidt, faalt ook grief 9 in het principaal appel betreffende de proceskosten.

3.16.

De grief in het incidentele appel is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten (in de hoofdzaak) te compenseren.

3.17.

De Gemeente heeft er bij conclusie van antwoord onder verwijzing naar “prod. 36” op gewezen dat zij de verschuldigde wettelijke rente reeds had aangeboden. Zij vergist zich kennelijk in het nummer van de productie; het hof neemt aan dat zij het oog heeft op de brief van Centraal Beheer Achmea aan de gemachtigde van [appellante 1] van 19 september 2012, prod. 18 bij inleidende dagvaarding. Die brief dateert van voor de inleidende dagvaarding.

3.18.

Weliswaar is de Gemeente bij eindvonnis in zoverre in het ongelijk gesteld dat de gevorderde verklaring voor recht – tegen het door de Gemeente, zie cva sub 59 gevoerde verweer in - is toegewezen, doch voor het overige is bij eindvonnis sub 5.4 enkel datgene toegewezen waartoe de Gemeente zich reeds bereid had verklaard.

3.19.

Terecht stelt de Gemeente dat bij die stand van zaken [appellante 1] heeft te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, reden waarom het vonnis ten aanzien van het dictum sub 5.7 dient te worden vernietigd met veroordeling alsnog van [appellante 1] in de kosten van het geding in eerste aanleg. Ook zal zij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep, zo het principale als het incidentele.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van onderdeel 5.7 van het dictum;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

opnieuw rechtdoende met betrekking tot de proceskosten in eerste aanleg:

veroordeelt [appellante 1] in de kosten van het geding, aan de zijde van de Gemeente begroot op € 589,-- aan vast recht en € 1.264,-- voor salaris advocaat;

met betrekking tot de kosten in hoger beroep:

veroordeelt [appellante 1] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente begroot op € 704,-- aan vast recht en € 1.341,-- voor salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, M.J.H.A. Venner-Lijten en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 april 2016.

griffier rolraadsheer