Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1252

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
200.173.575/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:245
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie 1:160 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/40.10
EB 2017/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 31 maart 2016

Zaaknummer: 200.173.575/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/288473 FA RK 14-6644

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren,

tegen

[verweerster] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.A.E. Bregonje-Voermans.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juli 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog:

 primair

 te verklaren voor recht dat met ingang van 12 juni 2014 de alimentatieverplichting van de man is geëindigd op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW);

 de vrouw te veroordelen tot (terug)betaling aan de man van een bedrag groot € 3.531,- bruto;

 de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

 subsidiair en meer subsidiair

 te bepalen dat de man met ingang van 12 juni 2014 geen bijdrage meer hoeft te voldoen aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud, althans – meer subsidiair – deze bijdrage per onmiddellijk te verminderen tot nihil, dusdoende de beschikking van de rechtbank Breda d.d. 11 augustus 2011 te wijzigen, en te bepalen dat de vrouw de door haar ontvangen alimentatie sedert 12 juni 2014 (als becijferd in het primaire verzoek) dient terug te betalen aan de man.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2015, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel, dan wel het appel ongegrond en onbewezen te verklaren, nu alle grieven falen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Bregonje-Voermans.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 3 maart 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 3 maart 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 4 maart 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 25 augustus 1989 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] [jongmeerderjarige] (hierna: Michael) geboren.

3.2.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een door hen beiden op 26 mei 2011 ondertekend echtscheidingsconvenant. Daarin zijn zij onder meer het volgende overeengekomen:

“Artikel 3. AFWIJKING VAN ART. 1:160 BW

3.1.

Indien de vrouw hertrouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat, is het in art. 1:160 BW bepaalde zonder meer van toepassing: de alimentatie eindigt definitief met ingang van de datum van hertrouwen, respectievelijk het laten registreren van het partnerschap.

3.2.

In afwijking van het in art. 1:160 BW bepaalde wordt de alimentatieverplichting van de man opgeschort in geval de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd, of als hadden zij hun partnerschap laten registeren.

De alimentatieverplichting herleeft indien de samenleving van de vrouw binnen een periode van 3 maanden eindigt door welke oorzaak ook. Voorwaarde voor dit herleven van de alimentatieverplichting is dat de vrouw vóór de aanvang van de samenleving de man schriftelijk in kennis stelt van haar voornemen te gaan samenleven, onder mededeling van het tijdstip waarop de samenleving zal aanvangen en van de naam van degene met wie zij/hij zal gaan samenleven. Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan geldt art. 1:160 BW onverkort, ook in geval van samenleven.

Indien de samenleving na verloop van de termijn van 3 maanden voortduurt, dan komt de alimentatieverplichting definitief te vervallen.

3.3.

In het geval in de toekomst sprake zou zijn van meerdere perioden van samenleving, die telkens binnen de overeengekomen periode van 3 maanden worden verbroken, dan geldt deze regeling voor iedere periode van (onderbroken) samenleving met verschillende personen. Een tweede of meerdere perioden van samenleving met dezelfde partner wordt voor wat betreft de duur van de samenleving als één ononderbroken samenleving beschouwd.”

3.3.

Bij beschikking van 11 augustus 2011 heeft de rechtbank Breda, thans rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 22 augustus 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – voorts, voor zover thans van belang, conform voornoemd echtscheidingsconvenant bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van € 1.092,- per maand met ingang van de datum dat de echtelijke woning notarieel zal zijn geleverd aan (een) derde(n).

De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 1.159,09 per maand.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, het inleidend verzoek van de man – dat overeenkomt met het thans door de man in hoger beroep gedane verzoek – afgewezen.

3.5.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Artikel 1:160 BW

3.6.

De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht om te onderbouwen dat er is voldaan aan de onder die beschikking in rechtsoverweging 3.4 genoemde voorwaarden voor samenwoning van de vrouw en haar partner als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, en dat, nu de man niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, de rechtbank niet toekomt aan het door de man gedane bewijsaanbod.

Aangezien deze grief met betrekking tot de partneralimentatie de meest verstrekkende is, zal het hof deze eerst beoordelen.

3.7.

De man is van mening dat er sprake is van een situatie waarin de vrouw met haar huidige partner, de heer [huidige partner van de vrouw] , samenleeft als waren zij gehuwd en dat die relatie alle kenmerken draagt van een huwelijksverhouding in zodanige mate dat artikel 1:160 BW van toepassing is. De man heeft hiertoe onder meer, verkort weergegeven, aangevoerd dat er tussen de vrouw en haar partner sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard, dat de vrouw en haar partner – de heer [huidige partner van de vrouw] (hierna: [huidige partner van de vrouw] ) – feitelijk samenwonen, nu zij haar intrek heeft genomen in de garage die als één eenheid met de woning van [huidige partner van de vrouw] moet worden gezien, dat de vrouw voor [huidige partner van de vrouw] kookt en bij hem schoonmaakt, dat [huidige partner van de vrouw] enkele dagen in de week bij de vrouw verblijft en dat zij samen eten alsook dat zij samen vakanties doorbrengen en samen naar verjaardagen en dergelijke gaan. De woonconstructie is dusdanig opgezet door de vrouw en [huidige partner van de vrouw] dat zij daarmee ten volle kunnen profiteren van én de partneralimentatie voor de vrouw én een bijstandsuitkering voor [huidige partner van de vrouw] , zodat zij beiden – ook nog eens zonder huurlasten/energiekosten nu zij inwonen bij de zoon van [huidige partner van de vrouw] – riant kunnen leven.

3.8.

De vrouw heeft betwist dat zij samenleeft met [huidige partner van de vrouw] als waren zij gehuwd. Zij erkent dat sprake is van een duurzame, affectieve relatie – welke relatie overigens inmiddels verbroken is – maar zij ontkent, kort gezegd, dat sprake is van feitelijk samen, het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.

3.9.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. In artikel 3 van het echtscheidingsconvenant hebben partijen, zoals hierboven uit rechtsoverweging 3.2 blijkt, een van artikel 1:160 BW afwijkende regeling opgenomen.

3.10.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleving van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de vrouw en haar partner een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen (vgl. HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603; HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961).

3.11.

In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat er tussen de vrouw en haar partner sprake is (geweest) van een duurzame, affectieve relatie. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat deze relatie inmiddels is verbroken, doch voor de beantwoording van de vraag of het rechtsgevolg van het bepaalde in artikel 1:160 BW kan worden ingeroepen, is dit gegeven irrelevant.

De vrouw betwist echter dat sprake is van een samenleving van haar en [huidige partner van de vrouw] in de zin van artikel 1:160 BW en dat de alimentatieverplichting van de man om die reden is geëindigd. De vrouw en [huidige partner van de vrouw] wonen ieder in hun eigen woning, er is geen sprake van een gemeenschappelijke huishouding en van het elkaar wederzijds verzorgen, aldus de vrouw.

3.12.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof voorshands van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een samenleving in de zin van artikel 1:160 BW tussen de vrouw en [huidige partner van de vrouw] en overweegt daartoe als volgt.

Affectieve, duurzame relatie

3.13.

Zoals reeds in rechtsoverweging 3.11 is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat aan dit criterium is voldoen, zodat dit criterium geen verdere bespreking behoeft.

Feitelijk samenwonen

3.14.

Op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is het hof voorshands van oordeel dat de levens van de vrouw en [huidige partner van de vrouw] in de loop van hun relatie zodanig vervlochten zijn geraakt, dat gesproken kan worden van een (praktisch) dagelijks samenleven in lotsverbondenheid gedurende een zekere tijd, waardoor dit samenleven de kenmerken draagt van een huwelijk als bedoeld in artikel 1:160 BW. Daartoe heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.

Tussen de vrouw en [huidige partner van de vrouw] is sprake van een bijzondere woonsituatie, nu de vrouw woonachtig is in een garage, welke garage staat op hetzelfde perceel als waarop [huidige partner van de vrouw] – die inwoont bij zijn zoon – woonachtig is. De vrouw en [huidige partner van de vrouw] hebben derhalve eenzelfde huisnummer, zij delen één brievenbus alsook delen zij de toegangspoort tot het perceel en maken zij gebruik van dezelfde nutsvoorziening. Voorts heeft de vrouw erkend dat zij en [huidige partner van de vrouw] over en weer beschikken over elkaars huissleutel.

Daarenboven is er sprake van een bijzondere “huurconstructie”, in die zin dat de vrouw de kosten van de verbouwing van de garage op zich heeft genomen en zij om die reden thans feitelijk geen huur betaalt. De vrouw heeft voorts geen enkel stuk in het geding gebracht ter onderbouwing van haar stelling dat zij ten gevolge van haar financiële situatie en de onmogelijkheid om binnen de sociale sector te huren genoodzaakt was voor voornoemde woonconstructie te kiezen.

3.15.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, is het hof van oordeel dat, behoudens door de vrouw te leveren tegenbewijs, als vaststaand moet worden aangenomen dat de vrouw en [huidige partner van de vrouw] feitelijk samenwonen. Dat de vrouw heeft aangevoerd dat uit voorgaande omstandigheden niet de conclusie getrokken kan en mag worden dat zij en [huidige partner van de vrouw] feitelijk samenwonen, nu aan [huidige partner van de vrouw] een uitkering in het kader van de Participatiewet is toegekend, welke uitkering hij nimmer zou verkrijgen als hij zou samenwonen met de vrouw, doet aan dit voorshandse oordeel niet af. Het hof is, als alimentatierechter, bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW, immers niet gehouden zich te richten naar het oordeel van – in dit geval – de gemeente, maar moet daarover een eigen oordeel vormen. De vraag of de vrouw feitelijk samenwoont met [huidige partner van de vrouw] dient in deze procedure immers een ander doel, te weten of de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw al dan niet geëindigd is.

Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging

3.16.

Het hof stelt voorop dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van wederzijdse verzorging slechts sprake is indien de samenwonenden in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het hof is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling voorshands, behoudens door de vrouw te leveren tegenbewijs, voldoende vast is komen te staan is dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Het hof neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking: de vrouw en [huidige partner van de vrouw] eten gezamenlijk, zij gaan samen uit, de vrouw kookt voor [huidige partner van de vrouw] , [huidige partner van de vrouw] verzorgt de katten van de vrouw als zij op vakantie is, [huidige partner van de vrouw] heeft de vrouw in het ziekenhuis voorzien van persoonlijke spullen nadat de vrouw aldaar onverwacht is opgenomen, de vrouw en [huidige partner van de vrouw] hebben gezamenlijk, als zijnde een stel, op een rouwkaart gestaan.

De vrouw heeft weliswaar een aantal van de hieronder vermelde omstandigheden betwist, althans gesteld dat deze omstandigheden niet structureel zijn, maar slechts eenmalig hebben plaatsgevonden, maar het hof is van oordeel dat deze betwisting onvoldoende is in het licht van de in het geding gebrachte stukken en het verhandelde ter zitting, waaruit deze omstandigheden blijken.

3.17.

Alle feiten en omstandigheden in deze zaak tegen elkaar afgewogen, brengen het hof tot de conclusie dat van de man niet meer verwacht kan worden dat hij meer stelt dan hij thans heeft gedaan, alsook dat de man – op wie ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel de bewijslast rust van zijn stelling dat is voldaan aan de voor artikel 1:160 BW cumulatieve vereisten, – voorshands voldoende heeft bewezen dat sprake is van een situatie waarin de vrouw en [huidige partner van de vrouw] samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

Het hof zal de vrouw in de gelegenheid stellen tegen voornoemd rechterlijk vermoeden tegenbewijs te leveren.

3.18.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling dat de vrouw en [huidige partner van de vrouw] samenleven dan wel samenleefden als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW;

verzoekt de vrouw eventuele bewijsstukken toe te zenden aan het hof, met kopie aan de wederpartij, uiterlijk op 19 mei 2016;

bepaalt, indien de vrouw tegenbewijs door middel van getuigen wenst te leveren, dat het verhoor van de getuigen zal geschieden ten aanzien van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. C.D.M. Lamers, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een nader door haar vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat de vrouw uiterlijk op 19 mei 2016 dient op te geven het aantal getuigen en de verhinderdata van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden juni, juli en augustus, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave geheel dan wel gedeeltelijk ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zal worden vastgesteld;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw overeenkomstig het bepaalde in artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.