Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1235

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
200 182 887_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 31 maart 2016

Zaaknummer : 200.182.887/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/305379 / JE RK 15-1850

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 oktober 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 december 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de door de raad verzochte ondertoezichtstelling van de hierna nader te noemen minderjarigen alsnog af te wijzen, dan wel (per direct) op te heffen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 februari 2016, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Gruijl;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

Tevens is verschenen de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader) die als informant door het hof is gehoord.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 oktober 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] en

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

De moeder heeft van rechtswege het gezag over de kinderen uit.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 8 oktober 2015.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is er geen sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling, zodat een ondertoezichtstelling niet gerechtvaardigd en/of geïndiceerd is. Van een dreigend loyaliteitsconflict van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en/of van problemen met de uitvoering van de omgangsregeling, zoals gesteld door de raad, is niet gebleken. Evenmin kan op basis van het verzoekschrift van de raad worden geconcludeerd dat [minderjarige 2] en/of [minderjarige 1] worden geschaad in hun zelfvertrouwen.

De ondertoezichtstelling heeft geen enkele meerwaarde. Gedwongen hulpverlening wordt niet door de GI geïnitieerd. De omgangsregeling verloopt goed; er zijn geen strubbelingen aan de deur. De ouders communiceren oplossingsgericht en op respectvolle wijze met elkaar, zij het via de email. De moeder heeft zelf hulp ingeschakeld voor de niet scheiding gerelateerde problematiek van [minderjarige 1] .

De raad heeft personen uit de omgeving van het gezin van de moeder die belangrijke informatie hadden kunnen verstrekken (buurtbewoners, verenigingen, huisarts) niet benaderd. Ook heeft de raad een belangrijke brief niet in behandeling genomen.

Blijkens de uitspraak van de klachtencommissie d.d. 17 november 2015 is het merendeel van de klachten van de moeder betreffende het handelen van de GI gegrond verklaard, waardoor gesteld kan worden dat de GI een onterecht negatief beeld van de moeder heeft geschetst.

3.5.

De raad voert ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is sprake van een ontwikkelingsbedreiging, gerelateerd aan de slechte communicatie tussen de vader en de moeder. De hulpverlening in het vrijwillig kader is niet toereikend geweest. De vader en de moeder hebben aangegeven iemand nodig te hebben die hen ondersteunt. [minderjarige 1] is op emotioneel gebied een kwetsbaar kind, [minderjarige 2] heeft duidelijkheid nodig van de vader en de moeder.

3.6.

De vader voert ter zitting, kort samengevat het volgende aan.

De afgelopen week zijn de vader en de moeder binnen het kader van de ondertoezichtstelling voor dit jaar een omgangsregeling overeengekomen. De overdracht wordt heel neutraal gehouden en verloopt op zich redelijk. Via email kunnen de vader en de moeder op respectvolle wijze communiceren, maar die communicatie is wel heel erg beperkt en verloopt traag. Voor gesprekken en het maken van afspraken hebben de vader en de moeder de ondertoezichtstelling echt nodig. Het hoger beroep van de moeder verbaast de vader, nu zij beiden met de ondertoezichtstelling hebben ingestemd.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu zij klem zitten tussen de ouders. In het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten de vader en de moeder werken aan het verbeteren van de communicatie. Het lukt de ouders nog onvoldoende om in het persoonlijk contact (face to face) afspraken te maken met elkaar. Er is een neutrale derde nodig om structuur in de gespreksvoering aan te brengen en het relativeringsvermogen en inzicht in het eigen handelen van de vader en de moeder te vergroten. De gezamenlijke gesprekken, gericht op structurele communicatieverbetering, hebben reeds een positieve ontwikkeling in gang gezet. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gebaat met een gedwongen voortgang van deze gesprekken, omdat gebleken is dat een dergelijk traject in het vrijwillig kader stagneert. De situatie is onvoorspelbaar en blijft onvoorspelbaar.

Er bestaan zorgen over de gevolgen van de langdurige ouderstrijd op de persoonlijke ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er dient zicht te komen op hun welbevinden en draaglast die zij in de strijd tussen de vader en de moeder ervaren. Het is zorgelijk dat de moeder de schadelijke gevolgen op de lange termijn niet inziet. [minderjarige 1] is op de hoogte van de problematiek tussen de ouders en zij maakt zich daar zorgen om. Ze is gefocust op het contact tussen de ouders en zij weegt haar woorden tegenover de jeugdzorgwerker zorgvuldig af. [minderjarige 1] probeert compromissen te vinden om zo de schade te beperken. Zij geeft de ouders andere (afwijkende) antwoorden of ventileert een andere mening. [minderjarige 2] vertoont soms ontwijkend gedrag.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat hiervan thans onvoldoende sprake is en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld omdat het de vader en de moeder niet lukte om constructief met elkaar te communiceren en zodoende niet tot afspraken konden komen omtrent de omgang. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dreigden hierdoor in een loyaliteitsconflict te geraken.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen de vader en de moeder thans, hoewel nog voor verbetering vatbaar, op constructieve en respectvolle wijze geschiedt. Tevens is gebleken dat er een omgangsregeling is overeengekomen die zonder noemenswaardige problemen verloopt. Met betrekking tot de zorgen die omtrent [minderjarige 1] bestaan, is door de moeder hulpverlening in het vrijwillig kader ingeroepen, die zich thans in de afrondende fase bevindt. De stelling van de moeder dat deze zorgen geen verband houden met loyaliteitsproblemen, doch zien op het karakter van [minderjarige 1] , is door de vader ter zitting (deels) erkend.

Het hof overweegt dat in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de vader en de moeder zich dienen te blijven inspannen om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren en de kinderen de ruimte te geven onbelast contact te hebben met beide ouders. Echter door genoemde ontwikkelingen is de door de rechtbank geconstateerde ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar het oordeel van het hof – althans voorlopig – in voldoende mate afgewend. Het hof vertrouwt er in dat kader op dat de ouders, zoals zij ter zitting hebben toegezegd, het traject Expeditie Scheiding dat in het kader van de ondertoezichtstelling opnieuw is opgepakt, in het vrijwillig kader zullen voortzetten en dat zij zich in het belang van hun kinderen ook positief zullen inzetten voor het welslagen van het traject. Nu het hof niet is gebleken dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] anderszins in hun ontwikkeling worden bedreigd, zal het hof het inleidende verzoek van de raad alsnog afwijzen met ingang van de datum van deze beschikking.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van heden de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 oktober 2015;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst met ingang van heden alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling over de periode van 8 oktober 2015 tot heden;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs,

E.L. Schaafsma-Beversluis en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.