Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1234

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
200 182 885_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 31 maart 2016

Zaaknummer : 200.182.885/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/302025 / JE RK 15-1337

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met daarbij gevoegd het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 3 december 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de door de raad verzochte ondertoezichtstelling van de hierna nader te noemen [minderjarige] af te wijzen dan wel de ondertoezichtstelling per direct op te heffen.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 2 februari 2016, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Gruijl;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

Tevens is verschenen de heer [de vader] (hierna: de vader), die als informant door het hof is gehoord en werd vergezeld door zijn advocaat mr. A.M.E. Derks .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 september 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] .

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Een ondertoezichtstelling is niet gerechtvaardigd, nu er geen sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling bij [minderjarige] . Volgens de school van [minderjarige] gaat het op cognitief en emotioneel gebied goed met haar; dit schooljaar is zij ook geen enkele keer te laat op school gekomen. Uit het rapport van de raad blijkt dat [minderjarige] voor beide ouders positieve gevoelens heeft. De moeder heeft in het verleden haar kinderen geheel vrij gelaten zich te uiten over de omgang met de vader en zij steunde hen ingeval zij (meer) omgang wensten. In beginsel staat de moeder ook niet onwelwillend tegenover (uitbreiding van de) omgang van [minderjarige] met de vader en de huidige regeling frustreert zij ook niet, doch zij acht een uitbreiding van de omgang thans niet in haar belang. De vader geeft nadrukkelijk aan [minderjarige] aan dat hij haar mist en hij heeft haar gezegd dat zij op twaalfjarige leeftijd zelf mag kiezen bij zie zij wil wonen. Aldus werkt de vader een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] in de hand. De moeder kent de vader en weet wanneer een uitbreiding van de omgang verantwoord is. Indien het belang van [minderjarige] dit verlangt, zal de moeder op eigen initiatief trachten tot een passende omgang met de vader te komen. Een kinderbeschermingsmaatregel is hiervoor niet noodzakelijk en leidt louter tot spanningen. [minderjarige] is tevreden met de bestaande regeling en zij geeft bij herhaling aan hierin geen uitbreiding te willen.

Bij de vader is sprake van agressief gedrag en van seksueel overschrijdend gedrag, hetgeen ten onrechte door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten.

De relatie tussen de moeder en de vader is niet goed, maar het enkele feit dat zij niet met elkaar communiceren maakt niet dat voldaan is aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. De moeder belast [minderjarige] niet met haar gedachten jegens de vader. Van een kindeigen problematiek is geen sprake.

3.5.

De raad stelt ter zitting dat er als gevolg van de strijd tussen de ouders sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De raad persisteert bij zijn verzoek.

3.6.

De vader voert ter zitting, kort samengevat, aan dat hij volledig achter de ondertoezichtstelling staat. Het is dank zij de ondertoezichtstelling dat er nu afspraken gemaakt worden over contacten tussen hem en [minderjarige] . De vader geeft voorts aan dat er onwaarheden staan vermeld in de stukken, bijvoorbeeld dat er aangiften tegen hem zijn gedaan ten aanzien van het door de moeder gestelde seksueel grensoverschrijdende gedrag.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting en kort samengevat, het volgende aan.

Het is moeilijk afspraken te maken met de moeder. De oudercommunicatie kenmerkt zich door wantrouwen en onbegrip. Op 7 januari 2016 zijn de eerste constructieve en positieve afspraken gemaakt tussen de vader en de moeder. Er is onder andere afgesproken dat de vader bij oudergesprekken op school aanwezig mag zijn. Daarnaast wordt de vader uitgenodigd bij belangrijke activiteiten van [minderjarige] , zoals afzwemmen en dansvoorstellingen. Op deze manier ervaart [minderjarige] een grotere betrokkenheid van de vader en is de vader in staat beter aan te sluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] . De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat de oudercommunicatie verbetert en is voornemens de gezamenlijke gesprekken te continueren.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Het hof is van oordeel dat [minderjarige] in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is om hier verandering in te brengen en overweegt daartoe het volgende.

In het rapport van de raad d.d. 9 juli 2015 wordt [minderjarige] gekenschetst als een teruggetrokken meisje dat geen aandacht vraagt, zich gemakkelijk aanpast en iedereen tevreden wil stellen. Zij groeit op in een gezin waarin naast de moeder ook haar (jongvolwassen) halfzus ( [halfzus] ) en halfbroer ( [halfbroer] ) voor haar willen zorgen, zich sterk verantwoordelijk voelen voor haar welzijn en aangeven vanuit hun eigen ervaring met de vader geen contact met hem te willen en zorg te hebben over de veiligheid van [minderjarige] als ze bij de vader verblijft. Het contact met de vader staat de moeder, zoals zij zelf aangeeft uit veiligheidsoverwegingen, uitsluitend toe bij familie. [minderjarige] laat zien dat zij het contact met haar vader als prettig ervaart en geeft er geen blijk van angst voor hem te hebben. Zij heeft echter omgang met de vader vanuit een gezinssituatie waarbij de andere gezinsleden ernstige zorgen hebben over de omgang van [minderjarige] met de vader en duidelijk weerstand hebben tegen een opbouw naar een zelfstandige omgang en zij [minderjarige] daardoor onvoldoende steunen in haar omgang met de vader. Zij neemt daarmee een uitzonderingspositie in het gezin in. Naar het oordeel van het hof is het risico reëel dat [minderjarige] onvoldoende in staat zal zijn om een eigen beeld van de vader te vormen en onbelemmerd en onbelast contact met haar vader te hebben nu zij, zoal niet direct dan toch indirect, wordt belast met de boodschap dat het onveilig is bij de vader. Dit zal haar, indien daar niet voldoende tegenwicht tegen wordt geboden, emotioneel blijven belasten en de loyaliteitsproblematiek bij haar doen toenemen. De ouders en [instelling] hebben ten opzicht van de raad al hun zorg uitgesproken over de emotionele belasting en de loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] . Bij dit alles komt dat de ouders al jaren strijd met elkaar voeren en onvoldoende adequaat met elkaar kunnen communiceren en ook in het kader van vrijwillige hulpverlening niet in staat zijn gebleken te komen tot een vaste onbelaste omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. Naar het oordeel van het hof is een ondertoezichtstelling dan ook aangewezen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 september 2015;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs,

E.L. Schaafsma-Beversluis en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2016.