Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1230

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
200.185.504/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarbij is het beroep op de hardheidsclausule niet gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 24 maart 2016

Zaaknummer : 200.185.504/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/209090 / FT RK 15/1080

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. W.G.M.M. van Montfort te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 februari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 februari 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016. Bij die gelegenheid is [appellant] , bijgestaan door mr. Van Montfort, gehoord. Namens Bewindvoering [bewindvoering] , hierna te noemen; de beschermingsbewindvoerder, is, hoewel op juiste wijze opgeroepen, zonder bericht van verhindering niemand ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 januari 2016 alsmede het faxbericht met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 15 maart 2016. Wat betreft het faxbericht met bijlagen d.d. 15 maart 2016 heeft het hof, onder meer, geconstateerd dat van deze (onnodig laat) ingebrachte bijlagen een aantal pagina’s ontbreken (waaronder een aantal pagina’s van de zogeheten 285-verklaring), dat er een aantal pagina’s blanco zijn (zoals bijvoorbeeld de pp. 45 en 49 zonder dat hiervoor een verklaring is gegeven) en dat een adequate toelichting bij de stukken ontbreekt (zoals bij de afschriften van [bank] en bij het behandelplan integrale zorg). Dit is [appellant] bij de aanvang van de mondelinge behandeling ook voorgehouden en vervolgens door [appellant] ook niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit de mededeling van de advocaat van [appellant] zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld om een visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Uit het ter zitting overgelegde medisch dossier van [instelling 1] en de daarbij behorende voortgangsrapportage van 13 februari 2015 blijkt dat verzoeker in het verleden meerdere kansen heeft gehad om zijn situatie te verbeteren, maar dat deze kansen steeds op niets zijn uitgelopen ondanks de goede voornemens van verzoeker. Als redenen daarvoor worden gegeven: het niet nakomen van afspraken, onder andere door gebruik van drugs, impulsief gedrag en het niet overzien van de consequenties van dat gedrag. (…)

Verzoeker heeft geen verklaring van een behandelaar overgelegd waaruit blijkt dat zijn situatie stabiel is. Ook is er geen informatie over het druggebruik van verzoeker. Uit het dossier van [instelling 1] blijkt dat verzoeker in het verleden veelvuldig feestend door het leven is gegaan en drugs heeft gebruikt, maar dat verzoeker zelf ontkent verslaafd te zijn.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Volgens [appellant] is er geen sprake van een verslavingsproblematiek. Daarnaast is [appellant] van mening dat de rechtbank ook een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, de rechtbank heeft miskend dat de maatstaf moet zijn of [appellant] zich voldoende zal inspannen om zijn verplichtingen na te komen. De omstandigheid dat de schuldenaar is aangewezen op hulp van derden en daarvan ook gebruik maakt behoeft op zich aan het slagen van de schuldsaneringsregeling ook niet in de weg te staan. Mocht er al sprake zijn van een verslavingsproblematiek, quod non, dan is dit al gedurende vrijwel een jaar geen issue meer. De vermeende verslaving wordt evenwel ontkend, hetgeen ook wordt bevestigd door een hulpverlener, mevrouw [loopbaanbegeleidster] , loopbaanbegeleidster bij [onderneming] in haar verklaring van 9 november 2015. [appellant] is van mening dat de hardheidsclausule van toepassing is.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] stelt dat naar aanleiding van een intakegesprek bij [instelling 2] geconstateerd is dat hij niet meer lijdt onder zijn problemen en dat een behandeling bij [instelling 1] dan ook niet meer noodzakelijk is; een behandeling bij de GGZ volstaat. Deze behandeling moet nog wel worden opgestart. [appellant] functioneert naar zijn eigen inschatting op dit moment ook naar behoren in de maatschappij en hij acht een eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling dan ook zeker niet prematuur, waarbij hij aangeeft op de hoogte te zijn van de daaraan verbonden risico’s, meer in het bijzonder de tienjaarstermijn. Desgevraagd erkent [appellant] dat hij in het verleden behoorlijk wat drugs heeft gebruikt, maar hij is naar eigen zeggen thans al sinds de zomer clean. Hoewel hij op dit moment nog door [werk] Werk wordt begeleid om op termijn een reguliere betaalde arbeidsbetrekking te kunnen verwerven acht [appellant] tot slot de arbeidsverplichting van de schuldsaneringsregeling van in beginsel 36 uur per week geen enkel probleem. Hij is naar zijn eigen inschatting hiertoe zonder meer in staat.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.2.

Uit de onvolledig door [appellant] overgelegde verklaring ex artikel 285 Fw van [appellant] kan de hoogte van de totale schuldenlast niet worden herleid. Eveneens blijkt uit voornoemde onvolledige verklaring niet welk concreet voorstel door of namens [appellant] voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek in het kader van een minnelijk traject aan zijn schuldeisers is aangeboden.

3.7.2.

Het hof heeft vastgesteld dat de door [appellant] , overigens ook pas op een onnodig laat tijdstip, overgelegde verklaring ex artikel 285 Fw alsmede de intake-rapportage integrale schuldhulpverlening dermate onvolledig is dat het hof niet zelfstandig kan vaststellen wat de exacte aard, omvang en ontstaansgeschiedenis van de schuldenlast van [appellant] is. Daarbij komt dan nog dat het hof, eveneens vanwege de onvolledigheid van voornoemde verklaring, op basis van deze verklaring niet kan herleiden welk concreet voorstel [appellant] voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek in het kader van het verplichte minnelijke traject aan zijn schuldeisers heeft aangeboden. Dit alles brengt met zich mee dat, daargelaten nog dat een adequate toelichting op de grote hoeveelheid aan bijlagen bij de fax van 16 maart 2016 ontbreekt c.q. deze bijlagen niet conform het procesreglement zijn gerubriceerd althans niet tijdig van tabbladen zijn voorzien, het hof niet in staat is om het verzoek van [appellant] ex artikel 288 lid aanhef en sub b Fw te toetsen. Daarbij stelt het hof vast dat [appellant] niet heeft aangeboden alsnog de ontbrekende pagina’s/stukken over te leggen.

3.7.3.

Hoewel [appellant] , gelet op het vorengaande, niet voldoet aan het vereiste van artikel 288 lid1 sub b Fw zal het hof toetsing aan de overige cumulatieve vereisten van artikel 288 Fw evenwel niet achterwege laten. Meer concreet zal ook worden getoetst of op basis van de door [appellant] overgelegde stukken en de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door en namens hem gedane uitspraken met betrekking tot zijn psychosociale en verslavingsproblematiek moet worden geconcludeerd dat hij in staat moet worden geacht om alle voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen naar behoren te kunnen nakomen. Het hof overweegt daarbij als volgt.

3.7.4.

Ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. De door [appellant] overgelegde verklaring van de aan [instelling 2] verbonden psychotherapeut drs. [psychotherapeut] acht het hof hiertoe ontoereikend. Het betreft hier immers een verklaring welke mede is gebaseerd op uitlatingen en inschattingen van [appellant] zelf, zoals kenbaar gemaakt in een zelfrapportage alsmede bij gelegenheid van een eenmalig intakegesprek. Juist ook omdat de desbetreffende psychotherapeut zich mede verlaat op uitlatingen en inschattingen van [appellant] zelf en dat ook nog eens in het kader van een intake, wordt enkele keren in de verklaring gesproken van “ik begrijp” (dat). Daarnaast blijkt uit de betreffende verklaring geenszins dat de psychosociale problematiek van [appellant] (duurzaam) beheersbaar zou zijn, nu er immers wordt gesteld dat er actueel sprake is van een theatrale persoonlijkheidsstoornis en trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarbij dient, in verband met die (duurzame) beheersbaarheid, bovendien bedacht dat enerzijds getuige de overgelegde stukken (voor zover compleet in het geding gebracht) bij [appellant] gedurende een aantal jaren sprake is - geweest - van psychosociale problematiek, terwijl anderzijds tussen de aanmelding bij [instelling 1] eind 2015 en de beweerdelijke investering door [appellant] in zijn ontwikkeling minder dan vier maanden zitten, er vanuit gaande dat de verklaring van [psychotherapeut] van 15 maart 2016 is. Het hof acht, daargelaten nog dat uit de verklaring van [psychotherapeut] niet althans onvoldoende de conclusie te trekken valt zoals bedoeld in art. 5.4.3. Bijlage IV Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, deze periode zonder meer al te kort is om te kunnen aannemen dat door investering van [appellant] in zijn ontwikkeling zijn psychosociale problemen “al enige tijd beheersbaar zijn”. Verder blijkt uit voornoemde verklaring van [psychotherapeut] dat zijdens [appellant] sprake is van een gewijzigde hulpvraag waarbij bovendien een begeleiding wordt geadviseerd die tot op heden nog moet aanvangen. Ook dan kan, mede in het licht van de overige stukken (voor zover compleet in het geding gebracht), niet worden vastgesteld dat voldaan is aan het bepaalde in art. 5.4.3. Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken.

3.7.5.

Ook de door [appellant] overgelegde verklaring van de aan [onderneming] verbonden loopbaanbegeleidster [loopbaanbegeleidster] acht het hof ontoereikend. Daargelaten nog dat [loopbaanbegeleidster] niet kan worden aangemerkt als een deskundige hulpverlener op het gebied van psychosociale problematiek vermeldt zij in haar verklaring onder meer dat de psychologische hulp opnieuw opgestart zal moeten worden en dat daarom naar haar idee de aanvraag van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling ook te vroeg is gedaan.

3.7.6.

Daarbij komt dat er naar het oordeel van het hof zowel op basis van de door [appellant] overgelegde stukken als op basis van zijn uitlatingen zoals gedaan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep voldoende indicatie bestaat dat [appellant] , al dan niet tot voor kort, in ruime mate verdovende middelen heeft gebruikt. Ingevolge artikel 5.4.2. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met verslavingsproblemen in beginsel alleen toegelaten tot schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat de verslaving al enige tijd onder controle is, in die zin dat de verzoeker al enige tijd geen verdovende middelen meer gebruikt. De periode waarover de verslaving onder controle dient te zijn bedraagt ten minste één jaar. Deze periode kan korter of langer zijn, afhankelijk van, onder meer, de ernst en duur van de verslaving. Dat de verslaving onder controle is dient te worden bevestigd door een hulpverlener of hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is eveneens niet door [appellant] overgelegd, terwijl de eerdergenoemde verklaring van [psychotherapeut] nadrukkelijk melding maakt van structurele kwetsbaarheden waaronder verslavingen. In de eveneens eerder genoemde verklaring van [loopbaanbegeleidster] wordt dan wel gesteld dat er geen sprake is van een verslaving, maar deze stelling wordt noch binnen de betreffende verklaring noch in enig ander document of op enige ander moment door [loopbaanbegeleidster] nader onderbouwd, daargelaten noch dat [loopbaanbegeleidster] bovendien niet kan worden aangemerkt als een deskundige op het gebeid van verslavingsproblematiek.

3.7.7.

Daarbij merkt het hof, en gelet op overweging 3.7.2.van dit arrest evenwel ten overvloede, nog op dat een te premature toelating van [appellant] tot de wettelijke schuldsanering het voor hem ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien hij niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor hem nog ingrijpender gevolg dat hij, ingevolge de visie van de wetgever en de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad - als recent wederom bevestigd in HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1031 -, in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.

3.7.8.

De opmerking van [appellant] ‘dat de omstandigheid dat de schuldenaar is aangewezen op hulp van derden en daarvan ook gebruik maakt op zich aan het slagen van de schuldsaneringsregeling niet in de weg hoeft te staan’-welke opmerking overigens in algemene zin juist is- doet in dit bijzondere geval niet af aan al het hiervoor overwogene.

3.7.9.

Het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient (voor het moment) dan ook op de voet van zowel artikel 288 lid 1 sub b Fw als (ten overvloede) artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen. Niets staat er echter aan in de weg dat [appellant] , die naar het oordeel van het hof inmiddels wel de goede weg is ingeslagen, indien en zodra hij wel over een actuele en ter zake doende rapportage beschikt ten aanzien van (het onder controle zijn van) zijn psychosociale en verslavingsproblematiek en daarbij tevens zijn verklaring ex artikel 285 Fw tijdig en volledig in het geding brengt, opnieuw kan verzoeken te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.7.10.

Door [appellant] is nog een beroep op de hardheidsclausule gedaan. Artikel 288 lid 3 Fw ziet echter niet op het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub c Fw, terwijl reeds als gevolg van ontbrekende stukken het hof niet althans onvoldoende kan beoordelen, of [appellant] de omstandigheden die zijn bepalend geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen.

3.8.

Gezien het vorenstaande zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-van Vollenhoven en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2016.