Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:121

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2016
Datum publicatie
26-01-2016
Zaaknummer
HD 200.152.251_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1067, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verkrijgende verjaring perceel grond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2016/19 met annotatie van mr. drs. L. van Leijen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.152.251/01

arrest van 19 januari 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. C.J.R. van Binsbergen te Alphen aan den Rijn,

tegen

[geïntimeerde 1]

en

[geïntimeerde 2] , echtelieden,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 juni 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen vonnis van 21 mei 2014 tussen appellant - [appellant] - als eiser in conventie en verweerder in reconventie en geïntimeerden - [geïntimeerden] , dan wel [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] - als gedaagden in conventie en eisers in reconventie.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    de memorie van grieven waarbij vier grieven zijn voorgedragen;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de door [appellant] genomen akte na memorie tevens verzoek om pleidooi waarbij vier verklaringen zijn overgelegd;

  • -

    de antwoordakte;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnota’s hebben overgelegd en vragen van het hof hebben beantwoord.

Vervolgens is arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken

van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaak-rolnr. C/04/124912/HA ZA 13-253)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 21 mei 2014 en het daaraan voorafgegane vonnis van 4 december 2013, waarbij een comparitie is gelast.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Het hof gaat in dit geding uit van de volgende feiten.

a. [appellant] en [geïntimeerde 1] zijn broer en zus. In 1974 hebben zij met nog enkele broers en zussen onderling een stuk grond gemeente [gemeente] sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] , groot 2.28.50 ha verdeeld. In dat kader is aan [geïntimeerde 1] het perceel toebedeeld dat thans kadastraal bekend is als gemeente [gemeente] sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] , groot 38 are (producties 2, 3 en 4 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie). Hierna genoemd “het perceel”.

b. [appellant] is het perceel blijven gebruiken. Uit een brief van 27 januari 1984 van [appellant] aan [geïntimeerden] blijkt dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat hij het perceel pacht van [geïntimeerden] (productie 6 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie).

c. Bij vonnis van de rechtbank Roermond van 15 november 1990, waarbij [geïntimeerde 1] als eiseres optrad en [appellant] als gedaagde, is - kort gezegd en voor zover thans van belang - a) voor recht verklaard dat aan [geïntimeerde 1] ingevolge de in 1974 plaatsgevonden hebbende toebedeling in het kader van erfopvolging de eigendom toebehoort van het perceel en b) is [appellant] veroordeeld tot ontruiming daarvan (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg). Bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 9 december 1992 (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) is voormeld vonnis op de net genoemde onderdelen a) en b) bekrachtigd. Voormeld vonnis en arrest zijn op 13 oktober 1994 aan [appellant] betekend. De executie is niet doorgezet. [appellant] heeft het perceel niet ontruimd en heeft het perceel tot op heden in gebruik.

d. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van voormelde rechterlijke uitspraken is extinctief verjaard.

e. Bij brief van 11 oktober 1996 (productie 8 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie) heeft [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde 1] geschreven:

“(….)

“Aangezien ik nog altijd in het u toe bedeelde stukje land geïnteresseerd ben lijkt het mij raadzaam dat u zelf met mij hier over kontakt opneemt om uiteindelijk aan een tonnen hoge schadeclaim te ontkomen.”.

(….)

f. Bij brief van 4 november 1996 aan [geïntimeerde 1] (productie 9 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie) schrijft [appellant] onder meer het volgende:

“(….)

Omdat volgens uw zeggen het stukje land gelegen aan [het adres] de minimale oppervlakte van 50 are die nodig zijn om als bouwkavel te dienen niet haalt, is het stukje land voor u vrijwel waardeloos geworden en daarom lijkt het mij raadzaam voornoemd perceel aan mij over te dragen c.q. te verkopen om uiteindelijk aan een langdurig en kostbaar juridisch steekspel te ontkomen. (….)”.

g. [geïntimeerden] zijn in de daartoe bestemde registers geregistreerd als rechthebbenden op het perceel en betalen uit dien hoofde ook de daarop rustende zakelijke (gemeentelijke) lasten.

h. [appellant] heeft de afgelopen jaren op het perceel asperges geteeld en paarden gehouden.

4.2.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie, na intrekking van de aan [geïntimeerden] op 10 juli 2013 uitgereikte dagvaarding en na mededeling bij akte van 23 augustus 2013 dat hij geen procedure start ex art. 3:27 BW zoals per abuis in de dagvaarding is blijven staan, maar een procedure ex art. 3:302 BW, gevorderd een verklaring voor recht dat het perceel kadastraal bekend is als [gemeente] [sectieletter] [sectienummer] , groot 38 are, coördinaten [coördinaten] , locatie [het adres] [plaats] LB [het adres] [plaats] LB in eigendom toebehoort aan hem, [appellant] . Hij heeft verder medewerking van [geïntimeerden] gevorderd met het inschrijven van de verjaring ex art. 3:17 lid 1 sub i BW, op verbeurte van een dwangsom.

4.2.2

[geïntimeerden] hebben na wijzing eis in reconventie gevorderd:

I. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] eigenaar zijn van het perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] , groot 38 are, althans dat [appellant] niet door verjaring eigenaar is geworden van het perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] , groot 38 are en dat [appellant] derhalve inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [geïntimeerden] en onrechtmatig handelt jegens [geïntimeerden] ;

II. en III. veroordeling van [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting om binnen een maand na dagtekening van het vonnis het perceel te ontruimen en het perceel ontruimd te houden, en [appellant] te verbieden om gebruik te maken van het perceel, kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] , groot 38 are, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of een gedeelte van een dag en per overtreding indien niet, of slechts gedeeltelijk binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan het vonnis is voldaan;

IV. veroordeling van [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen wegens buitengerechtelijke kosten € 904,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de genomen conclusie tot aan de dag der algehele voldoening;

V. veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten, met bepaling dat hij wettelijke rente over die kosten verschuldigd zal zijn indien hij deze niet heeft betaald binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis;

VI. veroordeling van [appellant] om te betalen € 1.508,-, te vermeerderen met wettelijke rente ter zake de door [geïntimeerde 1] ten onrechte betaalde onroerendzaakbelasting ‘gebruiker’;

in voorwaardelijke reconventie:

VII. veroordeling van [appellant] om te betalen € 3.406,-, nog te vermeerderen met de waterschapsbelasting en de wettelijke rente, ter zake de door [geïntimeerde 1] ten onrechte betaalde onroerendzaakbelasting ‘gebruiker’ en ‘eigenaar’.

4.2.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis overwogen, kort gezegd, dat niet blijkt dat [geïntimeerden] hun eigendom en/of het bezit van het perceel hebben willen prijsgeven en dat blijkt dat [appellant] pas bij schrijven van 22 februari 2013 zich voor het eerst tot [geïntimeerden] heeft gewend met de mededeling dat hij door verjaring eigenaar is geworden. Hierbij is niet komen vast te staan, aldus de rechtbank, dat [appellant] vóór of op 10 december 2012 handelingen heeft verricht waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij het eigendoms- en bezitsrecht van [geïntimeerden] openlijk heeft tegengesproken. De rechtbank heeft vervolgens bij dictum in conventie en reconventie en onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen:

- voor recht verklaard dat [geïntimeerden] eigenaar zijn van het perceel;

- [appellant] veroordeeld om het perceel te ontruimen, ontruimd te houden en hem verboden verder gebruik te maken van het perceel op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan indien hij niet binnen twee maanden na betekening van het vonnis het perceel heeft ontruimd en het verdere gebruik daarvan niet heeft gestaakt, tot een maximum van € 10.000,-;

- [appellant] veroordeeld in de proceskosten van de conventie en de reconventie en in de nakosten, de nakostenveroordeling te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

4.3

[appellant] vordert onder het voordragen van vier grieven vernietiging van het beroepen vonnis en een verklaring voor recht dat het perceel kadastraal bekend als [gemeente] [sectieletter] [sectienummer] , groot 38 are, coördinaten [coördinaten] , locatie [het adres] [plaats] LB [het adres] [plaats] LB in eigendom toebehoort aan hem, [appellant] , althans dat hem het recht van eigendom toekomt op het perceel kadastraal bekend als [gemeente] [sectieletter] [sectienummer] , groot 38 are, coördinaten [coördinaten] , locatie [het adres] [plaats] LB [het adres] [plaats] LB,

met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure in beide instanties, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

[geïntimeerden] bestrijden de grieven en hebben geconcludeerd tot, samengevat, verwerping van de grieven, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente als hij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak heeft betaald.

4.4

[appellant] heeft niet gegriefd tegen de oordelen van de rechtbank dat hem geen beroep toekomt op het wettelijk vermoeden van art. 3:109 BW en dat op hem op grond van de artikelen 149 en 150 Rv de stelplicht en bewijslast rust van zijn stelling dat hij bezitter was van het perceel op het tijdstip waarop de extinctieve verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraken van 15 november 1990 en 9 december 1992 is voltooid (r.o. 4.6.1 van het vonnis). Hij heeft evenmin gegriefd tegen r.o. 4.6.2 van het vonnis, zodat ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] zichzelf in elk geval tot en met zijn brief van 27 januari 1984 (zie r.o. 4.1 sub b) zag als pachter, en dus als houder, van het perceel.

4.5.1

Met inachtneming van hetgeen hiervoor in r.o. 4.4 is overwogen en van hetgeen [appellant] tijdens het pleidooi heeft verklaard voor zover inhoudende dat de kernvraag in deze zaak is of in elk geval uit het vonnis van 15 november 1990 van de rechtbank Roermond en het arrest van dit hof van 9 december 1992 volgt dat hij, [appellant] , tenminste vanaf 9 december 1992 als bezitter van het perceel moet worden aangemerkt, leggen de grieven 1, 2 en 3 de vraag voor of [appellant] door verjaring eigenaar is geworden van het perceel. Deze drie grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.5.2

Het hof stelt voorop dat [appellant] alleen door verjaring eigenaar kan zijn geworden indien hij bezitter op de voet van art, 3:107 lid 1 BW is geweest. Uit de eigen verklaringen van [appellant] blijkt dat hij zichzelf in elk geval vóór 1990 heeft aangemerkt als houder van het perceel. Hij noemt zichzelf namelijk pachter. Het antwoord op de vraag of in rechte die pachtovereenkomst bestaat, is voor het onderhavige probleem niet relevant. Uit het enkele feit dat die pachtovereenkomst niet bestaat, vloeit immers niet voort dat [appellant] dan geen houder is. Dat is in tegenspraak met zijn eigen stelling dat hij het perceel als pachter onder zich heeft en zelfs op enig moment pacht wilde betalen, en dus geen bezitter is. Daar waar [appellant] aan [geïntimeerden] meedeelt dat hij, [appellant] , pachter is en dus houder van het perceel, mogen [geïntimeerden] ervan uitgaan dat er in de verhouding [appellant] – [geïntimeerden] geen verkrijgende verjaringstermijn loopt. Het hof leidt uit het arrest van 9 december 1992 verder af dat [appellant] zich ook in die appelprocedure heeft opgeworpen als pachter. Blijkens dat arrest heeft [appellant] als grief III voorgedragen dat de rechtbank hem ten onrechte heeft bevolen het perceel te ontruimen. Uit r.o. 4.4 in dat arrest vloeit voort dat [appellant] die grief (mede) heeft gegrond op de stelling dat hij pachter van het perceel is. Daarmee dient de vraag te worden beantwoord of het arrest van 9 december 1992 met zich brengt dat [appellant] bezitter is geworden van het perceel. Naar het oordeel van het hof vloeit dat niet voort uit dat arrest. Het enkele feit dat in dat arrest is geoordeeld dat [appellant] zonder recht of titel het perceel gebruikt, betekent immers niet dat hij bezitter is van het perceel. Geoordeeld is slechts dat er geen recht of titel bestaat voor het gebruik. Daarmee wordt de gebruiker echter geen bezitter. Het enkele feit dat een persoon na afloop van de duur van een leenovereenkomst het geleende niet teruggeeft, maakt die lener immers niet zonder meer bezitter van het geleende. Uit het feit dat [geïntimeerden] niet tot ontruiming van [appellant] zijn overgegaan, kan evenmin worden afgeleid dat [appellant] bezitter is geworden. Door niet tot ontruiming over te gaan is slechts gecontinueerd het reeds jarenlange gebruik om niet van het perceel door [appellant] , waarbij [appellant] zichzelf slechts zag als houder, en wat dat betreft niet anders aan [geïntimeerden] heeft meegedeeld of zich anders heeft gedragen.

4.5.3

Nu het hof in het vorenstaande heeft geoordeeld dat [appellant] in zijn relatie met [geïntimeerden] moet worden aangemerkt als houder en dat enkel de uitspraken van 15 november 1990 en 9 december 1992 daarin geen verandering hebben gebracht, moet sprake zijn van een of meer andere feiten waaruit kan worden afgeleid dat [appellant] op enig moment, en in elk geval 20 jaar voordat [geïntimeerden] op 9 oktober 2013 hun eis in reconventie in dit geschil hebben ingesteld, bezitter is geworden. Dergelijke feiten zijn niet gesteld. Zo heeft [appellant] geen feiten aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat het gebruik van het perceel door hem zodanig was dat daaruit kan worden afgeleid dat hij het perceel gebruikte als bezitter. Gesteld noch gebleken is verder dat hij op enig moment [geïntimeerden] heeft meegedeeld bezitter te zijn. Uit de brieven van [appellant] aan [geïntimeerden] van 11 oktober 1996 en 4 november 1996 (zie r.o. 4.1 sub e en f) kan in elk geval op geen enkele manier worden afgeleid dat [appellant] van mening was dat hij bezitter was van het perceel. Voor zover wat dit betreft [appellant] in zijn akte na memorie nieuwe rechtsfeiten heeft aangevoerd, is hij daar blijkens hetgeen hij tijdens het pleidooi heeft aangevoerd niet bij gebleven. Het hof laat dan nog daar dat [geïntimeerden] wat dit betreft tijdens het pleidooi hebben aangevoerd dat [appellant] geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het feit dat de executie van de uitspraken van 15 november 1990 en 9 december 1992 niet is doorgezet en dat zij het gebruik zijn blijven gedogen, zodat hetgeen [appellant] daaromtrent in de akte na memorie heeft aangevoerd, tardief is en buiten beschouwing moet blijven (zie nr. 14 van hun overgelegde pleitaantekeningen).

Al het vorenstaande brengt met zich dat de grieven 1, 2 en 3 falen.

4.6

In de vierde grief voert [appellant] aan dat de rechtbank de reconventionele vorderingen van [geïntimeerden] ten onrechte heeft toegewezen. In zijn toelichting op die grief voert hij niet meer aan dan dat die vorderingen moeten worden afgewezen omdat hij, [appellant] , als eigenaar van het perceel moet worden aangemerkt gelet op zijn grieven 1, 2 en 3. Nu die grieven falen, en [appellant] naar het oordeel van het hof niet kan worden aangemerkt als eigenaar van het perceel, faalt ook deze laatste grief.

4.7

Het hof gaat voorbij aan het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat hij het perceel in bezit heeft gehad, alleen al omdat hij geen, in elk geval niet voldoende concrete feiten heeft genoemd waaruit dit juridisch bezit kan worden afgeleid. Daarnaast en voor het overige gaat het hof aan zijn bewijsaanbod voorbij als niet ter zake dienend en/of als onvoldoende concreet en feitelijk.

4.8

Nu de grieven falen, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 308,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat [appellant] over deze kosten de wettelijke rente is verschuldigd als hij deze niet binnen veertien (14) dagen na de dag van deze uitspraak heeft betaald.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, L.W. Louwerse en Th. Groenewald en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 januari 2016.

griffier rolraadsheer