Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1181

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
200.152.314_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:4897, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 4 lid 2 sub m en art. 8 EU-Insolventieverordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/968
RI 2016/60
JOR 2016/176 met annotatie van mr. D. Beunk en mr. B.A. Schuijling
INS-Updates.nl 2016-0174
UDH:TvCu/13157 met annotatie van prof. mr. A.W. Jongbloed
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.152.314/01

arrest van 29 maart 2015

in de zaak van

mr. Petrus Johannes Schambergen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van V.O.F. [V.O.F.] en haar vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2] ,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de curator,

advocaat: mr. P.J. Schambergen te Maastricht ,

tegen

de besloten vennootschap naar Belgisch recht Thema Immo BvbA,

gevestigd te [vestigingsplaats] , België,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als TI,

advocaat: mr. R.J.M.G. Rulkens te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 juni 2014 ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van 23 april 2014, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , gewezen tussen de curator als eiser en TI als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/178200/HA ZA 13-52)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het hoger beroep is gericht tegen een tussenvonnis. De rechtbank heeft op een daartoe strekkend verzoek van de curator bij vonnis in incident van 21 mei 2014 tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis toegestaan.

3.2.1.

Het gaat in deze zaak, voor zover in dit hoger beroep van belang, om het volgende:

  1. De curator is curator in het bij vonnis van 10 april 2012 door de rechtbank te [kantoorplaats] uitgesproken faillissement van de vennootschap onder firma V.O.F. [V.O.F.] en van haar vennoten, de heer [vennoot 1] (verder: [vennoot 1] ) en mevrouw [vennoot 2] (tezamen: [vennoot 1] c.s.).

  2. [vennoot 1] c.s. hebben in 2011 hun woning aan de [straatnaam][huisnummer] te [woonplaats] (België) verkocht en bij notariële akte van 8 november 2011 (prod. 1 inl. dagv.) geleverd aan TI voor een verkoopprijs van € 385.000,=. TI heeft de woning enige tijd daarna te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 595.000,= (prod. 2 inl. dagv.). De woning is door TI vervolgens niet verkocht maar verhuurd.

  3. De curator heeft bij brief van 5 juli 2012 (prod. 3 inl. dagv.) jegens TI primair de nietigheid ingeroepen van de koopovereenkomst en TI gesommeerd tot teruglevering van de woning. Subsidiair heeft de curator TI op grond van onrechtmatige daad (medewerking aan een voor de schuldeisers van de gefailleerden nadelige verkoop) aansprakelijk gesteld voor de door de schuldeisers geleden schade (door de curator in voormelde brief gesteld op € 196.436,84).

  4. De curator schreef in voormelde brief onder meer: ”(..) De werkelijke waarde van dit onroerend goed is beduidend hoger dan het bedrag waarvoor u voor dit onroerend goed heeft gekocht, (…). Dit betekent, dat de schuldeisers van de gefailleerden tengevolge van deze onverplicht verrichte rechtshandeling zijn benadeeld. Nu de waarde van het (…) woonhuis het bedrag ad € 385.000,00 aanmerkelijk overtreft, en deze overeenkomst is gesloten binnen een jaar voor de faillietverklaring, wordt de wetenschap van deze benadeling, behoudens tegenbewijs, zowel bij de gefailleerden als bij u vermoed te hebben bestaan. (…) ”

  5. In de correspondentie die hierop tussen (de advocaat van) TI en de curator heeft plaatsgevonden heeft TI betwist dat de koopprijs voor de woning aanmerkelijk lager is geweest dan de waarde van de woning. TI heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat de woning voordat zij deze kocht al geruime tijd te koop stond en dat zij, TI, de woning heeft gerenoveerd voordat zij deze op haar beurt te koop heeft aangeboden.

3.2.2.

De curator heeft vervolgens TI in rechte betrokken. De curator vordert in deze procedure, kort samengevat, primair een verklaring voor recht dat de nietigheid van de koop terecht is ingeroepen en terug levering van de woning en subsidiair schadevergoeding van € 215.436,84, subsidiair € 196.436,84 en meer subsidiair € 106.436,84, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 juli 2012, subsidiair vanaf de dag van dagvaarding.

3.2.3.

TI heeft niet betwist dat de verkoop door [vennoot 1] c.s. aan haar van de woning een onverplichte rechtshandeling is geweest als bedoeld in art. 42 Fw. Tussen partijen is evenmin in geschil de – terechte – vaststelling van de rechtbank dat het gaat om een internationaal geschil (r.o. 4.1) en het – eveneens terechte – oordeel van de rechtbank (r.o. 4.4) dat de Nederlandse rechter bevoegd is daarvan kennis te nemen op grond van art. 3 lid 1 van de Insolventieverordening (Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures). Wat betreft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter verwijst het hof daarbij nog naar het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 12 februari 2009, ECLI:NL:XX:2009:BH3636.

Ook staat tussen partijen niet ter discussie het oordeel van de rechtbank (r.o. 4.4) dat de Nederlandse rechter ingevolge art. 4 lid 1 van de Insolventieverordening in beginsel Nederlands recht dient te toe te passen.

3.2.4.

In hoger beroep gaat het uitsluitend om de vraag of de rechtbank in r.o. 4.5 van het tussenvonnis al dan niet terecht heeft geoordeeld dat in dit geval niet de (algemene) regel van art. 4 lid 1 van de Insolventieverordening van toepassing is maar art. 8 van die verordening. In laatstgenoemd artikel is ten aanzien van overeenkomsten betreffende een onroerend goed bepaald: “De gevolgen van een insolventieprocedure voor een overeenkomst die recht geeft op de verkrijging of het gebruik van een onroerend goed, worden uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan dit onroerend goed gelegen is.” De rechtbank achtte op grond van dit artikel de vraag of de curator de koopovereenkomst tussen [vennoot 1] c.s. en TI terecht buitengerechtelijk heeft kunnen vernietigen onderworpen aan Belgisch recht (het recht van de plaats van ligging van het onroerend goed) van toepassing en stelde bij het tussenvonnis van 23 april 2014 de partijen in de gelegenheid zich over dat oordeel uit te laten en hun stellingen daaraan aan te passen.

3.2.5.

De curator acht voormeld oordeel van de rechtbank onjuist. Volgens de curator is artikel 8 van de Insolventieverordening niet van toepassing op de onderhavige situatie.

3.3.1.

In de toelichting op zijn grief tegen het oordeel van de rechtbank voert de curator aan dat art. 8 van de Insolventieverordening een uitzondering inhoudt op het bepaalde in art. 4 lid 2 sub e van die verordening. Voorts stelt de curator dat de buitengerechtelijke vernietiging van de koopovereenkomst valt onder het bereik van art. 4 lid 2 sub m van die verordening en dat op basis daarvan Nederlands recht van toepassing is. Verder betoogt de curator dat TI zich voor deze situatie niet op art. 8 van de Insolventieverordening heeft beroepen.

3.3.2.

Deze grief is gegrond. Art. 8 van de Insolventieverordening behelst een uitzondering op de bepaling in art. 4 lid 2 sub e van die verordening - waarin voor lopende overeenkomsten de toepasselijkheid is bepaald van het recht van de lex concursus – indien het gaat om lopende overeenkomsten inzake de verkrijging of het gebruik van een onroerende zaak. In dat geval is niet het recht van het grondgebied van de insolventieprocedure van toepassing maar dat van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen. Die situatie doet zich in dit geval echter niet voor. Bij de door de curator gewraakte overeenkomst inzake de verkoop van de woning te [woonplaats] gaat het niet om een nog niet uitgevoerde overeenkomst. Het gaat hier om een al uitgevoerde overeenkomst waarvan de curator stelt dat deze vernietigbaar is op de voet van art. 42 lid 1 Fw omdat het een onverplicht verrichte rechtshandeling betreft waardoor de boedel is benadeeld en waarvan [vennoot 1] c.s. en TI hebben geweten of hebben behoren te weten dat die rechtshandeling benadeling van de schuldeisers van de gefailleerden tot gevolg zou hebben. Het gaat, naar de curator terecht stelt, dus niet om een vordering als bedoeld in art. 4 lid 2 sub e van de Insolventieverordening maar om een vordering als omschreven in art. 4 lid 2 sub m van die verordening. Voor een dergelijke vordering geldt niet de uitzondering van art. 8 van de Insolventieverordening. De curator stelt terecht dat ingevolge het bepaalde in art. 4 lid 2 sub m van de Insolventieverordening de door hem ingestelde paulianavordering naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld. Overigens heeft TI dit in eerste aanleg zelf ook gesteld( zie cvd, nr. 4).

3.3.3.

Volledigheidshalve merkt het hof nog het volgende op. Art. 13 van de Insolventieverordening houdt voor een bepaald geval een uitzondering in op het volgens art. 4 lid 2 onder m van die verordening toepasselijke recht. TI heeft op die uitzondering echter geen beroep gedaan, terwijl de curator zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onweersproken heeft betoogd dat die uitzonderingssituatie zich in dit geval niet voordoet. Het hof houdt het er daarom voor dat art. 13 van de Insolventieverordening in dit geval toepassing mist.

3.4.

Aangezien de door de curator tegen het tussenvonnis van 23 april 2014 aangevoerde grief slaagt, zal dat vonnis worden vernietigd. Het hof zal de zaak ter verdere berechting terugverwijzen naar de rechtbank. TI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit hoger beroep worden verwezen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussenvonnis van 23 april 2014;

verwijst de zaak ter verdere berechting naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht ;

veroordeelt TI in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de curator worden begroot op € 781,52 aan verschotten en op € 894,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, D.A.E.M. Hulskes en

J.J. Verhoeven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 maart 2016.

griffier rolraadsheer