Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1158

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
15/00673
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1879, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erflaatster en haar echtgenoot hebben in 2008 een bedrag van € 72.188,28 contant opgenomen van de door hen destijds bij de Rabobank aangehouden bankrekening. Kort daarna is eerst de echtgenoot overleden en vervolgens erflaatster. Omdat de bestemming van het geldbedrag onbekend is gebleven, heeft de inspecteur een aanslag recht van schenking aan een onbekende verkrijger opgelegd. Omdat de aanslag onbetaald is gebleven, heeft de Ontvanger de erven van erflaatster (belanghebbenden) bij beschikking aansprakelijk gesteld voor de aanslag. De bewijslast ter zake van de rechtmatigheid van de beschikking rust op de Ontvanger. Het Hof is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een schenking. Immers, onbekend is (i) wie is verarmd, (ii) bij wie het geldbedrag terecht is gekomen en (iii) of sprake is van vrijgevigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1618
V-N 2016/41.16 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2016/17.7
FutD 2016-1760 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/2061 met annotatie van mr. M.C.J. Kop
ERF-Updates.nl 2016-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00673

Uitspraak op het hoger beroep van

de erven van [belanghebbende] ,

domicilie kiezende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 maart 2015, nummer AWB 14/2217 in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de Ontvanger van de Belastingdienst,

hierna: de Ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Ontvanger heeft belanghebbenden bij beschikking van 25 juli 2012, kenmerk [kenmerk] , (hierna: de beschikking) op de voet van artikelen 46, lid 3, 32, lid 2, en 49 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 74.413 ter zake van een niet betaalde aanslag recht van schenking, alsmede de daarmee verband houdende verschuldigde invorderingsrente en kosten.

1.2.

De Ontvanger heeft het bezwaar bij uitspraak van [datum 6] 2014 gegrond verklaard en het bedrag van de aansprakelijkstelling verminderd tot een bedrag van € 69.924.

1.3.

Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak hebben de belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 123. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 januari 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbenden, [A] , advocaat te [plaats 1] , alsmede, namens de Ontvanger, de heer [B] en mevrouw [C] , alsmede namens de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), mevrouw [D] en mevrouw [E] .

1.6.

Zowel belanghebbende als de Ontvanger hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Op [datum 1] 2008 is [belanghebbende] (hierna: erflaatster) overleden. Zij heeft bij testament van [datum 3] 2006 de twee zonen van haar nicht, te weten [F] , geboren op [datum 2] 2000, en [G] , geboren op [datum 4] 2002, beiden wonende te [postcode] , [plaats 2] , [a-straat] 51a, tot haar enige en algehele erfgenamen benoemd, tezamen en voor gelijke delen.

2.2.

Op [datum 6] 2008 hebben erflaatster en haar echtgenoot [H] , een bedrag van € 72.188,28 contant opgenomen van de door hen destijds bij de Rabobank [Rabobank] (vestiging [plaats 3] ) aangehouden bankrekening. [H] is overleden op [datum 5] 2008. Erflaatster en [H] waren in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.3.

Procedure betreffende de aanslag recht van schenking

2.3.1.

Omdat er geen verklaring is gegeven voor de bestemming van het in 2.2 bedoelde bedrag, heeft de Inspecteur met dagtekening 22 december 2009 een aanslag recht van schenking opgelegd aan een onbekende verkrijger. Daarbij is uitgegaan van een schenking vrij van recht met een waarde van € 72.000, een te belasten verkrijging van € 141.924 en een te betalen bedrag aan recht van schenking van € 69.924. De tenaamstelling van de aanslag luidt: “Aan De heer/Mw. Onbekende”. De aanslag is geadresseerd “P/a [a-straat] 51 a, [postcode] , [plaats 2] .”.

2.3.2.

De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbenden tegen de in 2.3.1 bedoelde aanslag bij uitspraak van 16 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.3.

Rechtbank ’s-Gravenhage heeft het tegen de in 2.3.2 bedoelde uitspraak op bezwaar ingestelde beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bij uitspraak van 2 juli 2010 ongegrond verklaard. Het daartegen gedane verzet is door Rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 25 januari 2011 ongegrond verklaard.

2.3.4.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de in 2.3.3 bedoelde uitspraak op verzet van Rechtbank ’s-Gravenhage met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO) bij arrest van 7 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.4.

De aansprakelijkstelling

2.4.1.

De Ontvanger heeft belanghebbenden, als erfgenamen van erflaatster, bij beschikking van 25 juli 2012 op de voet van artikelen 46, lid 3, 32, lid 2 en 49 van de IW aansprakelijk gesteld voor de betaling van de in 2.3.1 bedoelde aanslag. Belanghebbenden zijn aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 74.413 inclusief invorderingsrente en kosten.

2.4.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger de beschikking verminderd tot een aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 69.924, omdat de Ontvanger belanghebbenden niet aansprakelijk stelt voor invorderingsrente en kosten.

2.5.

Procedure betreffende de aanslag recht van successie

2.5.1.

Omdat geen verklaring is gegeven voor de bestemming van het in 2.2 bedoelde bedrag, heeft de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen recht van successie ten name van belanghebbenden het bedrag van € 72.000 tot de nalatenschap van erflaatster gerekend.

2.5.2.

De Inspecteur heeft de aanslagen successierecht bij uitspraken op bezwaar verminderd, in die zin dat het saldo van de nalatenschap is verlaagd met het bedrag van € 72.000.

2.5.3.

Belanghebbenden hebben zich in beroep, hoger beroep en beroep in cassatie op het standpunt gesteld dat het bedrag van de nalatenschap ook moet worden verminderd met het recht van schenking ten bedrage van € 69.924.

2.5.4.

Op 9 augustus 2012 heeft Rechtbank ’s‑Gravenhage de beroepen van belanghebbenden tegen de in 2.5.2 bedoelde uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

2.5.5.

Op 7 augustus 2014 heeft het Hof de hoger beroepen tegen de in 2.5.4 bedoelde uitspraken van rechtbank ’s‑Gravenhage ongegrond verklaard.

2.5.6.

De Hoge Raad heeft de beroepen in cassatie tegen de in 2.5.5 bedoelde uitspraken van het Hof bij arrest van 12 juni 2015 met toepassing van artikel 81 van de Wet RO ongegrond verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de beschikking aansprakelijkstelling terecht en – zo ja – niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbenden zijn van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Ontvanger heeft zich in zijn verweerschrift in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op belanghebbenden de bewijslast rust ten aanzien van zowel de aansprakelijkstelling als de daaraan ten grondslag liggende aanslag schenkingsrecht. Ter zitting heeft de Ontvanger desgevraagd verklaard niet te weten aan wie het biljet aangifte recht van schenking is uitgereikt. De Ontvanger heeft daarna zijn beroep op omkering van de bewijslast laten varen.

3.4.

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van beschikking aansprakelijkstelling. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbenden hebben in hoger beroep gesteld dat de beschikking aansprakelijkstelling ten onrechte is opgelegd.

4.2.

Niet in geschil is dat het op de weg van de Ontvanger ligt om feiten en omstandigheden te stellen waarop de beschikking aansprakelijkstelling en de aanslag schenkingsrecht steunen en deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken.

4.3.

De Ontvanger heeft gesteld dat het hoger beroep op grond van artikel 49, lid 7, van de IW geen betrekking kan hebben op de vraag of sprake is van een schenking. Immers, zo stelt de Ontvanger, de vraag of sprake is geweest van een schenking is in de procedure bedoeld in 2.5.1 tot en met 2.5.6 aan de orde geweest. Volgens de Ontvanger heeft het Hof in die procedure in overweging 4.1 van de uitspraak in verband met de onderhavige bankopname geoordeeld “dat uit de feiten volgt dat sprake is van een schenking vrij van recht”. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze Hofuitspraak ongegrond verklaard, zodat sprake is van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. Belanghebbenden zijn van mening dat het hoger beroep wel betrekking kan hebben op de vraag of sprake is van een schenking.

4.4.

Het Hof oordeelt als volgt. De aanslag recht van schenking aan de onbekende verkrijger stond onherroepelijk vast per 7 oktober 2011. Belanghebbenden zijn niet ontvankelijk verklaard in hun bezwaar en een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de aanslag aan de onbekende verkrijger terecht is opgelegd, heeft in deze procedure niet plaatsgevonden. Het Hof heeft de in 2.5.5 bedoelde uitspraak gedaan op 7 augustus 2014. Deze Hofuitspraak is door de Hoge Raad bevestigd op 12 juni 2015 (zie 2.5.6). In deze procedure ging het met name om de vraag of (uitgaande van de onherroepelijke aanslag, opgelegd aan de onbekende verkrijger) het nog niet betaalde recht van schenking in mindering kon worden gebracht op de nalatenschap van belanghebbenden. Nu ten tijde van de in 2.5.5 bedoelde uitspraak de aanslag recht van schenking als gevolg van de uitspraak van de Hoge raad van 7 oktober 2011 onherroepelijk was, kan de vraag of sprake is van een schenking in die procedure niet aan de orde zijn geweest. Het Hof is derhalve van oordeel dat het bepaalde in het zevende lid van artikel 49 van de IW niet aan de orde is en dat de vraag of sprake is van een schenking, in de onderhavige procedure aan de orde mag worden gesteld.

4.5.

De Ontvanger heeft voorts gesteld dat sprake is van een schenking, meer in het bijzonder van een gift, zoals bedoeld in artikel 7:186, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In dat kader heeft de Ontvanger gesteld dat het in 2.2 bedoelde geldbedrag zich ten tijde van het overlijden van erflaatster niet meer in de boedel bevond. Er zijn volgens de Ontvanger geen aanwijzingen gevonden waaruit kan worden afgeleid dat dit geld is aangewend voor een prestatie. Voorts heeft de Ontvanger gesteld dat bij de politie geen aangifte is gedaan van diefstal van het geld, dat het geld niet meer in de woning aanwezig was en dat er geen aanwijzing is dat het geld bij erflaatster aanwezig was bij haar overlijden. Een verklaring over waar het geld is gebleven, ontbreekt volgens de Ontvanger.

4.6.

Recht van schenking wordt geheven van al wat door schenking wordt verkregen van iemand, die ten tijde van die schenking binnen het Rijk woonde (artikel 1, lid 1, aanhef en onderdeel 3, van de Successiewet 1956; wettekst 2008). Onder schenking wordt voor de toepassing van de Successiewet 1956 verstaan de gift, bedoeld in artikel 7:186, lid 2, van het BW (artikel 1, lid 3, van de Successiewet 1956). Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt; een dergelijke handeling wordt niet als gift beschouwd, zolang degene tot wiens verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken (artikel 7:186, lid 2, van het BW). Indien onzekerheid bestaat omtrent de verwantschap of omtrent de persoon van de schenker of van de verkrijger, wordt het hoogste recht geheven, dat verschuldigd zou kunnen zijn, behoudens vermindering van de aanslag, voor zover deze naderhand blijkt te hoog te zijn (artikel 29, lid 1, van de Successiewet 1956).

4.7.

Het Hof stelt voorop dat van een schenking in de zin van artikel 1, lid 1, ten derde van de Successiewet 1956 sprake is als de schenker verarmt en de begiftigde verrijkt (vermogensverschuiving) en de schenker handelt uit vrijgevigheid. Vast staat dat het in 2.2 bedoelde bedrag van de bankrekening in contanten is opgenomen. Onbekend is echter waaraan het bedrag is besteed en wanneer het bedrag het vermogen van [H] en/of erflaatster heeft verlaten. Ook kan niet worden uitgesloten dat het bedrag is ‘verdwenen’ na het overlijden van erflaatster. Daardoor kan niet worden vastgesteld (i) wie is verarmd, (ii) bij wie het geldbedrag terecht is gekomen en (iii) of er sprake is van vrijgevigheid. Hetgeen de Ontvanger heeft gesteld over de persoon van de schenker en diens vrijgevigheid en over de persoon van de begiftigde berust slechts op vermoedens, die door belanghebbenden zijn weersproken. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een schenking zodat de onderwerpelijke aansprakelijkstelling dient te worden vernietigd. De overige stellingen van belanghebbenden behoeven derhalve geen behandeling.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de uitspraak van de Ontvanger alsmede de beschikking vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Ontvanger aan hen het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 123 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Nu het door belanghebbenden ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Ontvanger te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs hebben moeten maken.

4.11.

Belanghebbenden verzoeken om vergoeding van de integrale proceskosten, omdat de Ontvanger van meet af aan en bewust tegen beter weten in heeft gehandeld door een in rechte niet pleitbaar standpunt in te nemen. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Hiervan is, gelet ook op de uitspraak van de Rechtbank, in dit geval geen sprake. Het Hof acht derhalve geen termen aanwezig de Ontvanger te veroordelen tot vergoeding van de integrale proceskosten.

4.12.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, vast op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992.

4.13.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in voornoemde kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit , vast op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992.

4.14.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit hebben gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Ontvanger;

  • -

    vernietigt de beschikking;

  • -

    gelast dat de Ontvanger aan belanghebbenden het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 168 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op, in totaal € 1.984.

Aldus gedaan op 25 maart 2016 door A.J. Kromhout, voorzitter, A.P.M. van Rijn en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.