Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1121

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
20-000651-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:1226, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3027, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging door minderjarigen. Uitgaansgeweld. Slachtoffer heeft (blijvend) hersenletsel opgelopen doordat hij ten gevolge van een vuistslag door een medeverdachte zeer ongelukkig ten val is gekomen. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het openlijke geweld tegen het slachtoffer. Op grond van artikel 6:166 BW zijn verdachte en zijn mededaders naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0089
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000651-15

Uitspraak : 25 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

13 februari 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-700265-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en in de plaats daarvan bij wijze van voorschot de gehele vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is op een drietal gronden de niet-ontvankelijkverklaring bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 mei 2014 te Gulpen, in de gemeente Gulpen-Wittem, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Looierstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

- het duwen van die [slachtoffer] en/of

- het maken van (een) slaande beweging(en) in de richting van die [slachtoffer] en/of

- het trappen en/of schoppen van die [slachtoffer] en/of

- het slaan en/of stompen van die [slachtoffer] en/of

- het ten val brengen van die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 mei 2014 te Gulpen, in de gemeente Gulpen-Wittem, met anderen op of aan de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

- het duwen van die [slachtoffer] en

- het maken van een slaande beweging in de richting van die [slachtoffer] en

- het trappen van die [slachtoffer] en

- het slaan van die [slachtoffer] en

- het ten val brengen van die [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien.

Bewijsmiddelen 1

1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 2 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [vader slachtoffer]2:

Op 2 mei 2014 omstreeks 02.00 uur stond een groep jongens bij ons voor de deur met de mededeling dat onze zoon [slachtoffer] mishandeld was tijdens het uitgaan in Gulpen. [vriend slachtoffer] vertelde aan mij dat het volgende gebeurd was met [slachtoffer] : Na het verlaten van café La Galoupe (het hof begrijpt: Galouppe) liepen [vriend slachtoffer] en [slachtoffer] de hoek op naar de Looierstraat waar een groep personen stond. Op het moment dat [vriend slachtoffer] de groep voorbij was merkte hij dat [slachtoffer] door de groep belaagd werd. Eerst was het duwen en daarna slaan. [vriend slachtoffer] zei dat [slachtoffer] een klap kreeg en hierdoor onderuit viel en met zijn hoofd op een stenen vensterbank terecht is gekomen. Hierdoor is [slachtoffer] direct buiten westen geraakt. Per toeval kwam een ambulance de straat inrijden. De ambulance heeft [slachtoffer] direct vervoerd naar het ziekenhuis Atrium te Heerlen. Ik ben direct naar het Atrium gereden om [slachtoffer] bij te staan. Uit de scan die ze in het ziekenhuis gemaakt hadden bleek dat [slachtoffer] aan de rechterkant van zijn schedel een fractuur had met een bloeding en aan de linkerkant van zijn schedel was een zwelling te zien. Op 2 mei 2014 omstreeks 06.00 uur is [slachtoffer] de eerste keer geopereerd. De fractuur aan de rechterkant bleek groter dan gedacht en de zwelling aan de linkerkant is groter geworden. De neuroloog wacht tot vanmiddag af of direct een tweede operatie noodzakelijk is om de druk te verminderen. [slachtoffer] wordt in een kunstmatige coma gehouden en de toestand is voor de komende dagen kritiek. [slachtoffer] ligt op de afdeling intensive care. Ik wil hierbij namens mijn zoon [slachtoffer] aangifte doen van dit misdrijf. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt d.d. 2 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [vriend slachtoffer]3:

Op l mei 2014 ben ik samen met mijn vriend [slachtoffer] naar discotheek De Galouppe in Gulpen gereden. Op 2 mei 2014, omstreeks 01.30 uur, hebben wij de discotheek verlaten. Toen wij buiten kwamen, trof [slachtoffer] nog enkele bekenden en ik zag dat hij hiermee begon te kletsen. Ik liep op dat moment al langzaam aan verder. Ik draaide me op enig moment al lopende om en zag dat [slachtoffer] achter mij aankwam. Ik liep de Dorpsstraat naar beneden en wel richting de kruising met de Looierstraat. Op enig moment, toen ik net voorbij een groep jeugdigen was gelopen, hoorde ik achter mij personen schelden. Ik zag toen dat [slachtoffer] bij dat groepje jeugdigen stond en ik zag dat personen van dat groepje tegen [slachtoffer] aan het duwen waren. Vanuit de groep hoorde ik meerdere jongens tegen [slachtoffer] roepen: "Wat moet je dan". Ik zag dat [slachtoffer] aan het lachen was en doorliep, mijn richting uit. [slachtoffer] liep vervolgens verder mijn kant op en ik zag dat de groep achter [slachtoffer] aanliep. Ik zag dat een drietal personen uit die groep vervolgens op [slachtoffer] afstapte. Ik zag dat ze hem begonnen te slaan. Het betrof hier mijns inziens de drie zelfde personen als die hem eerder geduwd hadden. Ik zag dat de drie jongens met hun vuisten sloegen en ook met kracht. Ik zag dat [slachtoffer] geraakt werd. Ik zag dat ze tegen zijn hoofd sloegen. [slachtoffer] en ik wilden verder lopen, doch de jongens bleven achter ons aankomen en op ons inslaan. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer] een vuistslag kreeg. Ik zag dat hij direct na die klap viel. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer] halverwege zijn val ergens met zijn hoofd op terecht kwam. Vervolgens is hij op de grond gevallen. Op dat moment was [slachtoffer] niet meer aanspreekbaar en buiten bewustzijn. Ik zag dat [slachtoffer] niet meer bewoog. Ik zag dat de jongens vanaf de Looierstraat wegliepen in de richting van de Dorpsstraat. Toevallig kwam een ambulance voorbij gereden. De ambulance is gestopt en ze hebben [slachtoffer] ter plaatse onderzocht en meteen meegenomen naar het ziekenhuis.

3. De geneeskundige verklaring, opgemaakt d.d. 3 mei 2014, opgemaakt door

[arts] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende 4:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in Nederland.

Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja.

Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja.

Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja.

Storingen in het bewustzijn? Ja.

Datum waarop de voornoemde persoon werd onderzocht: 3 mei 2014.

Overige van belang zijnde informatie: verscheidene bloedingen in de hersenen en gebieden van hersenkneuzing. Breuk in schedelbasis. Bewusteloos in ziekenhuis gearriveerd, wordt tot op heden medicamenteus in slaap gehouden. Schedeldaklichting heeft plaatsgevonden, drukken in de hersenen blijven meetbaar verhoogd.

Geschatte duur van genezing: er is een aannemelijke kans op een (blijvende) hersenbeschadiging.

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 4 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [getuige 1]5:

Ik ging op 1 mei (het hof begrijpt: 1 mei 2014) om ongeveer 22:30 uur naar de Galouppe (het hof begrijpt: te Gulpen) met onder andere [medeverdachte 1] (het hof begrijpt telkens: [medeverdachte 1] ) [medeverdachte 1] . Rond sluitingstijd ben ik naar buiten gegaan. Ik zag [medeverdachte 1] iets lager op Dorpstraat (het hof begrijpt: Dorpsstraat) staan met zijn vrienden. Ik ken zijn vrienden niet, ik weet wel dat ze uit [woonplaats] zijn. [naam] , [naam] en ik zijn toen met zijn drieën naar [medeverdachte 1] gegaan. We hebben even gesproken met [medeverdachte 1] . Die andere jongens begonnen wat tegen ons te praten. De jongens waren opgefokt. Ik hoorde een jongen zeggen dat hij wilde slaan. Dat was de langste jongen van de groep. Hij herhaalde een aantal malen dat hij wilde gaan slaan. De jongen ruide eigenlijk de anderen een beetje op. Ik liep iets achter de groep van [medeverdachte 1] richting de Looierstraat. De groep van [medeverdachte 1] liep om de hoek en ik liep een meter alleen erachter. Er ontstond een ruzie. Ik zag twee jongens naast [medeverdachte 1] staan. [medeverdachte 1] was met dezelfde groep jongens uit [woonplaats] . Ik zag dat [medeverdachte 1] en twee jongens een jongen sloegen. Ik zag dat [medeverdachte 1] een slaande beweging in de richting van een jongen maakte. Volgens mij miste hij twee keer. Ik zag dat [medeverdachte 1] nogmaals sloeg en de jongen raakte. Het klopt dat er nog een jongen was bij het slachtoffer. Die jongen was groot. Ik heb mij omgedraaid en ben weer richting de Galouppe gelopen. Ik wilde er niets mee te maken hebben en ben daarom weggegaan. Ik ben naar mijn vrienden gelopen. Ik zag daar [naam] , [naam] en [naam] staan. We stonden voor de Galouppe en toen kwam [medeverdachte 1] erbij.

[medeverdachte 1] vertelde dat hij iemand had geslagen. [medeverdachte 1] vertelde dat hij twee keer had mis

geslagen en nogmaals had geslagen en toen stond die persoon niet meer op. Ik keek naar de richting Looierstraat en ik zag een ambulance.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 13 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als bevindingen van verbalisant [naam]6:

Op 12 mei 2014 heb ik een onderzoek ingesteld aan de inbeslaggenomen zwarte Blackberry Bold van de verdachte [medeverdachte 1] en de veiliggestelde data afkomstig uit deze telefoon.

Tijdens het onderzoek trof ik WhatsApp verkeer aan tussen het telefoonnummer

[06] en het telefoonnummer [06] , zijnde het telefoonnummer in gebruik bij verdachte [medeverdachte 1] . Tijdens het onderzoek in de voornoemde inbeslaggenomen telefoon zag ik in de contactlijst dat de naam " [verdachte] " aan het telefoonnummer [06] gekoppeld was. De voornoemde aangetroffen WhatsApp berichten werden tussen 2 mei 2014 om 02:51:25 uur en 3 mei 2014 om 00:49:44 uur verstuurd. Deze verstuurde berichten zijn hieronder weergegeven waarbij " [verdachte] " staat voor de berichten verzonden met het telefoonnummer [06] en " [medeverdachte 1] " staat voor de berichten verzonden met het telefoonnummer [06] .

[verdachte] : Woute ware dAar

[verdachte] : Ik gaf m 1 stoot

[medeverdachte 1] : Ik sloeg 2x naast omdat bezopen was

[medeverdachte 1] : Tegen t raam en nokkie

[verdachte] : Ik 1 x

[verdachte] : En 2de x kreeg die ze

[verdachte] : En toen jy nokkie

[verdachte] : Die van ambulance zei dat die gwn gevallen was tegen t raam

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 20 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als bevindingen van verbalisant [naam]7:

Op 20 mei 2014 heb ik de inhoud van de onderstaande telefoon geanalyseerd en heb hierbij het volgende bevonden.

BlackBerry GSM_9780 Bold

Houder: Verdachte [medeverdachte 2]

CHATBERICHTEN van [medeverdachte 2] naar [naam] :

2-5-2014 9:47:11 Had je gister mee gekrege met die ambulance bij galouppe?

2-5-2014 9:49:16 Ja zo jonge neer geklapt

2-5-2014 9:49:23 Ik en [medeverdachte 1] en [verdachte]

2-5-2014 9:49:30 Moes ie met ambu1anc mee

2-5-2014 9:49:39 Ofja ik trapte m een keer meer niet

2-5-2014 9:49:49 [medeverdachte 1] klapte m 2x op ze bek

2-5-2014 9:57:11 Wie heeft die jonge geslage

2-5-2014 9:57:35 Ik zeg ik met 3 andere ik gaf m een trap omdat ie grote bek had

2-5-2014 9:59:11 [medeverdachte 1] sloeg hem tege de kop

2-5-2014 9:59:19 Klapte die vol tegen zo'n raam aan

2-5-2014 9:59:28 lag ie k.o maar

7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 4 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [medeverdachte 1]8:

Ik heb afgesproken om de avond van 1 mei (het hof begrijpt: 1 mei 2014) in Gulpen uit te gaan. Wij zijn naar de disco Galouppe gegaan in Gulpen. Ik was daar onder andere met [getuige 1] . In Galouppe heb ik jongens getroffen uit [woonplaats] , te weten [verdachte] , [medeverdachte 3] en ene [medeverdachte 2] . We zijn rond 01.30 uur naar buiten gegaan. Buiten de Galouppe troffen wij weer die jongens uit [woonplaats] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Zij stonden net buiten de Galouppe, iets lager in de richting van de Looierstraat. Er liepen twee jongens langs ons. [verdachte] kreeg toen ruzie met de kleinere van de twee. De ruzie ging eigenlijk over niets. [verdachte] was op dat moment een beetje opgefokt. Die twee jongens liepen in de richting van de Looiersstraat. In ieder geval [verdachte] en ik zijn toen achter die twee jongens aan gelopen. Die twee jongens liepen door tot op de hoek van de Looierstraat. Bij die jongens aangekomen heeft [verdachte] die kleinere jongen geduwd. Hierna hebben wij ons verplaatst de Looierstraat in. Toen hoorde ik dat die kleinere jongen nog iets tegen [verdachte] en mij zei. Wat hij zei weet ik niet meer. Het ging allemaal te snel. Ik heb die kleinere jongen een vuistslag gegeven. Ik raakte hem ergens in het gezicht. Deze slag was met kracht. Ik zag toen dat die jongen opzij in de richting van de gevel van een huis aan viel. Ik heb niet precies gezien waar hij tegen aan viel maar even later zag ik die jongen op het trottoir liggen. Ik heb mij hierna omgedraaid. Wij zijn toen allemaal teruggelopen naar de Galouppe.

8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 5 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [medeverdachte 1]9:

Bij het voorval zijn aanwezig geweest [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] waar ik de achternaam niet van weet, [naam] , [getuige 1] , [naam] en ikzelf.

[verdachte] heeft die avond ook geslagen. Zoals ik al eerder heb verteld waren wij die avond in de Galouppe in Gulpen. Ik was daar samen met [getuige 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [naam] , [medeverdachte 2] , [naam] en [naam] .

Bij de hoek met de Looierstraat zijn wij om de hoek gelopen. Daar zijn wij aan het begin van de Looierstraat blijven staan. Na een paar minuten daar gestaan te hebben hoorde ik dat [verdachte] woorden met iemand had. Ook hoorde ik dat [medeverdachte 2] zich daarmee bemoeide. Ik keek om en zag dat dit gericht was tegen twee jongens die aan onze groep voorbij waren gelopen. Ik bedoel daarmee de kleinere jongen en de andere jongen waar ik gisteren ook over heb verklaard. Ik ging mij daar toen zelf ook mee bemoeien. Ik zag dat [verdachte] deze kleine jongen wegduwde. Toen ik dit zag ben ik naar [verdachte] en die kleine jongen gelopen en heb ik ook tegen deze jongen geduwd. Na een paar keer duwen sloeg [verdachte] in de richting van die kleine jongen. [verdachte] heeft mij de ochtend na dit voorval verteld dat hij ook naar die kleine jongen geslagen had. Hij deed dit via de telefoon, met WhatsApp. Als het goed is staan deze nog in mijn telefoon. Het is een Blackberry met het telefoonnummer [06] .

Nadat [verdachte] een paar keer naar de kleine jongen had uitgehaald, sloeg ik die jongen ook.

Ik heb die jongen twee keer geslagen. Ik sloeg hem met mijn linkervuist en daarna met mijn rechtervuist. Ik weet dat ik die jongen bij mijn tweede slag op de linkerzijde van zijn gezicht sloeg en daarbij ook behoorlijk raakte. Ik zag dat die jongen door deze slag meteen achterover viel. Ik zag dat die jongen tegen het gebouw daar aanviel.

9. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 5 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [medeverdachte 2]10:

In de avond en nacht van 1 op 2 mei 2014 waren we op stap in de disco Galouppe in Gulpen. Omstreeks 01:30 uur gingen we daar naar buiten. Met ‘we’ bedoel ik: ik, [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , hiervan weet ik de achternaam niet (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en nog een onbekende jongen. We zijn vanuit de disco de berg af gelopen. We kwamen op een hoek uit van de straten daar. We kwamen twee jongens tegen. Een van die twee jongens zei iets. [medeverdachte 1] gaf hem een klap in zijn gezicht. Daarna sloeg [medeverdachte 3] deze jongen en werd hij door [verdachte] geslagen. Vervolgens nog een keer door [medeverdachte 1] en toen kwam deze jongen tegen de vensterbank aan daar.

10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 6 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [medeverdachte 2]11:

Ik ben met [getuige 2] , van wie ik de achternaam niet ken, en [medeverdachte 3] naar de Galouppe in Gulpen gegaan. We zijn met de auto van [getuige 2] naar Gulpen gegaan. Volgens mij waren we tussen half 21:30 en 22 uur bij de Galouppe (het hof begrijpt: op 1 mei 2014). Ik ben ook weer naar huis gegaan met de auto van [getuige 2] , samen met [medeverdachte 3] . [getuige 2] [functie] .

Ik ben met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] vanuit de Galouppe de weg omlaag gelopen. We waren op de hoek van diverse straten onder aan de berg. Toen we daar beneden waren kwamen we twee jongens tegen.

[verdachte] had eerder al aangegeven dat hij zin had om te gaan vechten. Hij was aan het uitdagen.

Ik zag dat [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) de jongen sloeg. Hij sloeg met zijn vuist tegen de kaak van die jongen. Ik was niet meer dan twee meter van [medeverdachte 1] vandaan. Vervolgens rende [medeverdachte 3] op hem af en sloeg hem ook. Ik stond daar ook ongeveer twee meter van af. [verdachte] sloeg die jongen ook. Toen kwam [medeverdachte 1] nog een keer op hem af, hij gaf de jongen nog een klap waardoor hij viel en niet meer bewoog. Die jongen kwam op de vensterbank terecht. Hierna zijn we terug in de richting van de Galouppe gelopen. Ongeveer 5 minuten later ben ik weer naar beneden gelopen. Er was al een ambulance. Ik zag dat de jongen op de brancard lag en in de ziekenauto gelegd werd. Ik ben toen op zoek gegaan naar de auto van [getuige 2] en naar [getuige 2] en [medeverdachte 3] . Ik kwam ze tegen en we zijn samen naar de auto van [getuige 2] gegaan en daarna daar weg gereden.

11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 24 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [medeverdachte 2]12:

M: mededeling verbalisanten aan verdachte

V: vraag verbalisanten aan verdachte

A: antwoord verdachte aan verbalisanten

O: opmerking verbalisanten.

M: [medeverdachte 2] , we hebben diverse telefoons inbeslaggenomen. Ook jouw telefoon, Blackberry 9780 Bold, is uitgelezen.

V: is dit de enige telefoon die je in gebruik hebt?

A: ja

V: wie is jouw chatcontact [naam] ?

A: gewoon een meisje van [woonplaats] waar ik mee bezig was.

U houdt mij voor dat ik op 2-5-2014 omstreeks 9:49:39 met mijn mobiele telefoon, een Blackberry Bold, aan [naam] een Whatsapp bericht het gestuurd met de tekst: “Of ja ik trapte m een keer meer niet” en omstreeks 9:57:35 “Ik zeg ik met 3 andere ik gaf m een trap omdat ie grote bek had”.

Ik heb inderdaad een trap gegeven. Ik trapte de jongen tegen zijn benen en daarna sloeg [medeverdachte 1] hem tegen het hoofd.

12. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 5 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [verdachte]13:

In de nacht van 1 mei 2014 op 2 mei 2014 stonden we met een paar man in Gulpen voor de Galouppe. Er kwam een jongen langs. Hij keek een beetje dom en was een beetje dronken. We hadden allemaal wat gedronken. Ik heb die jongen in een andere richting geduwd van [medeverdachte 1] vandaan. Toen kreeg die jongen een klap. Hij liep een klein stukje door. Hij draaide zich om en begon dom te lachen. Hij zei iets van: is dat alles of zo. Die jongen kreeg de eerste klap van [medeverdachte 1] . Er was nog een jongen bij die andere jongen die nu in het ziekenhuis ligt. Die andere jongen zei nog: loop door want het komt niet goed zo. Toen is er nog een tweede klap gekomen. Dat was nadat die jongen aan het lachen was. Hij heeft die tweede klap van [medeverdachte 1] gekregen. Ik zag dat die klap in het gezicht van die jongen was. Ik zag dat die jongen viel. Toen zijn we omgedraaid. We liepen terug naar de Galouppe.

We waren met zijn vieren. Dat wil zeggen, ik was met [medeverdachte 1] (ik weet zijn achternaam niet, iets van [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ).

13. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 6 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [verdachte]14:

Mijn telefoonnummer is [06] .

14. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 13 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [verdachte]15:

Ik heb de jongen die nu in het ziekenhuis ligt weggeduwd. Ik duwde zodanig tegen deze jongen dat hij op zij ging. Ik maakte een slaande beweging in de richting van deze jongen. Hierna sloeg [medeverdachte 1] naar de jongen en raakte hem.

15. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 5 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [medeverdachte 3]16:

Op 02 mei 2014 omstreeks 01.30 uur was ik in Gulpen, in de gemeente Gulpen-Wittem, bij de Galoupe (het hof begrijpt: Galouppe). Ik was daar met enkele vrienden. Op een gegeven moment zijn we naar buiten gegaan want we wilden naar huis. We waren buiten aan het wachten op een auto. Er kwam vervolgens een jongen aangelopen met een vriend erbij. Ik zag dat die twee jongens ons passeerden in de bocht. Ik hoorde de jongen die bij het slachtoffer was zeggen:” kom loop door”. Ik zag dat mijn vriend de jongen een zetje gaf. Ik heb vervolgens die jongen een tik gegeven en toen was die jongen aan het lachen. Toen heeft die andere vriend van mij die jongen een tik verkocht. Volgens mij was die jongen na die tik bewusteloos en viel om en viel tegen een vensterbank aan. Die jongen bleef op de grond bleef liggen. Toen dacht ik dat die jongen bewusteloos was. Ik ben toen weggelopen en de anderen zijn ook weggelopen. Toen kwam het vervoer en zijn we naar huis gegaan.

Ik ben omstreeks 21.30 uur op 01 mei 2014 naar de Galoupe gegaan, met de auto van een vriend [getuige 2] . Die moest [functie] . In de auto zaten ik, [getuige 2] en [medeverdachte 2] . Ik ging met [getuige 2] naar huis.

De vriend die de jongen een zetje gaf is [verdachte] . Toen die jongen kwam stond hij voor [verdachte] . [verdachte] gaf hem een zetje. Met zetje bedoel ik duwtje.

Ik heb die jongen een tik op het gezicht gegeven met mijn vuist.

Toen [medeverdachte 1] die jongen een tik verkocht, zag ik dat die jongen door die klap viel. Toen hoorde ik een hard geluid. Eerst hoorde ik een raam trillen en daarna een harde klap.

16. Het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 3 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [getuige 2]17:

Ik ben al een aantal jaren [functie] in Gulpen. In de nacht van 1 op 2 mei (het hof begrijpt: 2014) heb ik als [functie] gewerkt.

In de Looierstraat zag ik iemand op de grond liggen. Ik ben vervolgens weer terug gelopen naar de ingang van de Galouppe, dat is om de hoek bij de Looierstraat. Bij de ingang zag ik toen een aantal jongens staan die ik al langer ken en waarvan ik weet dat ze uit [woonplaats] komen. Zij gedroegen zich op dat moment best opgewonden. Ik vroeg hun of zij ook gezien hadden wat er om de hoek gebeurd was. Ik hoorde hun toen zeggen dat zij die jongen die op de grond lag neergeslagen hadden omdat hij een grote mond had gehad. De jongens waar ik op dat moment mee sprak zijn [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] .

17. Het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 8 mei 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [getuige 2]18:

Ik ben op 1 mei 2014, omstreeks 21.45 uur thuis vertrokken. Ik ben die avond eerst naar [woonplaats] gereden en heb daar twee mensen opgepikt die mee zijn gereden naar Gulpen, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Ik heb de jongens in de nabijheid van de discotheek De Galouppe te Gulpen afgezet.

Ik heb de hele avond in [functie] . Omstreeks 01.15 uur op 2 mei

2014 ben ik met een andere vriend naar mijn auto gelopen die geparkeerd stond op de Looierstraat. Ik ben later weer richting de discotheek aan de Dorpsstraat gelopen. Ik zag dat een jongen op de grond lag. Ik hoorde van omstanders dat de ambulance onderweg was. Ik ben toen in de richting van de Galouppe gelopen. Toen ik op de Dorpsstraat was kwam ik [medeverdachte 3] , [verdachte] en [naam] en [medeverdachte 2] tegen. Zij vroegen toen hoe laat dat we naar huis gingen. [verdachte] heeft nog gezegd: “We moeten snel weg want ze zoeken ons.” Ik, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn toen in de auto gaan zitten en naar [woonplaats] gereden.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben in de auto verteld dat de jongen die op straat lag praatjes had. Ik heb toen gevraagd wie er had geslagen. [medeverdachte 2] zei toen dat hij had geslagen en dat [verdachte] had geslagen en dat deze daarom ook zo snel weg ging. [medeverdachte 3] zei ook dat [verdachte] had geslagen.

Twee dagen erna, ik denk op zaterdag, kreeg ik van [medeverdachte 3] via Whatsapp het bericht dat [verdachte] had geslagen. [medeverdachte 3] heeft in de auto en bij mij thuis niet verteld dat hij geslagen had. Later heeft hij dat wel via Whatsapp aangegeven.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden gezegd dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld. Erkend wordt dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] een duw heeft gegeven. Met deze duw beoogde verdachte evenwel een confrontatie te voorkomen. Het gaat niet om een handeling van voldoende gewicht en een wezenlijke bijdrage aan de uiteindelijke, latere confrontatie. Ook de slaande beweging dan wel het zetje door verdachte had geen agressieve lading of betekenis. Volgens de verdediging kan gezegd worden dat er twee confrontaties zijn geweest en mag verdachte in geen van beide confrontaties als belager van [slachtoffer] worden aangemerkt.

Ten aanzien van de Whatsapp berichten die verdachte heeft uitgewisseld met [medeverdachte 1] en waarin verdachte aangeeft dat hij het slachtoffer een stoot heeft gegeven, verklaart de verdachte als volgt. Hij heeft het slachtoffer niet geslagen en dit bericht enkel aan [medeverdachte 1] gestuurd om hem te steunen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs. [medeverdachte 1] heeft volgens de verdediging wisselend verklaard over de rol van verdachte en verkeerde in de nacht van 1 op 2 mei 2014 onder invloed van alcohol.

Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 2] heeft de verdediging aangevoerd dat ook hij de bewuste nacht onder invloed van alcohol was en bovendien verdovende middelen had gebruikt, hetgeen invloed heeft gehad op zijn waarnemingsvermogen. Voorts zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] geen vrienden. Tot slot is volgens de raadsman ook de verklaring van [vriend slachtoffer] niet betrouwbaar.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [vriend slachtoffer] , zoals die zijn afgelegd bij de politie, voldoende betrouwbaar en bezigt deze tot het bewijs. De verklaringen zijn kort na 2 mei 2014 afgelegd en stemmen in de kern overeen. Weliswaar zijn op detailniveau verschillen aan te wijzen, maar dat is gebruikelijk bij verklaringen omtrent openlijk geweld. Het gaat daarbij doorgaans om een onoverzichtelijke situatie waarbij meerdere personen betrokken zijn en iedere persoon een eigen waarneming heeft en een eigen herinnering aan het gebeuren. De omstandigheid dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onder invloed waren van alcohol en/of drugs maakt niet dat hun verklaringen niet gebezigd kunnen worden tot het bewijs.

Het hof betrekt bij zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [vriend slachtoffer] de omstandigheid dat die verklaringen niet alleen steun vinden in elkaar, maar ook worden ondersteund door ander bewijs, te weten de Whatsapp berichten en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , zoals die hierboven bij de bewijsmiddelen zijn weergegeven.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer] . Hij voegt daaraan toe dat [verdachte] in een Whatsapp bericht heeft geschreven dat hij inderdaad heeft geslagen. De verklaring van verdachte dat hij dat bericht enkel heeft gestuurd om [medeverdachte 1] te steunen acht het hof niet geloofwaardig, gelet op de hierboven gebezigde bewijsmiddelen. Zo verklaart [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] het slachtoffer hebben geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige 1] , die zegt dat [medeverdachte 1] en twee andere jongens het slachtoffer sloegen. Dit is ook waargenomen door de vriend van het slachtoffer, [vriend slachtoffer] , die drie personen zag slaan. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel de verklaring van [getuige 2] , inhoudende dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de auto naar huis hebben verteld dat [verdachte] heeft geslagen. Ook verdachte zelf heeft verklaard dat hij een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het openlijke geweld tegen [slachtoffer] . Het standpunt van verdachte dat hij enkel een duw heeft gegeven om een confrontatie te voorkomen vindt geen steun in het door de hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals hierboven weergegeven.

Uit die bewijsmiddelen volgt juist dat de houding van verdachte uitdagend was en dat hij aan het begin van het incident een woordenwisseling heeft gehad met het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer geduwd, heeft in diens richting een slaande beweging gemaakt en heeft hem een stoot gegeven. Tevens is hij met de anderen het slachtoffer achterna gelopen.

Het standpunt van de verdediging dat in feite sprake is van twee confrontaties volgt het hof niet. Uit de verklaringen van de diverse betrokkenen, zoals hierboven bij de bewijsmiddelen weergegeven, blijkt dat sprake is geweest van één doorlopende gebeurtenis. Een knip, zoals door de verdediging verondersteld, is daarin naar het oordeel van het hof niet aan te brengen. De groep bestaande uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft zich gedurende het hele incident – ook tijdens de verplaatsing van de hoek van de Dorpsstraat over de Looierstraat – om en nabij het slachtoffer bevonden waarbij zij om beurten op verschillende wijze geweld hebben uitgeoefend tegen het slachtoffer. In dit kader haalt het hof de verklaring van [vriend slachtoffer] aan, die beschrijft dat [slachtoffer] zich probeerde te onttrekken aan zijn belagers door weg te lopen, maar dat dat niet lukte omdat de jongens achter hem aan bleven komen.

De verklaringen die in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd en ook de vierde verklaring die [medeverdachte 1] op 8 mei 2014 bij de politie heeft afgelegd, bezigt het hof niet tot het bewijs. De verweren daaromtrent behoeven om die reden geen nadere bespreking.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan hem een taakstraf zal worden opgelegd. Daarbij heeft de raadsman in het bijzonder aandacht gevraagd voor de impact van deze strafzaak op het leven van de verdachte.

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank opgelegde straf en de door de rechtbank gegeven strafmotivering. Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen over overweegt het hof omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf nog als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het bewezen verklaarde houdt in dat verdachte betrokken is geweest bij een openlijke geweldpleging. Het gaat hier om geweld in het uitgaansleven, gepleegd tijdens de nachtelijke uren in het publieke domein, waardoor de openbare orde is verstoord en maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid zijn veroorzaakt. Van die maatschappelijke onrust blijkt wel uit de grote aandacht die deze strafzaak in de media heeft gekregen.

Door verdachte is tegen het slachtoffer relatief licht geweld toegepast. Een mededader heeft een flinke slag met de vuist uitgedeeld, waardoor het slachtoffer op zeer ongelukkige wijze ten val is gekomen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij – evenals de medeverdachten – is weggelopen zonder zich te bekommeren om het slachtoffer dat bewusteloos op de grond lag. Het slachtoffer heeft ernstig hersenletsel opgelopen met, naar het zich thans laat aanzien, blijvende gevolgen. Uit de slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het op 2 mei 2014 uitgeoefende geweld tot op de dag van vandaag ingrijpende gevolgen heeft voor het slachtoffer en zijn naasten, zowel fysieke en psychische als ook financiële gevolgen. Overigens geeft het hof zich bij de straftoemeting rekenschap van de omstandigheid dat verdachte niet de vuistslag heeft uitgedeeld waardoor het slachtoffer is gevallen en dat de strafverzwarende omstandigheid van het tweede lid van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht niet aan de orde is.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof bij de straftoemeting in het bijzonder gelet op:

 de inhoud van het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 januari 2016, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld door de strafrechter;

 de inhoud van de door de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdreclassering omtrent verdachte opgestelde rapporten, waarin wordt geadviseerd een werkstraf op te leggen;

 de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles overziend acht het hof de oplegging van een werkstraf van 60 uren passend en geboden. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op de werkstraf in mindering worden gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 98.443,85, waaronder een voorschot van

€ 25.000,- ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 6.413,- ter zake van kosten van rechtsbijstand. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 33.978,85. Voorts is een proceskostenvergoeding toegewezen tot een bedrag van

€ 1.302,75. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte en de groep waarvan hij deel uitmaakte rechtstreeks schade heeft geleden en dat verdachte tezamen met de mededaders tot vergoeding van die schade is gehouden.

Op grond van artikel 6:166 BW zijn verdachte en zijn mededaders naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Door de verdediging is betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat aan de verdachte niet de strafverzwarende omstandigheid van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel ten laste is gelegd. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. In het tweede lid van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, waarop het verweer betrekking heeft, zijn strafverzwarende omstandigheden opgenomen die betrekking hebben op de maximum hoogte van de op te leggen straf. Het betreft niet de omschrijving van een ander delict. De strafverzwarende omstandigheden hebben volgens de jurisprudentie slechts betrekking op de dader van wie vast komt te staan dat het door hem gepleegde geweld de in het tweede lid omschreven gevolgen heeft gehad, hetgeen gevolgen heeft voor de wijze van tenlasteleggen. Dat laat evenwel onverlet dat op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek tot een groep behorende personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het door de groep gepleegde geweld. Daarbij is het niet nodig dat een individu uit de groep zelf schade heeft veroorzaakt om daarvoor in civielrechtelijke zin aangesproken te kunnen worden. De regeling van artikel 6:166 BW beoogt buiten twijfel te stellen dat een deelnemer aan onrechtmatige gedragingen in groepsverband zich niet aan aansprakelijkheid voor de daaruit geresulteerde schade kan onttrekken met het causaliteitsverweer dat de schade ook zonder zijn deelneming zou zijn ontstaan.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte zodanig heeft bijgedragen aan het door de groep gepleegde geweld dat hij mede aansprakelijk is voor de ontstane schade.

Op basis van de stukken in het dossier staat voor het hof voldoende vast dat de benadeelde partij [slachtoffer] ten gevolge van een door [medeverdachte 1] gegeven klap is gevallen en dat hij door die val ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Op 3 mei 2014 meldde een arts dat sprake was van verscheidene bloedingen in de hersenen, gebieden van hersenkneuzing en een breuk in de schedelbasis. De klap van [medeverdachte 1] is het sluitstuk van het door de groep gepleegd geweld, dat begon met een woordenwisseling, overging in duwen en vervolgens in trappen en slaan en het maken van slaande bewegingen. Dergelijk geweld van een groep tegen een ander brengt de kans met zich mee dat aan die ander letsel wordt toegebracht omdat een geweldpleger zich gesterkt voelt door de andere geweldplegers uit de groep en er gemakkelijk een escalatie optreedt.

Een klap waardoor iemand ongelukkig ten val komt en het bewustzijn verliest behoort dan tot de redelijkerwijze te verwachten mogelijkheden. Naar het oordeel van het hof gaat het niet om een wijze van toebrenging van schade die zozeer de lijn van het groepsoptreden te buiten gaat, dat de andere leden van de groep met het gevaar daarvoor in redelijkheid geen rekening hoefden te houden. De kans op toebrenging van (ernstig) letsel had verdachte behoren te weerhouden van zijn gedrag en van deelname aan het door de groep gepleegde geweld. Verdachte heeft evenwel van het begin tot het einde deel uitgemaakt van de groep en heeft aan het geweld bijgedragen door [slachtoffer] te duwen en te slaan. Nu verdachte heeft meegedaan, kan het ontstaan van de schade hem worden toegerekend en is hij samen met de andere leden van de groep gehouden de veroorzaakte schade te vergoeden.

Het door de verdediging aangehaalde tweede lid van artikel 6:166 BW heeft geen betrekking op de mate van aansprakelijkheid jegens het slachtoffer, maar regelt de onderlinge verhouding tussen de groepsleden en de mogelijkheid van regres jegens elkaar. Artikel 6:166 BW speelt geen rol bij de vragen die thans aan het hof voorliggen.

Naar het oordeel van het hof is, anders dan de verdediging bepleit, de civielrechtelijke vordering niet dusdanig complex, dat deze in haar geheel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Delen van de vordering lenen zich wel degelijk voor een behandeling in het strafproces. Hierbij gaat het naar het oordeel van het hof om de navolgende schadeposten.

De benadeelde partij heeft verzocht bij wijze van voorschot een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade toe te kennen. Dit gedeelte van de vordering is onderbouwd met medische stukken, die deel uitmaken van het dossier. Uit die stukken blijkt dat sprake is van ernstig hersenletsel. De benadeelde is met ambulance naar het ziekenhuis vervoerd in een bewusteloze toestand, heeft meerdere operaties ondergaan en is verzorgd op de intensive care. Na de ziekenhuisopname volgde een opname in een revalidatiekliniek. Uit medische informatie d.d. 25 juni 2014 blijkt dat sprake was van forse cognitieve stoornissen en beperkte communicatie enkel in klanken met zeer beperkt taalbegrip. In een brief d.d.

10 maart 2016 meldt de huisarts dat de benadeelde rest schade blijft overhouden, te weten een spraakstoornis, epilepsie en cognitieve stoornissen. Ter terechtzitting in hoger beroep is aan de orde gekomen dat de spraakstoornis de benadeelde dagelijks hindert in de omgang met anderen, terwijl hij door deze beperking en de cognitieve beperking niet in staat is de opleiding te volgen die hij voor ogen had. De benadeelde is aangewezen op een opleiding voor mensen met beperkingen. Ook in de beroepskeuze zal de benadeelde ernstig worden belemmerd door het opgelopen letsel. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof sprake van een aanzienlijke mate van immateriële schade. De precieze omvang daarvan kan thans niet worden vastgesteld. Het hof acht het, gelet op de vergoedingen die zijn toegekend aan slachtoffers met vergelijkbaar letsel zoals daarvan blijkt uit het Smartengeldboek van de ANWB, redelijk ter zake een voorschot toe te kennen van

€ 25.000,-.

Wat betreft de materiële schade overweegt het hof als volgt. De verdachte is opgenomen geweest in het ziekenhuis en een revalidatiekliniek. Om die reden is de vergoeding ter zake ziekenhuis daggeldvergoeding van € 1.260,- en revalidatie daggeldvergoeding van € 1.316,- redelijkerwijze toewijsbaar.

Ook acht het hof de vordering ter zake van medische kosten (eigen risico 2014 en 2015) van in totaal € 735,-, de kosten van aanschaf van een iPad van € 573,99, de kosten van boeken over niet aangeboren hersenletsel van € 39,38, de reiskosten van € 3.454,48 en de kosten van aanvullende rijlessen van € 200,- naar redelijkheid toewijsbaar. De betreffende schadeposten zijn naar het oordeel van het hof afdoende onderbouwd. De omstandigheid dat een deel van de betreffende kosten niet zijn voldaan door de benadeelde zelf maar door zijn ouders staat de toekenning ervan niet in de weg, nu het gaat om verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 BW.

Wat betreft de vordering verlies aan arbeidsvermogen in verband met de werkzaamheden van de benadeelde in [café] acht het hof het redelijk om overeenkomstig de beslissing van de rechtbank een voorschot toe te kennen van € 1.400,-. Uit de stukken in het dossier volgt dat in ieder geval voor dat bedrag sprake is van verlies aan verdienvermogen.

In totaal zal het hof op basis van het bovenstaande ter zake van materiële schade een voorschot toekennen van € 8.978,85.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat de behandeling van het overige gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Op dit moment is nog geen sprake van een medische eindtoestand.

Ook is niet bekend of de benadeelde partij, gelet op zijn beperkingen, in staat zal zijn om de studie die hij nu heeft gekozen met succes af te ronden en in welke mate hij in staat zal zijn betaalde arbeid te verrichten. Het overige gedeelte van de schadevergoedingsvordering is om die reden voor het hof thans onvoldoende inzichtelijk. Het strafgeding leent zich niet om een en ander nader uit te diepen. Een belangrijk doel van de strafrechtspleging is immers dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan, temeer nu het gaat om een jeugdige verdachte. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige niet in haar vordering worden ontvangen en kan haar vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Van de vordering van de benadeelde partij maakt deel uit een vordering ter zake van kosten rechtsbijstand ter hoogte van € 6.413,-. Evenals de rechtbank zal het hof aan de benadeelde partij een vergoeding voor proceskosten toekennen op basis van het liquidatietarief, hetgeen gebruikelijk is in dit soort procedures. Met de rechtbank begroot het hof de kosten van de procedure in eerste aanleg op € 1.302,75. In hoger beroep heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak niet gelijktijdig met de behandeling van de strafzaak tegen de medeverdachten plaatsgevonden. Het hof kent aan de werkzaamheden van de advocaat van de benadeelde partij in hoger beroep 2 punten toe, waarbij ieder punt wordt gewaardeerd op € 1.158,-. De proceskosten in hoger beroep worden derhalve begroot op € 2.316,-. In totaal zal aan de benadeelde partij een proceskostenvergoeding worden toegekend van € 3.618,75.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte was op de pleegdatum 16 jaar oud. Gelet op zijn jeugdige leeftijd zal het hof het aantal dagen vervangende jeugddetentie - voor de situatie dat niet tot betaling wordt overgegaan - bepalen op 30 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77l, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot een voorschot ter hoogte van het bedrag van € 33.978,85 (drieëndertigduizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 8.978,85 (achtduizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 3.618,75 (drieduizend zeshonderdachttien euro en vijfenzeventig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde bij wijze van voorschot een bedrag te betalen van € 33.978,85 (drieëndertigduizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 8.978,85 (achtduizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en

€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. E.N. van der Spoel, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 25 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.N. van der Spoel en mr. F.C.J.E. Meeuwis zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de Politie Eenheid Limburg, Leiding District Maastricht, proces-verbaalnummer 2014049030, gesloten op 2 juni 2014 en op ambtseed opgemaakt door [naam] , brigadier van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde dossierpagina's 1-452.

2 Dossierpagina’s 281-282.

3 Dossierpagina’s 286-289.

4 Dossierpagina 285.

5 Dossierpagina’s 81-89.

6 Dossierpagina’s 405-410.

7 Dossierpagina’s 422-425.

8 Dossierpagina’s 48-51.

9 Dossierpagina’s 57-61.

10 Dossierpagina’s 213-215.

11 Dossierpagina’s 216-223.

12 Dossierpagina’s 228-236.

13 Dossierpagina’s 100-102.

14 Dossierpagina 106.

15 Dossierpagina’s 133-136.

16 Dossierpagina’s 165-174.

17 Dossierpagina’s 322-323.

18 Dossierpagina’s 392-397.