Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1105

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
20-003165-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:11521, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fraude met gemeenschapsgeld. Valsheid in geschrift en oplichting door gemeenteambtenaar. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-003165-14

Uitspraak: 11 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg

van 14 oktober 2014 in de strafzaak met het parketnummer 04-801149-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het ingestelde hoger beroep niet mede is gericht tegen de beslissing van de rechtbank van 14 oktober 2014 op de eveneens onder het parketnummer 04-801149-14 aanhangig gemaakte vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

Door de verdediging is uitsluitend een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 1) en oplichting, meermalen gepleegd (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft zich bij deze strafoplegging aangesloten.

Door de verdediging is bepleit dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van aanzienlijke duur zal worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, zoals onder meer blijkt uit de hoogte van het frauduleus door haar verkregen financiële voordeel, op zichzelf rechtvaardigt dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof zal daartoe echter niet overgaan en overweegt in dit verband allereerst dat het op grond van het onderzoek ter terechtzitting ervan overtuigd is geraakt dat oplegging van

een vrijheidsbenemende straf niet noodzakelijk is om de verdachte het laakbare van haar handelwijze te doen inzien.

Daarnaast houdt het hof bij de straftoemeting in het bijzonder rekening met het gegeven dat inmiddels geruime tijd is verstreken nadat de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden. Het hof merkt in dit verband op dat dat de verdachte in die tijd werk heeft gevonden bij een andere werkgever, met wie zij inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur heeft, waardoor het voor haar mogelijk is om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar gezin, terwijl daarnaast via het gelegde loonbeslag voldaan wordt aan de terugbetalingsverplichting van het frauduleus verkregen geldbedrag aan de gemeente [gemeente] . Het hof acht aannemelijk, zoals door de verdediging betoogd, dat de verdachte haar huidige baan zal kwijtraken wanneer zij een vrijheidsstraf zal moeten ondergaan. Het hof acht dat onwenselijk. Niet alleen omdat daardoor niet slechts de verdachte, maar met name ook de personen die tot haar gezin behoren de gevolgen zullen ondervinden van haar frauduleuze handelen, maar bovenal omdat de verdachte gedurende de tijd dat zij gedetineerd zal zijn niet in staat moet worden geacht om te voldoen aan haar terugbetalingsverplichting van gemeenschapsgeld. Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat het heeft geconstateerd dat in deze zaak sprake is van niet verklaarbare tijdspannen tussen begin december 2012, toen de verdachte enkele malen door de politie werd verhoord en zij in die verhoren volledige openheid van zaken heeft gegeven, en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van de rechtbank van 5 september 2014 respectievelijk tussen het instellen van het hoger beroep op 16 oktober 2014 en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van het hof op 26 februari 2016.

Weliswaar leidt dit tijdsverloop niet tot de slotsom dat sprake is van schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, maar dit tijdsverloop draagt naar het oordeel van het hof wel bij aan de zodanig onevenredig zware gevolgen die het opleggen van een vrijheidsbenemende straf thans met zich zal brengen, dat daarvan wordt afgezien.

In de plaats daarvan zal het hof aan de verdachte een taakstraf opleggen met de volgens de wet maximaal mogelijke duur van 240 uren. Daarnaast zal het hof aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van de hierna te vermelden duur. Het hof beoogt

met oplegging van deze voorwaardelijke straf enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 11 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.M. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.