Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:11

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
21-01-2016
Zaaknummer
15/00842
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2431, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2438
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft recht op een passende rentevergoeding (Irimie-rente) over de teruggaaf BPM, nu deze teruggaaf voortvloeit uit strijd met het Unierecht. De rente moet worden vergoed over de periode tussen de datum van de onverschuldigde betaling van belasting en de datum van terugbetaling van deze belasting. De door de Inspecteur naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank uitbetaalde rentevergoeding voldoet hier niet aan, omdat de rente is vastgesteld en berekend bij beschikking van 8 mei 2015 maar pas is uitbetaald op 10 juni 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/169
FutD 2016-0235
NTFR 2016/805 met annotatie van mr. M. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00842

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 15 april 2015, nummer AWB 12/970, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aangifte en naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 5 april 2011 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met een in het buitenlands geregistreerde auto van het merk [automerk] , type [type] , identificatienummer [nummer] (hierna: de auto), en de uitvoer van die auto. Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 10.535 en een teruggaaf BPM van € 11.718, per saldo een teruggaaf van € 1.183.

1.2.

De Inspecteur heeft de aangifte niet geaccepteerd en heeft bij brief van 11 april 2011 een naheffingsaanslag opgelegd, waarbij de verschuldigde BPM is berekend op € 9.747. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur bij beschikking het bedrag van de teruggaaf BPM bepaald op € 8.892. Per saldo was daardoor een bedrag verschuldigd van € 855. Dit bedrag is op 11 april 2011 betaald.

1.3.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken van 31 januari 2012 de verschuldigde BPM vastgesteld op € 9.571 en de teruggaaf BPM op € 8.732, per saldo derhalve een te betalen bedrag van € 839. Voorts is een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 218.

1.4.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 156. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, behoudens de beslissing tot vergoeding van de kosten van bezwaar, de naheffingsaanslag en de teruggaafbeschikking vernietigd, bepaald dat belanghebbende geen BPM is verschuldigd en geen recht heeft op teruggaaf van BPM ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met de auto in 2011, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 985 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 156 aan deze vergoedt.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 november 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van mevrouw [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] , [D] en [E] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is ingezetene van Nederland en heeft voor de periode van 1 april 2011 tot en met 30 juni 2011 een in Duitsland geregistreerde auto gehuurd. De aangifte en het teruggaafverzoek zijn ingediend door middel van het formulier “Aangifte bpm/Verzoek teruggaaf bpm Bij het huren of leasen van een motorrijtuig met een buitenlands kenteken”.

2.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen deugdelijke wettelijke heffingsgrondslag bestaat voor de heffing van BPM. Wetgeving die een deugdelijke grondslag mist, kan volgens de Rechtbank niet “gerepareerd” worden door de Staatssecretaris van Financiën door in de uitvoeringssfeer te bepalen dat de ondeugdelijke elementen van de wet feitelijk buiten toepassing kunnen blijven. Daarom is belanghebbende geen BPM verschuldigd ter zake van (de aanvang van) het gebruik van de weg in Nederland met de auto. De Rechtbank heeft vervolgens de naheffingsaanslag en de teruggaafbeschikking vernietigd en heeft bepaald dat belanghebbende geen BPM is verschuldigd en geen recht heeft op teruggaaf BPM ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met de auto in 2011.

2.3.

Ter uitvoering van de uitspraak van de Rechtbank heeft de Inspecteur op 8 mei 2015 een teruggaafbeschikking gegeven, waarbij de terug te geven BPM op € 855 is vastgesteld onder vergoeding van belastingrente vanaf 12 april 2011, vastgesteld op € 111. Per gelijke datum is een afschrift van die uitspraak aan de gemachtigde van belanghebbende gestuurd. De uitbetaling van het totaalbedrag van € 966 heeft eerst op 10 juni 2015 plaatsgevonden.

2.4.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 2 juni 2015 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Na het onderzoek ter zitting van het Hof is tussen partijen nog in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard te worden?

2. Heeft de Rechtbank ten onrechte niet beslist op het verzoek om een adequate rentevergoeding?

3. Heeft de Inspecteur een adequate rentevergoeding over de teruggaaf BPM betaald?

Belanghebbende is van mening dat de vragen 1 en 3 ontkennend moeten worden beantwoord en vraag 2 bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan het volgende toegevoegd.

Inspecteur:

De uit de teruggaafbeschikking van 8 mei 2015 voortvloeiende teruggaaf BPM en rente van in totaal € 966 is uitbetaald op 10 juni 2015.

Gemachtigde van belanghebbende:

- De brief waarbij de Inspecteur een afschrift van de teruggaafbeschikking aan mij als gemachtigde heeft gestuurd, heb ik niet ontvangen of het is aan mijn aandacht ontsnapt.

- Vaststaat dat de uitspraak van de Rechtbank onjuist is, doordat niet is beslist op mijn verzoek om vergoeding van Irimie-rente. Daarom heb ik terecht hoger beroep ingesteld.

- De uitbetaling heeft plaatsgevonden eerst nadat ik hoger beroep had ingesteld. Voorts is het nog maar de vraag of het een adequate rentevergoeding betreft.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarbij geen adequate rentevergoeding is toegekend en tot toekenning van een adequate rentevergoeding over de teruggaaf BPM vanaf 12 april 2011 tot de dag van uitbetaling. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot niet‑ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 15 april 2015 beslist dat belanghebbende geen BPM is verschuldigd en geen recht heeft op teruggaaf van BPM ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg met de auto in 2011. De Inspecteur heeft zich bij dit oordeel neergelegd en heeft op 8 mei 2015 een teruggaafbeschikking gegeven teneinde de op 11 april 2011 reeds betaalde BPM van € 855 terug te geven. De Inspecteur heeft hierbij een rentevergoeding vastgesteld van € 111.

4.2.

Belanghebbende heeft op 2 juni 2015 hoger beroep ingesteld, met de grief dat de Rechtbank ten onrechte geen adequate rentevergoeding heeft vastgesteld. De vraag komt op of het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu ten tijde van het instellen van het hoger beroep de Inspecteur reeds de teruggaafbeschikking had genomen, waarbij een rentevergoeding is vastgesteld. Indien vast zou komen te staan dat ten tijde van het instellen van het hoger beroep reeds een adequate rentevergoeding is vergoed, kan het hoger beroep niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden, zodat het hoger beroep dan niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.3.

De Inspecteur heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat, hoewel de teruggaafbeschikking op 8 mei 2015 is genomen, de uitbetaling van de teruggaaf BPM en de rentevergoeding pas op 10 juni 2015 is geschied, derhalve ná het indienen van het hoger beroep. De ter zitting opgekomen vraag of gemachtigde het afschrift van de teruggaafbeschikking heeft ontvangen, is dan niet meer van belang. Belanghebbende kan derhalve worden ontvangen in zijn hoger beroep.

4.4.

Vervolgens komt de vraag op of het belang hangende de procedure in hoger beroep is komen te ontvallen, meer in het bijzonder of het op 10 juni 2015 uitbetaalde bedrag aan rente, een adequate rentevergoeding is als bedoeld in het arrest Mariana Irimie (HvJ 18 april 2013, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250). Uit rechtsoverweging 28 van dit arrest volgt dat een adequate rente moet worden vergoed over de periode tussen de datum van de onverschuldigde betaling van belasting en de datum van terugbetaling van deze belasting.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat van een adequate rentevergoeding als bedoeld in het arrest Mariana Irimie geen sprake is, reeds omdat de rentevergoeding is berekend over de periode vanaf 12 april 2011 tot op of omstreeks 8 mei 2015. Het Hof acht niet aannemelijk dat in de teruggaafbeschikking van 8 mei 2015 de rente is berekend, uitgaande van een datum van uitbetaling van 10 juni 2015.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk is. Vraag 1 dient derhalve ontkennend te worden beantwoord. Vraag 2 dient bevestigend te worden beantwoord, nu vaststaat dat belanghebbende had verzocht om toekenning van een adequate rentevergoeding en de Rechtbank daar geen beslissing op heeft gegeven. Vraag 3 dient, gelet op het overwogene in 4.5, ontkennend te worden beantwoord.

4.7.

Nu de Rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op het verzoek om toekenning van een adequate rentevergoeding en de Inspecteur geen adequate rentevergoeding heeft uitbetaald, zal het Hof de adequate rentevergoeding vaststellen. Inmiddels heeft de wetgever de Nederlandse renteregeling aangepast aan het Unierecht. Per 1 januari 2015 regelt artikel 28c van de Invorderingswet 1990 de berekening van de rentevergoeding. Dat artikel heeft onmiddellijke werking, ook voor de renteperiode die, zoals hier aan de orde, gelegen is vóór 1 januari 2015. De krachtens artikel 28c van de Invorderingswet 1990 geldende rente en de methode van berekening voldoen naar het oordeel van het Hof eveneens aan de uitgangspunten neergelegd in het arrest Mariana Irimie. Aan belanghebbende dient derhalve rente te worden vergoed over het gehele bedrag van de teruggaaf van € 855, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling van de onverschuldigde BPM en eindigend op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling.

4.8.

Het Hof merkt nog op dat het reeds uitbetaalde bedrag aan rente in mindering mag worden gebracht op het uit hoofde van deze uitspraak aan belanghebbende te betalen rentevergoeding.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd zoals hierna bepaald.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 248 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten hoger beroep

4.11.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.12.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt; tarief 2016) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 248. Het Hof gaat uit van een wegingsfactor van 0,25 omdat in hoger beroep alleen de hoogte van de rentevergoeding speelt.

4.13.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarbij geen adequate rentevergoeding is vastgesteld;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 over het bedrag van de teruggaaf van € 855, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op 12 april 2011 en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 248 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 248.

Aldus gedaan op 7 januari 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.