Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1083

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
200.177.505_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding

pensioenontslagbeding;

uitleg van begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’: AOW leeftijd of pensioendatum in pensioenreglement;

zie ook beschikking van 24 maart 2016 met zaaknummer 200.181.264/01

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 699
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/880
Prg. 2016/127
PJ 2016/73
JAR 2016/112
AR-Updates.nl 2016-0317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.177.505/01

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. H. de Graaf te Amsterdam,

tegen

[nederland b.v.] Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.A.C. Schroeten te Utrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2015 - hersteld met een exploot van 21 september 2015 - ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 september 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, in kort geding gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4370768)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    het herstelexploot;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de brief van mr. De Graaf d.d. 19 januari 2016 met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de eerste aanleg;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellante] is op 1 december 1993 bij de rechtsvoorganger van [geïntimeerde] in dienst getreden. De functie van [appellante] is Integrated Marketing Senior Specialist. Haar salaris bedraagt € 4.157,47 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, exclusief bonus, optieregeling, ziektekostenverzekering en leaseauto. [appellante] is geboren op [geboortedag] juni 1950.

3.1.2.

Artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst van 20 december 2012 luidt als volgt:
“De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst eindigt echter in elk geval van rechtswege bij het bereiken van de op dat moment geldende pensioengerechtigde leeftijd.” (hierna: het pensioenontslagbeding).

In artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [appellante] deelneemt aan de Collectieve Pensioenvoorziening die door [geïntimeerde] is afgesloten.

In artikel 14.1 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de voorwaarden en regelingen zoals vermeld in het Arbeidsreglement [nederland b.v.] Nederland B.V. van toepassing zijn.

In artikel 16.3 van de arbeidsovereenkomst is een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen.

3.1.3.

In artikel 7.1 van het Arbeidsreglement (daterend van juli 2010, hierna: Arbeidsreglement I) dat in december 2012 aan [appellante] ter hand is gesteld, is bepaald: “Pensioenregeling

De werkgever heeft voor haar werknemers een verplichte collectieve pensioenregeling afgesloten. Deze regeling loopt bij [pensioenuitvoerder 1] en geldt als aanvulling op de toekomstige AOW-uitkering. De regeling is van toepassing op iedere werknemer die ouder is dan 21 jaar.

(…)

De pensioengerechtigde leeftijd bij de werkgever is 65 jaar.”.

3.1.4.

[geïntimeerde] heeft per 1 januari 2014 voor een andere pensioenuitvoerder gekozen, namelijk [pensioenuitvoerder 2] . [pensioenuitvoerder 2] is met ingang van 1 januari 2014 een nieuwe pensioenregeling gaan uitvoeren in verband met fiscale wijzigingen. Het Arbeidsreglement I is daaraan aangepast (hierna: Arbeidsreglement II). In artikel 7.1 van het Arbeidsreglement II is het volgende bepaald:

“Pensioenregeling

De werkgever heeft voor haar werknemers een verplichte collectieve pensioenregeling afgesloten. De pensioenregeling is een beschikbare premieregeling. Dat wil zeggen (…)

Het pensioenreglement is te vinden op de corporate portal”.

In het pensioenreglement komt het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ niet voor. Wel komt daarin het begrip ‘pensioendatum’ voor. Bij de omschrijving van ‘pensioendatum’ in de begrippenlijst van het pensioenreglement is vermeld:

“Uw pensioendatum is de eerste dag van de maand, waarin u 67 jaar wordt. Op verzoek kunt u uw pensioen eerder of later in laten gaan. Vanaf de eerste dag van de maand waarin u 57 jaar wordt tot uiterlijk vijf jaar na uw AOW leeftijd.”

In artikel 21 lid 1 van het pensioenreglement is vermeld: “Op verzoek kunt u uw pensioen eerder in laten gaan dan vanaf de eerste dag van de maand waarin u 67 jaar wordt. Vanaf de eerste dag van de maand waarin u 57 jaar wordt, kunt u met de waarde van uw beleggingen een levenslang ouderdomspensioen met een meeverzekerd partnerpensioen kopen (…). U dient een verzoek om vervroeging van uw pensioen uiterlijk drie maanden voor de gewenste pensioendatum aan [pensioenuitvoerder 2] door te geven.”.

3.1.5.

[appellante] heeft tevens een brochure met uitleg van de pensioenregeling ontvangen. Daarin is onder meer vermeld:

“De AOW wordt uitgekeerd vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2014 is dit 65 jaar en 2 maanden en dit loopt op naar 67 jaar in 2023). De pensioenregeling van [geïntimeerde] heeft als pensioenrichtleeftijd 67 jaar. Afhankelijk van je persoonlijke keuze en na overleg met de werkgever kan je eerder met pensioen. Echter, ben je van plan dit te doen dan mis je de pensioenopbouw over de laatste jaren.”

Bij de ‘veel gestelde vragen’ is vermeld:

“6. Kan ik ook eerder met pensioen gaan dan op leeftijd 67?

Het is mogelijk dat je ervoor kiest om op eerdere leeftijd met pensioen te gaan. Bedenk je wel dat je dan over de laatste jaren geen pensioenrechten meer opbouwt en dat door de langere uitkeringsduur het pensioen lager zal zijn dan op 67-jarige leeftijd. Pensioenvervroeging dien je uiteraard altijd te bespreken met je direct leidinggevende.”

3.1.6.

In een e-mail van begin 2014 heeft de heer [medewerker 1] , destijds Human Resources Director van [geïntimeerde] , onder meer het volgende medegedeeld:

“Beste collega’s,

Het zal je niet ontgaan zijn dat er binnen de pensioenwetgeving vele veranderingen zijn doorgevoerd en aanstaande zijn. Een belangrijke wijziging betreft bijvoorbeeld het langer doorwerken tot 67 jaar (stijgt overigens mee met de leeftijdsverwachting) en het transparanter maken van de onttrekkingen die plaats vinden op de pensioenpremie.

Deze aanpassingen hebben geleid tot een verplichte aanpassing van het pensioenreglement.

Pensioen Provider

(…)

Informatiesessies

(...)

We zien je graag in één van de twee sessies!”

[appellante] heeft een van de sessies bijgewoond.

3.1.7.

In een e-mail van 1 april 2014 heeft de heer [medewerker 2] onder meer het volgende medegedeeld:

“Beste collega’s,

Ongetwijfeld zijn bij eenieder de wijzigingen in het [geïntimeerde] pensioenreglement en de wisseling van de pensioen provider van [pensioenuitvoerder 1] naar [pensioenuitvoerder 2] niet onopgemerkt gebleven.

(…)

Vragen over jouw pensioen

Nu het pensioenonderwerp zo actueel is, neemt ook het aantal vragen toe. Wij hebben dan ook gekozen voor het volgende supportmodel van [pensioenuitvoerder 2] .

▪ Informatie over je persoonlijke pensioensituatie kun je vinden op je persoonlijke portal van [pensioenuitvoerder 2] . Binnenkort ontvang je je inloggegevens.

▪ Heb je hierna nog vragen? Neem dan rechtstreeks contact op met [pensioenuitvoerder 2] . Voor een uitgebreid advies met een adviseur, kun je een adviesgesprek met [onderneming] aanvragen. Hieraan zijn wel kosten verbonden, die we automatisch inhouden op je salaris. Het staat je uiteraard vrij om een eigen pensioenadviseur in te schakelen.

▪ Binnenkort ontvang je de pensioenbrochure, waarin de nieuwe pensioenregeling in begrijpelijke taal staat omschreven.”

3.1.8.

Op 5 maart 2015 heeft een bilat plaatsgevonden tussen [appellante] en haar leidinggevende, de heer [leidinggevende van appellante] . Tijdens dat gesprek heeft [leidinggevende van appellante] aangegeven dat het een speciaal jaar zou worden voor [appellante] , omdat zij dat jaar met pensioen zou gaan.

3.1.9.

In een overzicht van 4 mei 2015 dat [pensioenuitvoerder 2] aan [appellante] heeft doen toekomen is als pensioendatum voor haar vermeld: “01-06-2017” en als AOW-leeftijd: “67 jaar”.

3.1.10.

Tijdens een bilat op 1 juni 2015 en met een brief van 2 juni 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst zal eindigen op [geboortedag] september 2015 in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. [appellante] heeft bij brief van 18 juni 2015 bezwaar gemaakt, medegedeeld dat zij niet instemt met het einde van haar arbeidsovereenkomst, het ontslag vernietigbaar acht en dat zij de vernietigbaarheid inroept.

3.1.11.

[geïntimeerde] heeft bij brief van 20 juli 2015 de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk opgezegd.

3.2.

[appellante] heeft vervolgens in kort geding, samengevat, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om haar toe te laten tot de arbeid op straffe van een dwangsom en tot doorbetaling van het loon. Daartoe heeft zij, samengevat, gesteld dat haar arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd op [geboortedag] september 2015, omdat het pensioenontslagbeding inhoudt dat zij pas op 67 jarige leeftijd de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken. Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen. [appellante] is tijdig in appel gekomen. Onder aanvoering van negen grieven heeft zij geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Voorts heeft zij wederom geconcludeerd tot tewerkstelling op straffe van een dwangsom en doorbetaling van loon, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.3.

Het hof stelt voorop dat deze procedure een kort geding betreft en dat nog geen uitspraak is gedaan in een bodemprocedure. De vraag of een voorlopige voorziening in kort geding toewijsbaar is, hangt af van de beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van de afweging van de belangen van partijen. Bij die belangenafweging is onder meer van belang hoe ingrijpend het uitblijven van de voorlopige voorziening is voor de eisende partij en het toewijzen van de gevraagde voorziening voor de gedaagde partij. Voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, is in een geding als het onderhavige geen plaats. Reeds daarom gaat het hof voorbij aan de bewijsaanbiedingen van beide partijen. Het hof is van oordeel dat [appellante] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De aard van het geschil brengt dat mee. Het gaat immers om de vraag of [appellante] recht heeft op tewerkstelling en loon en om de daarmee verband houdende pensioenaanspraken. [geïntimeerde] heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.

3.4.

Met grief 1 klaagt [appellante] dat de kantonrechter geen compleet overzicht heeft gegeven van de feiten. Nu het hof zelf de feiten heeft vastgesteld behoeft deze grief geen nadere bespreking. Voor zover daarmee onvoldoende tegemoet is gekomen aan de wensen van [appellante] is het hof van oordeel dat de door haar gestelde feiten niet vaststaan en voor bewijslevering in dit geding geen plaats is, dan wel dat de door haar gestelde feiten niet relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

3.5.

Kern van het geschil is de vraag of het pensioenontslagbeding, zoals weergegeven in r.o. 3.1.2., inhoudt dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de AOW-leeftijd, die voor [appellante] 65 jaar en 3 maanden betreft, of op de leeftijd van 67 jaar. De grieven 2 tot en met 8 hebben daarop betrekking en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.6.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

3.7.

Volgens [geïntimeerde] is met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ bedoeld de AOW leeftijd. Volgens [appellante] is met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ bedoeld de leeftijd waarop zij volgens het pensioenreglement recht heeft op aanvullend ouderdomspensioen.

Geen van partijen heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming van de overeenkomst van 20 december 2012 is gesproken over het pensioenontslagbeding.

Het hof gaat er daarom in dit hoger beroep vanuit dat daarover niet is gesproken.

Het hof leidt uit de bewoordingen waarin het pensioenontslagbeding is gesteld (zie hiervoor r.o. 3.1.2. en met name de passage “de op dat moment geldende pensioengerechtigde leeftijd”) voorshands af dat het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet afhankelijk kon zijn van de wil van één van partijen. Uit de AOW volgt objectief wat de pensioengerechtigde leeftijd is. Daarop is geen invloed mogelijk. In pensioenregelingen is het (ook voordat de AOW leeftijd werd gewijzigd en ongeacht hoe de voorheen bij [geïntimeerde] geldende pensioenregeling luidde) niet ongebruikelijk dat een werknemer wél invloed kan uitoefenen op de ingangsdatum van het aanvullend ouderdomspensioen. Ook is niet ongebruikelijk dat pensioenregelingen worden gewijzigd. Dat alles maakt dat het minder voor de hand ligt dat met de term ‘pensioengerechtigde leeftijd’ in de arbeidsovereenkomst is bedoeld aan te knopen bij hetgeen wordt bepaald in een pensioenregeling. Dat geldt te meer nu in de pensioenregeling het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” niet voorkomt, maar daarin juist wordt uitgegaan van een flexibele pensioendatum (zie de weergave in r.o. 3.1.4). Voorts wordt met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ volgens normaal spraakgebruik de AOW leeftijd bedoeld. Het hof acht het voorshands dus aannemelijk dat in het pensioenontslagbeding met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ werd bedoeld aan te sluiten bij hetgeen in de AOW daarover is bepaald.

3.8.

Volgens [appellante] is sprake geweest van een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst. Daartoe heeft zij gesteld dat de pensioenovereenkomst is gewijzigd. Volgens Arbeidsreglement I gold een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Het Arbeidsreglement I is gewijzigd in Arbeidsreglement II. Dat daarin niet meer is vermeld wat de pensioengerechtigde leeftijd is, is volgens [appellante] niet van belang, want verwezen wordt naar het nieuwe pensioenreglement en daarin is gekozen voor een standaard ingangsdatum van het aanvullend ouderdomspensioen van 67 jaar. De pensioenovereenkomst is onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Nu de pensioenovereenkomst is gewijzigd, levert dat ook een wijziging op van de arbeidsovereenkomst, aldus [appellante] .

3.9.

Het hof kan [appellante] niet volgen in dit betoog. Het in artikel 2.1. van de arbeidsovereenkomst opgenomen begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ is niet gedefinieerd in de pensioenovereenkomst, zodat reeds daarom niet goed valt in te zien dat een wijziging van de pensioenovereenkomst moet leiden tot de conclusie dat door die wijziging het pensioenontslagbeding een andere inhoud heeft gekregen. Voorts moet het [appellante] duidelijk zijn geweest dat de wijzigingen in de pensioenovereenkomst waren ingegeven door de wijziging in de wetgeving met betrekking tot de AOW-gerechtigde leeftijd en fiscaliteiten. Dat de wet op het punt van de AOW-gerechtigde leeftijd is gewijzigd kan [appellante] gelet op de grote mate van publiciteit hierover niet zijn ontgaan, daargelaten dat in de e-mail van [medewerker 1] (r.o. 3.1.6) daaraan uitdrukkelijk wordt gerefereerd. Nu de nieuwe pensioenregeling een algemene, niet op de persoon toegespitste regeling betreft, die tot stand is gekomen naar aanleiding van gewijzigde wetgeving over de pensioengerechtigde leeftijd en die regeling uitdrukkelijk een mogelijkheid voor een eerdere of latere ingangsdatum van het aanvullend ouderdomspensioen toelaat (afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden), kon [appellante] er niet zonder meer vanuit gaan dat deze nieuwe regeling tot gevolg had dat haar arbeidsovereenkomst een andere inhoud had gekregen.

3.10.

Het hof is weliswaar met [appellante] van oordeel dat de pensioenovereenkomst onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst, maar het hof kan [appellante] niet volgen in haar betoog dat een wijziging in de pensioenovereenkomst leidt tot de door haar gestelde wijziging van de arbeidsovereenkomst. Het pensioenreglement is een uitwerking van de pensioenovereenkomst. De pensioenovereenkomst betreft in dit geval slechts één onderdeel van de vele verbintenissen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. Niet valt in te zien waarom een wijziging in dat ene onderdeel van deze arbeidsovereenkomst een cruciale wijziging zou kunnen brengen in één van de belangrijkste bepalingen van de onderhavige arbeidsovereenkomst, zijnde de datum waarop deze eindigt, zonder dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat een wijziging in de pensioenovereenkomst zal leiden tot een wijziging in de einddatum van de arbeidsovereenkomst. In artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst wordt immers niet verwezen naar hetgeen in het pensioenreglement is bepaald. Het hof komt daarom niet toe aan de vraag hoe het pensioenreglement dient te worden uitgelegd, en daarmee dus ook niet aan hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over een uitleg contra-proferentem van dat pensioenreglement.

[appellante] ziet met haar stelling over het hoofd dat pensioen een onderdeel is van haar arbeidsovereenkomst, maar dat de arbeidsovereenkomst niet afhankelijk is van de pensioenovereenkomst. Hetgeen in de Pensioenwet is bepaald over het begrip ‘pensioengerechtigde’, kan daarom eveneens onbesproken blijven.

3.11.

Volgens [appellante] heeft zij gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat [geïntimeerde] van haar verwachtte dat zij tot 67 jarige leeftijd zou doorwerken. In de toelichting op haar grieven verwijst [appellante] slechts naar de e-mail van [medewerker 1] . Het hof is voorshands met de kantonrechter van oordeel dat [appellante] aan die e-mail niet het vertrouwen kon ontlenen dat zij tot 67 jarige leeftijd mocht doorwerken. Die e-mail is immers niet persoonlijk aan [appellante] gericht, maar aan alle collega’s. Weliswaar wordt in die email vermeld ‘het langer doorwerken tot 67 jaar’, maar daaraan voorafgaand wordt daarover opgemerkt dat dit een voorbeeld is van een belangrijke wijziging in de pensioenwetgeving. De betreffende e-mail behelst niet meer dan een oproep om een informatiesessie over het gewijzigde pensioenreglement bij te wonen.

3.12.

Voor zover [appellante] heeft bedoeld te stellen dat zij op basis van de email van [medewerker 2] van 1 april 2014 en / of de bilats op 5 maart 2015 en / of mededelingen door of namens [pensioenuitvoerder 2] erop heeft mogen vertrouwen dat zij tot 67 jarige leeftijd kon blijven doorwerken bij [geïntimeerde] , overweegt het hof het volgende.

3.13.

Tijdens de bilat op 5 maart 2015 heeft de leidinggevende van [appellante] , de heer [leidinggevende van appellante] , gezegd dat het voor [appellante] een bijzonder jaar zou gaan worden omdat zij dat jaar met pensioen zou gaan. Tussen partijen staat niet vast of [appellante] daarop heeft gereageerd met de wens dat zij wilde doorwerken tot 67 jaar of dat zij heeft gezegd dat voor haar de 67 jarige leeftijd als pensioenleeftijd zou gelden. De reactie van [appellante] acht het hof voorshands niet relevant voor de beslissing, omdat tussen partijen niet in geschil is dat [leidinggevende van appellante] niets heeft beaamd, maar heeft gezegd dat hij niet wist hoe dit bij [geïntimeerde] geregeld was. Tijdens de daarop volgende bilat op 1 juni 2015 is door [leidinggevende van appellante] aangegeven dat [geïntimeerde] ervan uitging dat op [geboortedag] september 2015 de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen. Uit de mededelingen van [leidinggevende van appellante] op 5 maart 2015 had [appellante] moeten afleiden dat [geïntimeerde] ervan uitging dat zij met 65 jaar met pensioen zou gaan. Gelet op dat uitgangspunt kon [appellante] niet uit het uitblijven van nadere informatie van [geïntimeerde] tot 1 juni 2015 erop vertrouwen dat zij tot 67 jarige leeftijd kon blijven doorwerken bij [geïntimeerde] .

3.14.

Voor de e-mail van [medewerker 2] geldt hetzelfde als voor de e-mail van [medewerker 1] , te weten dat deze niet aan [appellante] persoonlijk is gericht, maar aan alle collega’s. Deze e-mail strekt slechts tot het geven van algemene, niet op de persoon gerichte informatie en voor meer persoonlijke informatie wordt verwezen naar [pensioenuitvoerder 2] . Het hof is van oordeel dat de vervolgens door [pensioenuitvoerder 2] gegeven informatie uitsluitend betrekking kan hebben op hetgeen de pensioenovereenkomst behelst. Niet valt in te zien dat of waarom de door [pensioenuitvoerder 2] verstrekte inlichtingen invloed zouden kunnen hebben op de arbeidsvoorwaarden niet zijnde de verbintenissen uit de pensioenovereenkomst. Het hof is voorshands van oordeel dat dit voor [appellante] zonneklaar moest zijn. Dat het door [pensioenuitvoerder 2] verstrekte overzicht van algemene gegevens onjuist was op het punt van de genoemde pensioendatum van 1 juni 2017, moest [appellante] ook duidelijk zijn, gelet op de evident onjuiste vermelding van haar AOW-leeftijd. Echter, ook als [appellante] niet aanstonds de onjuistheid van dat overzicht duidelijk was, dan had zij bij [geïntimeerde] kunnen en moeten verifiëren wat de einddatum was van haar arbeidsovereenkomst, omdat [pensioenuitvoerder 2] slechts de pensioenuitvoerder is en het [appellante] duidelijk moest zijn dat [pensioenuitvoerder 2] niet kan beslissen over de einddatum van de arbeidsovereenkomst.

3.15.

Het hof is dus voorshands van oordeel dat de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden niet konden leiden tot het gerechtvaardigd vertrouwen bij [appellante] dat zij tot 67 jarige leeftijd bij [geïntimeerde] kon blijven werken, ook niet wanneer die omstandigheden in onderling verband worden bezien.

3.16.

De slotsom luidt dat de grieven 2 tot en met 8 falen. Grief 9 heeft geen zelfstandige betekenis en kan dus onbesproken blijven. Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 711,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, M. van Ham en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2016.

griffier rolraadsheer