Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1071

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
200.162.341_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Niet uitgevoerde werkzaamheden. Begroting van bedrag van vervangende schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 6:87 BW is iets anders dan begroting van bedrag van minderwerk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.162.341/01

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

1 [appellant] ,
2. [appellante] ,
beiden wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellant] en [appellante] ,

advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A. de Rooij te Zoetermeer,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 november 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 augustus 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] en [appellante] als geopposeerden en [geïntimeerde] als opposant.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2401410, rolnummer 13-12898)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. Dat vonnis is gewezen in een verzetprocedure. Aan die procedure is een verstekprocedure vooraf gegaan waarin de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 2199678 en rolnummer 13-9221 tussen partijen vonnis heeft gewezen op 15 augustus 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de verstek- en verzetprocedure in eerste aanleg, zoals opgesomd onder punt 2 van de memorie van grieven. Tot die stukken behoort ook het proces-verbaal van de in de verzetprocedure gehouden comparitie van partijen. Omdat [geïntimeerde] in de memorie van antwoord geen opmerkingen heeft gemaakt over de door [appellant] en [appellante] gegeven opsomming van processtukken, gaat het hof ervan uit dat ook [geïntimeerde] over dat proces-verbaal beschikt (zie in vergelijkbare zin HR 9-10-2015, ECLI:NL:HR:2015:3012).

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    a) Tussen [appellant] en [appellante] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds is in het voorjaar van 2011 overleg gevoerd over een door [geïntimeerde] aan de woning van [appellant] en [appellante] uit te voeren verbouwing.

  • -

    b) Met het oog op die verbouwing heeft [appellant] een bouwkundig bestek d.d. 29 april 2011 opgesteld. Op de zesde bladzijde van dat bestek staat onder meer dat de werkzaamheden uiterlijk eind mei begin juni moeten starten en dat de werkzaamheden moeten worden opgeleverd op de datum die overeengekomen is in de opdrachtbevestiging en uiterlijk voor 25 juli 2011.

  • -

    c) Op het bestek zijn (kennelijk na 29 april 2011) nog enkele handgeschreven notities geplaatst en de datum 29 april (hof: 2011) op de eerste bladzijde is handmatig gewijzigd in 25 mei (hof: 2011).

  • -

    d) Op 26 mei 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] en [appellante] een offerte uitgebracht voor het uitvoeren van de verbouwing. In deze offerte staat onder meer het volgende:

“De werkzaamheden zijn beschreven in het bouwkundig bestek dd 25-mei 2011 welke onderdeel is van de offerte.

De prijs voor de levering en montage bedraagt

€ 25.000,- incl BTW

De facturering geschied in 5 termijnen van € 5.000,-

Evt. meerwerk wordt in de opvolgende termijn meegenomen.”

  • -

    e) [appellant] en [appellante] hebben de offerte voor akkoord ondertekend.

  • -

    f) [geïntimeerde] heeft in 2011 een deel van de overeengekomen werkzaamheden verricht.

  • -

    g) [appellant] en [appellante] hebben aan [geïntimeerde] drie termijnen van € 5.000,-- betaald, alsmede € 3.000,-- ter zake meerwerk. In totaal hebben [appellant] en [appellante] dus € 18.000,-- aan [geïntimeerde] betaald.

  • -

    h) Bij brief van 11 november 2011 heeft de gemachtigde van [appellant] en [appellante] [geïntimeerde] gesommeerd de overeengekomen werkzaamheden binnen veertien dagen te voltooien en een aantal in die brief genoemde gebreken te herstellen.

  • -

    i) Bij brief van 24 januari 2012 heeft de gemachtigde van [appellant] en [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

“Wederom heb ik geconstateerd dat u uw toezeggingen jegens cliënten niet nakomt. (…) Daar u niet binnen de in de brief van 11 november jl. gestelde termijn tot voltooiing en het herstel van de gebreken bent overgegaan, bent u definitief in staat van verzuim komen te verkeren. (…)

Voor cliënten is de maat nu meer dan vol. Zij zullen een derde verzoeken om het werk te komen afmaken en de gebreken te komen herstellen. De kosten die hiermee gepaard gaan zullen zij vervolgens op u gaan verhalen.

Deze brief kunt u beschouwen als een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW. Uw verplichting tot voltooiing van de werkzaamheden, het wegnemen van uw tekortkomingen en/of gebreken en het herstel wordt hiermee omgezet in een verplichting tot het betalen van een (vervangende) schadevergoeding.”

3.2.1.

Het vonnis van 7 augustus 2014 is gewezen in een verzetprocedure. In de daaraan voorafgaande verstekprocedure vorderden [appellant] en [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:

 een hoofdsom van € 19.848,94, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 juni 2013;

 € 519,-- aan over de hoofdsom vervallen rente, berekend over de periode van 27 juli 2012 tot 12 juni 2013;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering hebben [appellant] en [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde] heeft een deel van de overeengekomen werkzaamheden gebrekkig verricht en een deel van de overeengekomen werkzaamheden in het geheel niet verricht. [appellant] en [appellante] hebben de verbintenis van [geïntimeerde] tot nakoming bij de brief van 24 januari 2012 omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW. [appellant] en [appellante] zijn op grond van de overeenkomst, rekening houdend met minderwerk, aan [geïntimeerde] nog € 4.927,05 verschuldigd. [geïntimeerde] is aan [appellant] en [appellante] een schadevergoeding van in totaal € 24.025,99 (inclusief € 750,-- ter zake buitengerechtelijke kosten) verschuldigd. Als deze bedragen met elkaar worden verrekend, resteert een per saldo door [geïntimeerde] aan [appellant] en [appellante] verschuldigd bedrag van € 19.848,94.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft verstek laten gaan. De kantonrechter heeft de vordering vervolgens bij onder zaaknummer 2199678 en rolnummer 13-9221 gewezen verstekvonnis van 15 augustus 2013 toegewezen.

3.3.1.

Bij verzetdagvaarding van 23 september 2013 heeft [geïntimeerde] verzet ingesteld tegen het verstekvonnis van 15 augustus 2013. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [appellant] en [appellante] .

3.3.2.

In het verzetvonnis van 7 augustus 2014 heeft de kantonrechter, kort samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    Door niet te voldoen aan in ingebrekestelling van 11 november 2011 is [geïntimeerde] per 25 november 2011 in verzuim geraakt (rov. 4.5.1 en 4.5.2).

  • -

    [appellant] en [appellante] hebben de verbintenis van [geïntimeerde] tot nakoming bij de brief van 24 januari 2012 op rechtsgeldige wijze omgezet in een verbintenis tot schadevergoeding.

  • -

    Aan [appellant] en [appellante] komt een vervangende schadevergoeding toe van € 10.413,02. Daarop komt bij wege van verrekening in mindering het bedrag van € 4.927,05 dat [appellant] en [appellante] op grond van de overeenkomst, rekening houdend met minderwerk, nog aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn. Na deze verrekening resteert een door [geïntimeerde] aan [appellant] en [appellante] verschuldigde schadevergoeding van € 5.485,97, exclusief buitengerechtelijke kosten (rov. 4.10).

  • -

    Ter zake buitengerechtelijke kosten is een bedrag van € 700,-- toewijsbaar (rov. 4.11).

  • -

    Omdat beide partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zal elke partij de eigen proceskosten moeten dragen (rov. 4.13).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter het verstekvonnis van 15 augustus 2013 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] en [appellante] te betalen:

 een hoofdsom van € 5.485,97, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 juli 2012;

 € 700,-- ter zake buitengerechtelijke kosten.

Daarnaast heeft de kantonrechter de kosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure tussen de partijen gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten diende te dragen, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.

[appellant] en [appellante] hebben in hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen het vonnis van 7 augustus 2014. Op basis van die grieven hebben zij geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] en [appellante] te betalen:

 een hoofdsom van € 11.496,84;

 € 700,-- ter zake buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en van het hoger beroep.

Met betrekking tot grief 1: de vervangende schadevergoeding ter zake het niet aanbrengen van het daklicht ter plaatse van de overkapping aan de achterzijde van de woning

3.5.1.

Het bedrag aan vervangende schadevergoeding waar [appellant] en [appellante] in de inleidende dagvaarding aanspraak op hebben gemaakt, bestaat uit een aantal posten. Een van die posten heeft betrekking op het feit dat [geïntimeerde] geen daklicht ter plaatse van de gerealiseerde overkapping aan de achterzijde van de woning heeft aangebracht, terwijl dat wel in het bestek was opgenomen. De kantonrechter heeft met betrekking tot deze post het volgende overwogen in rov. 4.6.7 van het vonnis:

“ [appellant] stelt dat door [geïntimeerde] geen daklicht ter plaatse van de gerealiseerde overkapping (8) aan de achterzijde van de woning is geleverd en aangebracht, ondanks dat dit in het bestek was opgenomen. Inmiddels heeft een andere aannemer deze voor hem geleverd en geplaatst. Volgens Rapport [expertisebureau] is in het bestek specifiek opgenomen dat een glazen daklicht ‘aluminium op kleur’ zou worden aangebracht, voorzien van niet isolerende beglazing. In plaats daarvan is inmiddels een lichtstraat met afmeting 2,80 meter bij 2,20 meter aangebracht. Hiermee is volgens Rapport [expertisebureau] een bedrag van € 11.495,80 inclusief btw gemoeid.

[geïntimeerde] erkent dat het daklicht niet door hem is geleverd en/of aangebracht. Hij stelt echter dat, zoals ook in de offerte is opgenomen, hij het daklicht zou leveren en aanbrengen voor een bedrag van € 4.533,00 exclusief btw en dat hij niet is gehouden de kosten van het meerwerk cq. van een andere uitvoering te voldoen.

De kantonrechter volgt [geïntimeerde] in dit standpunt, nu [appellant] niet althans onvoldoende heeft onderbouwd waarom [geïntimeerde] de kosten van dat meerwerk en/of een andere uitvoering zou moeten betalen. Het bedrag aan minderwerk wordt vastgesteld op € 4.533,00 exclusief btw geeft € 5.484,93 inclusief btw.”

3.5.2.

[appellant] en [appellante] zijn met hun eerste grief tegen deze beslissing opgekomen. In de toelichting op de grief betogen zij dat de kosten van het alsnog conform het bestek realiseren van het daklicht gesteld moeten worden op € 11.495,80 inclusief btw. Ter onderbouwing van die stelling hebben zij verwezen naar een offerte van Bouwbedrijf [bouwbedrijf] (hierna: [bouwbedrijf] ) van 7 mei 2012 en naar een rapport van [expertisebureau] Expertises (hierna: [expertisebureau] ) van 22 april 2013.

3.5.3.

[geïntimeerde] heeft de grief bestreden. Volgens [geïntimeerde] moet als schadevergoeding ter zake het niet aanbrengen van het daklicht volstaan worden met het door de kantonrechter vastgestelde bedrag van € 5.484,93 inclusief btw.

3.5.4.

Het hof stelt voorop dat het bij deze post gaat om vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 6:87 BW. De post heeft dus betrekking op de kosten die [appellant] en [appellante] redelijkerwijs hebben moeten maken om het daklicht alsnog overeenkomstig het bestek te laten aanbrengen. Daarom is het gebruik van het woord “minderwerk” door de kantonrechter niet geheel zuiver. Het gaat niet om minderwerk in de zin van een bestekwijziging (hetgeen gezien zou kunnen worden als een partiële ontbinding van de aanneemovereenkomst). Dit brengt mee dat [geïntimeerde] niet kan worden gevolgd in zijn verweer (punten 11 en 12 memorie van antwoord) dat het ter zake het niet aanbrengen van het daklicht te vergoeden bedrag moet worden vastgesteld op een deel van de oorspronkelijke aanneemsom, corresponderend met het aandeel dat het aanbrengen van het daklicht uitmaakte van alle overeengekomen werkzaamheden. Het gaat daarentegen om de kosten die [appellant] en [appellante] redelijkerwijs hebben moeten maken om het daklicht alsnog overeenkomstig de aanneemovereenkomst te laten aanbrengen.

3.5.5.

Omdat [appellant] en [appellante] zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun stelling dat die kosten € 11.495,80 inclusief btw bedragen, dragen zij de bewijslast van die stelling.

3.5.6.

Het hof zal onderzoeken of op grond van de beschikbare stukken kan worden geoordeeld dat de genoemde kosten € 11.495,80 inclusief btw bedragen. Daartoe moet eerst worden vastgesteld wat [appellant] en [appellante] met [geïntimeerde] zijn overeengekomen met betrekking tot het daklicht. Omdat de tussen partijen gesloten overeenkomst (de door [appellant] en [appellante] voor akkoord ondertekende offerte) verwijst naar het bestek, is bepalend wat omtrent het daklicht in het bestek is opgenomen. In het bestek staat dienaangaande onderaan blz. 6 allereerst het volgende:

“Opsomming uit te voeren werkzaamheden

Hier is een globaal overzicht gegeven van de uit te voeren werkzaamheden. Het overzicht heeft niet de doelstelling in detail volledig te zijn maar dient om de aannemer een goed beeld te geven van de te verrichtte werkzaamheden.”

Voorts staat in het bestek onder punt 14 “Aanbrengen overkapping” het volgende:

“aanbrengen glazen daklicht aluminium op kleur. Kleur te bepalen in overleg in grijs of wit naar aanleiding van staal”.

Op de tiende bladzijde van het bestek staat onder “aandachtspunten” voorts, voor zover thans van belang:

“daklicht voor overkapping (niet isoleren, wel warmtewerend glas

afmeting (3.00 bij 2,5 meter) opnemen bevestiging hechting tbv zonnewering”.

3.5.7.

Met betrekking tot de door [appellant] en [appellante] genoemde offerte van [bouwbedrijf] van 7 mei 2012 overweegt het hof het volgende. Uit productie 7 bij de inleidende dagvaarding en productie 1 bij de memorie van grieven blijkt dat [bouwbedrijf] op 7 mei 2012 twee offertes aan [appellant] en [appellante] heeft uitgebracht. Een van die offertes heeft betrekking op het “Afmaken van diverse werkzaamheden”. Deze offerte bevat een aantal posten en sluit op een totaalbedrag van € 12.613,72 inclusief btw. De andere offerte heeft betrekking op het “Herstellen van diverse werkzaamheden”. Deze offerte bevat een aantal andere posten en sluit op een totaalbedrag van € 28.831,18 inclusief btw. Een van de posten op de laatstgenoemde offerte betreft:

“DEUREN EN RAMEN

Daklicht in aluminium

Subtotaal 9.660,34”

Als het bedrag van € 9.660,34 (exclusief btw) wordt vermeerderd met 19% btw, levert dat het door [appellant] en [appellante] gevorderde bedrag van € 11.495,80 op. In de begeleidende brief van 7 mei 2012, waarbij [bouwbedrijf] beide offertes aan [appellant] en [appellante] heeft gezonden, staat onder meer het volgende:

“Onze offerte is opgesplitst in twee fases (…). En conform bestek 29 april 2011.”

[appellant] en [appellante] stellen op grond hiervan dat de aan hen toekomende vervangende schadevergoeding ter zake het daklicht gesteld moet worden op € 11.495,80 inclusief btw.

3.5.8.

In het door [appellant] en [appellante] genoemde rapport van [expertisebureau] staat op bladzijde 5 voor zover thans van belang het volgende:

“8. Leveren en aanbrengen daklicht

Cliënt meldde ons dat door wederpartij geen daklicht ter plaatse van de gerealiseerde overkapping aan de achterzijde van de woning is geleverd en aangebracht, ondanks dat dit in het bouwkundig bestek was opgenomen. Hij meldde ons dat deze in opdracht van hem door een

andere aannemer inmiddels is geleverd en geplaatst.

Wij constateerden dat in het bouwkundig bestek specifiek is opgenomen dat een glazen daklicht aluminium op kleur’ dient te worden aangebracht, voorzien van niet isolerende beglazing, ‘wel warmtewerend glas’. Wij hebben geconstateerd dat inmiddels een lichtstraat is aangebracht met afmeting 2,80 m1 bij 2,20 m1.”

In bijlage 1 bij het rapport van [expertisebureau] zijn herstelkosten begroot met betrekking tot de verschillende in het rapport besproken punten. Ter zake het leveren en aanbrengen van het daklicht is hier een bedrag van € 9.660,34 exclusief btw, zijnde € 11.495,80 inclusief btw opgenomen. Dit bedrag is niet gespecificeerd en kennelijk overgenomen van de offerte van [bouwbedrijf] van 7 mei 2012.

3.5.9.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een rapport van [Contra-Expertise] Contra-Expertise (hierna: [Contra-Expertise] ) van 15 november 2013 overgelegd. Daarin staat met betrekking tot het daklicht in de overkapping het volgende:

“8. Het daklicht in de overkapping werd inderdaad niet door [handelsnaam] gerealiseerd maar werd door eigenaren zelf aan een andere partij uitbesteed. De aftimmeringen van de dagkanten werd wel door [handelsnaam] uitgevoerd. Mijn inziens kan nu dan ook enkel als minderwerk worden bestempeld het niet leveren en aanbrengen van het daklicht conform hetgeen hiervoor in 1e instantie werd begroot. De eventuele meerkosten t.o.v. hetgeen werd begroot en nu door derden werd uitgevoerd lijkt mij voor rekening van eigenaren van de woning”.

3.5.10.

Bij de memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] een verklaring van [Glas en Aluminiumwerken] Glas en Aluminiumwerken BV (hierna: [Glas en Aluminiumwerken] ) van 4 juni 2015 overgelegd. In deze verklaring staat voor zover thans van belang:

“Bij deze de prijs indicatie voor lichtstraten /daglichten zoals besproken.

De uitvoering waar we het over gehad hebben en u des tijds geoffreerd hebben bedraagt tussen de € 600,00 en € 650,00 per m2.

Prijzen exclusief BTW en inclusief montage.”

[geïntimeerde] heeft erop gewezen dat gelet op deze prijzen een daklicht van 3 bij 2,5 meter, derhalve van 7,5 m2, kan worden gerealiseerd voor een bedrag van tussen de € 4.500,-- en € 4.875,-- excl. btw.

Verder heeft [geïntimeerde] er in de memorie van antwoord op gewezen dat in de offerte van [bouwbedrijf] van 7 mei 2012 ter zake het “Afmaken van diverse werkzaamheden” (de offerte die sluit op een totaalbedrag van € 12.613,72 inclusief btw) de volgende post is opgenomen:

“Daklicht uitgevoerd in merantie en aan de buiten zijde in aluminium inclusief HR ++ Gelaagd glas.

Subtotaal € 7.232,34”

Volgens [geïntimeerde] valt ook in het licht daarvan niet in te zien dat het aanbrengen van het door [geïntimeerde] geoffreerde daklicht, dat slechts zou worden voorzien van “niet isoleren, wel warmtewerend glas” € 11.495,80 inclusief btw zou moeten kosten. [geïntimeerde] heeft er voorts op gewezen dat [appellant] en [appellante] het door hen gevorderde bedrag uitsluitend baseren op de niet gespecificeerde offerte van [bouwbedrijf] , zonder een factuur of betalingsbewijs over te leggen ter zake de kosten die voor hen daadwerkelijk verbonden zijn geweest aan het alsnog laten realiseren van het daklicht.

3.5.11.

Mede gelet op het door [geïntimeerde] gevoerde verweer, kan het hof de stelling van [appellant] en [appellante] dat de hen ter zake het daklicht toekomende vervangende schadevergoeding gesteld moet worden op € 11.495,80 inclusief btw vooralsnog niet honoreren. [appellant] en [appellante] zijn na de memorie van antwoord echter niet meer aan het woord geweest in de onderhavige procedure. Zij hebben dus nog niet kunnen reageren op de hiervoor in rov. 3.5.10 weergegeven verweren van [geïntimeerde] . Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen zodat [appellant] en [appellante] zich bij memorie na tussenarrest alsnog over de genoemde verweren kunnen uitlaten. [appellant] en [appellante] kunnen die memorie benutten om het door hen gevorderde bedrag nader te onderbouwen, bij voorkeur door het over leggen van een gespecificeerde factuur en een betalingsbewijs. De werkzaamheden zijn immers al uitgevoerd. [geïntimeerde] zal daarna nog bij antwoordmemorie na tussenarrest op de memorie na tussenarrest van [appellant] en [appellante] mogen reageren.

3.5.12.

Het kan na de memoriewisseling wenselijk zijn om een deskundigenbericht te gelasten naar de vraag welke vervangende schadevergoeding op zijn plaats is ter zake de realisatie van een daklicht ter plaatse van de overkapping aan de achterzijde van de woning. Het hof kan de noodzaak van een deskundigenbericht op dit moment nog niet uitsluiten. Het hof zal de partijen om redenen van proces-economie reeds nu in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

3.5.13.

Het hof is vooralsnog voornemens om, als het tot een deskundigenbericht komt, het voorschot op de kosten van de deskundige ten laste te brengen van [appellant] en [appellante] , nu op hen de bewijslast rust van de hoogte van de door hen gestelde schade.

3.5.14.

Of het hof al dan niet een deskundigenbericht zal gelasten, zal pas na de memoriewisseling worden beslist. Het hof zal elk verder oordeel over grief 1 nu aanhouden.

Met betrekking tot grief 2: de compensatie van de kosten van het geding in eerste aanleg

3.6.

Uit de toelichting op grief 2 blijkt dat de grief voortborduurt op grief 1. Het hof zal daarom elk oordeel over grief 2 aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 19 april 2016 voor een memorie na tussenarrest aan de zijde van [appellant] en [appellante] met de hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.5.11 en 3.5.12 omschreven doeleinden (waarna [geïntimeerde] bij antwoordmemorie mag reageren);

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.F.M. Pols en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2016.

griffier rolraadsheer