Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1070

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
200.161.246_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van inhoud van overeenkomst van opdracht met architectenmaatschap. Opzegbaarheid van duurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/846
RVR 2016/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.161.246/01

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

E&A Logistiek B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als E&A Logistiek,

advocaat: mr. M. Teekens te Leiden,

tegen

1 Maatschap [maatschap architecten] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [maat 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [maat 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [maatschap architecten] ,

advocaat: mr. L.N.J.B. van Osch te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 november 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 oktober 2014, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen E&A Logistiek als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [maatschap architecten] als eisers in conventie, verweerders in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/275448/HA ZA 14-32)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 12 maart 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep tevens akte uitlating producties in principaal appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Geïntimeerden 2 en 3 vormen samen de architectenmaatschap [maatschap architecten] . E&A Logistiek is een uitzendorganisatie die bemiddelt bij de plaatsing van buitenlandse werknemers bij diverse bedrijven in Nederland.

3.1.2.

Tussen E&A Logistiek en [maatschap architecten] heeft in 2011/2012 overleg plaatsgevonden omtrent door [maatschap architecten] voor E&A Logistiek te verrichten (advies)werkzaamheden met het oog op de huisvesting van buitenlandse werknemers. Op 17 januari 2012 heeft [maatschap architecten] aan E&A Logistiek een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

“Bijgaand conform afspraak een voorstel ten behoeve van de honorering voor door ons te verrichten werkzaamheden in het kader van huisvesting van buitenlandse medewerkers. De werkzaamheden zullen in opdracht van E&A uitgevoerd worden.

Werkzaamheden.

Onderzoek naar de mogelijkheid huisvesting te realiseren binnen een afstand van ca 6 km vanaf een door u op te geven postcode in een willekeurige plaats in Nederland. Momenteel zijn locaties in [locatie 1] , [locatie 2] , [locatie 3] en [locatie 4] reeds in opdracht. Het aantal te huisvesten personen kan variëren van 20 tot 200 personen. Hiertoe zullen door AS de volgende aspecten per postcodegebied onderzocht (nagegaan) worden.

1. Is er grond te koop bij de gemeente of een makelaar ten behoeve van nieuwbouw.

2. Informeren bij makelaars naar huur of koop van geschikte (grotere) gebouwen.

3. Zijn er mogelijkheden aanwezig op recreatieparken en of campings.

4. Bij gemeente informatie inwinnen over mogelijke locaties.

5. Uit bovenstaande acties wordt een eerste keuze gemaakt van maximaal 3 locaties.

Deze locaties worden zeer globaal getoetst op haalbaarheid betreffende bestemmingsplan en kosten.

6. Aan de hand van deze toetsing wordt een keuze gemaakt voor de meest reële locatie.

7. Deze locatie wordt aan de gemeente voorgelegd met de vraag of de gemeente mee wil werken aan huisvesting op deze locatie.

8. Indien de gemeente negatief reageert wordt een 2e mogelijke locatie voorgelegd.

9. Indien de gemeente positief reageert wordt een principeverzoek bestemmingsplan
ingediend.

Honorering werkzaamheden.

Als honorarium voor de onder 1 t/m 8 genoemde werkzaamheden stellen wij per opdracht een vergoeding voor van € 2.250,--. Indien een principeverzoek ingediend moet worden geeft dit een meerwerk van € 500,--. Indien bovengenoemde werkzaamheden ertoe leiden dat er concreet huisvesting gerealiseerd kan worden voor ca. 100 personen, wordt er een bonus toegekend van € 20.000,--. Ingeval het aantal te huisvesten personen minder bedraagt wordt dit bedrag recht evenredig toegepast. (…)

Communicatie met opdrachtgever.

De opdrachtgever zal per twee weken een schriftelijk (e-mail) verslag ontvangen m.b.t. de voortgang van de verschillende projecten. (…)

Bijlage: lijst waarop locaties/postcodes aangegeven waar mogelijk huisvesting te realiseren is.”

De brief van 17 januari 2012 bevat een bijlage met daarop een lijst met in totaal 32 locaties.

3.1.3.

E&A Logistiek is akkoord gegaan met het voormelde voorstel in de brief van 17 januari 2012. [maatschap architecten] heeft vervolgens werkzaamheden uitgevoerd. Tot 9 augustus 2012 heeft [maatschap architecten] aan E&A Logistiek in totaal elf excel-sheets betreffende de voortgang van de werkzaamheden gestuurd.

3.1.4.

[maatschap architecten] heeft E&A Logistiek in 2012 vijf facturen gestuurd, die betrekking hebben op de locaties [locatie 4] , [locatie 3] , [locatie 2] , [locatie 5] en [locatie 6] . In totaal is door [maatschap architecten] een bedrag van € 13.250,- exclusief btw gefactureerd (1 maal € 2.250,- en 4 maal € 2.750,-, productie 3 cva/cve). Deze facturen zijn door E&A Logistiek voldaan.

3.1.5.

E&A Logistiek heeft op 25 juni 2013 aan [maatschap architecten] meegedeeld dat zij afzag van verdere dienstverlening door [maatschap architecten] .

3.1.6.

[maatschap architecten] kan zich hiermee niet verenigen en zij heeft E&A Logistiek in rechte betrokken. In eerste aanleg vorderde zij (samengevat):

1. te verklaren voor recht dat E&A de overeenkomst tussen haar en AS niet kon of
kan opzeggen en dat de opzegging schadeplichtigheid aan de zijde van E&A met
zich brengt, welke schade nader dient te worden becijferd in een
schadestaatprocedure,

2. subsidiair E&A te veroordelen om aan AS een bedrag van € 58.500,-- te betalen,
zijnde het volle loon als bedoeld in artikel 7:411 lid 2, te vermeerderen met
wettelijke rente,

3. meer subsidiair E&A te veroordelen tot betaling aan AS van een bedrag van
€ 28.900,--, zijnde het gedeeltelijk loon als bedoeld in artikel 7:411 lid 1, te
vermeerderen met wettelijke rente,

4. E&A te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 3.690,-- excl. BTW en kantoorkosten,


5. E&A te veroordelen in de proceskosten.

E&A vordert in reconventie – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad AS, [maat 1] en [maat 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan E&A van een bedrag van € 10.500,--, te vermeerderen met BTW en wettelijke rente.

3.1.7.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de meer subsidiaire vordering van [maatschap architecten] toegewezen en E&A Logistiek veroordeeld tot betaling aan [maatschap architecten] van een bedrag van € 28.900,-, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2013 tot de dag van volledige voldoening.

De rechtbank heeft de vorderingen van [maatschap architecten] voor het overige afgewezen. De reconventionele vordering van E&A Logistiek is door de rechtbank eveneens afgewezen.

De rechtbank heeft E&A Logistiek veroordeeld in de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie.

3.1.8.

E&A Logistiek heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank voor zover gewezen in conventie. Haar conclusie luidt dat de vorderingen van [maatschap architecten] volledig moeten worden afgewezen.

[maatschap architecten] heeft incidenteel geappelleerd. Het incidenteel appel is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van haar primaire en de subsidiaire vordering.

3.2.

Partijen hebben niet geappelleerd tegen de beslissingen van de rechtbank in reconventie. Dit betekent dat de reconventionele vordering van E&A Logistiek in hoger beroep niet aan de orde is. Hetzelfde geldt voor de (door de rechtbank afgewezen) vordering in conventie tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

[maatschap architecten] heeft in hoger beroep haar primaire en subsidiaire vordering gewijzigd in die zin dat zij thans vordert:

primair: te verklaren voor recht dat E&A Logistiek de overeenkomst tussen partijen niet kan opzeggen zonder een schadevergoeding aan te bieden, welke schade nader dient te worden becijferd in een schadestaatprocedure;

subsidiair: E&A Logistiek te veroordelen tot betaling van het volle loon als bedoeld in artikel 7:411 lid 2 BW, neerkomend op 32 x € 2.250,- = € 72.000,- exclusief btw onder aftrek van hetgeen feitelijk is voldaan (€ 13.250,-) zodat

€ 58.750,- resteert, .

alles met veroordeling van E&A Logistiek in de kosten van beide instanties.

Tegen deze eiswijziging heeft E&A Logistiek geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal recht doen op de in hoger beroep gewijzigde eis. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het niet vermelden van de wettelijke rente bij de subsidiaire vordering in de memorie van grieven in principaal appel/memorie van antwoord in incidenteel appel op een vergissing berust en dat [maatschap architecten] met haar eiswijziging niet heeft beoogd om de in eerste aanleg gevorderde wettelijke rente niet langer te vorderen. De rechtbank heeft de door [maatschap architecten] gevorderde rente (met ingang van 3 december 2013) immers toegewezen, zij het over een lagere hoofdsom dan [maatschap architecten] met haar subsidiaire vordering vorderde.

3.4.

Partijen hebben in hoger beroep de volgende kwesties aan het hof voorgelegd:

a. a) de uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst (grieven 1, 2 en 3 in principaal

appel);

b) de opzegbaarheid van de tussen partijen gesloten overeenkomst (grief 1 in incidenteel

appel);

c) het aan [maatschap architecten] toekomende honorarium (grieven 4 en 5 in principaal appel en

grief 2 in incidenteel appel);

d) de proceskostenveroordeling (grief 6 in principaal appel).

Het hof zal deze geschilpunten achtereenvolgens beoordelen.3.5. ad a) De uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst (grieven 1, 2 en 3 in

principaal appel.

3.5.1.

Niet in geschil is dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW is gesloten, waarbij [maatschap architecten] zich heeft verbonden om tegen betaling (onderzoeks)werkzaamheden voor E&A Logistiek te verrichten. Partijen zijn het oneens over de inhoud van de aan [maatschap architecten] verstrekte opdracht. Volgens [maatschap architecten] hield de opdracht in dat zij onderzoekswerkzaamheden diende te verrichten naar de mogelijkheden voor huisvesting van buitenlandse werknemers met betrekking tot de 32 locaties die zijn vermeld in de bijlage bij de voormelde brief van 17 januari 2012.

E&A Logistiek daarentegen stelt zich op het standpunt dat voor elke te onderzoeken locatie een afzonderlijke opdracht diende te worden verstrekt en volgens haar is een dergelijke opdracht slechts verstrekt met betrekking tot de locaties [locatie 1] , [locatie 4] , [locatie 3] , [locatie 2] , [locatie 5] en [locatie 6] . De werkzaamheden ten behoeve van deze locaties zijn door [maatschap architecten] gefactureerd en de facturen zijn betaald (met dien verstande dat de werkzaamheden voor de locatie [locatie 1] zijn betaald door Fresh Ideas BV, een vennootschap van de voormalige directeur van E&A Logistiek, [voormalig directeur van E&A logistiek] ). Volgens E&A Logistiek heeft zij geen opdracht verstrekt voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van andere dan de gefactureerde en betaalde locaties.

3.5.2.

Beide partijen baseren hun uitleg van de overeenkomst op de inhoud van de voormelde brief van [maatschap architecten] aan E&A Logistiek d.d. 17 januari 2012, alsmede op de feitelijke gang van zaken voorafgaande aan en volgend op het sluiten van de overeenkomst. Partijen zijn het eens over de inhoud van de brief van 17 januari 2012 en over de feitelijke gang van zaken voorafgaande aan en volgend op het sluiten van de overeenkomst, maar niet over de conclusies die aan deze feitelijkheden moeten worden verbonden op het punt van de uitleg van de overeenkomst.

3.5.3.

De rechtbank heeft – terecht – tot uitgangspunt genomen dat uitleg van hetgeen tussen partijen is overeengekomen dient te geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. Dit betekent dat – naast de bewoordingen van de voormelde brief van 17 januari 2012 – tevens betekenis toekomt aan de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In het licht van dit criterium is het hof – net als de rechtbank – van oordeel dat de opdracht aan [maatschap architecten] inhield dat zij onderzoekswerkzaamheden diende te verrichten naar de mogelijke huisvesting van buitenlandse werknemers met betrekking tot de 32 locaties die in de bijlage van de brief d.d. 17 januari 2012 staan vermeld. Het hof acht in dit verband de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- vanaf 2008 verrichte [maatschap architecten] onderzoekswerkzaamheden ten behoeve van de huisvesting van buitenlandse werknemers op basis van een uurtarief. Die werkzaamheden werden aanvankelijk uitgevoerd in opdracht van Fresh Ideas BV, de vennootschap van de toenmalige directeur van E&A Logistiek [voormalig directeur van E&A logistiek] . De kosten van het onderzoek per locatie kwamen uit op bedragen tussen de € 3.000,- en € 4.000,-. Omdat [voormalig directeur van E&A logistiek] die bedragen te hoog vond is vanaf oktober 2011 onderhandeld tussen [voormalig directeur van E&A logistiek] (toen in hoedanigheid van directeur van E&A Logistiek) en [maatschap architecten] over een vaste prijs per locatie. Partijen zijn vervolgens een bedrag van € 2.250,- per locatie overeengekomen.

[maatschap architecten] is met deze – lagere – vergoeding akkoord gegaan, gelet op:

i) het grote aantal te onderzoeken locaties, blijkend uit de bijlage bij de brief d.d. 7 januari 2012;

ii) het vooruitzicht van een bonus van € 20.000,- voor iedere gerealiseerde huisvesting voor circa 100 personen, zoals in de brief van 17 januari 2012 is vermeld;

iii) het vooruitzicht van vervolgwerkzaamheden. In de brief van 17 januari 2012 is dat als volgt verwoord:

Vervolgwerkzaamheden.

Om tot een bouwvergunning te komen zullen er na het principeverzoek traject nog een aantal vervolgwerkzaamheden verricht moeten worden. Deze vervolgwerkzaamheden betreffen o.a. ruimtelijke onderbouwing (ingeval van een art. 19 procedure). ontwerp, bouwaanvraag, directie, uitvoering, etc. Honorering van deze werkzaamheden kan afhankelijk van de benodigde werkzaamheden geschieden op regie basis of middels een vast honorarium.”

- In de brief van 17 januari 2012 is een opsomming gegeven van de werkzaamheden die voor ieder project moeten worden uitgevoerd en is bepaald dat omtrent de voortgang van de verschillende projecten tweewekelijks verslag moet worden gedaan;

- tussen 17 januari 2012 en 9 augustus 2012 zijn door [maatschap architecten] in totaal elf excel-sheets betreffende de voortgang van de locatie-onderzoeken aan E&A Logistiek gestuurd. Als productie 2 bij de inleidende dagvaarding is een excel-sheet d.d. 8 mei 2012 in het geding gebracht waaruit blijkt dat op dat moment 15 locaties in onderzoek waren. E&A Logistiek heeft de voortgang van de werkzaamheden ten behoeve van deze locaties becommentarieerd;

- afzonderlijke opdrachten voor de werkzaamheden aan de verschillende locaties zijn, na de brief van 17 januari 2012, door E&A Logistiek niet verstrekt. Dit geldt ook voor de werkzaamheden ten behoeve van de twee locaties in [plaats] , welke werkzaamheden door [maatschap architecten] zijn afgerond en gefactureerd. E&A Logistiek heeft de facturen zonder protest betaald.

3.5.4.

Naar het oordeel van het hof leiden voormelde feiten en omstandigheden tot de conclusie dat de opdracht aan [maatschap architecten] betrekking had op alle locaties genoemd in de bijlage bij de brief van 17 januari 2012 en dat dus geen sprake is van een zogenaamde raamovereenkomst. Hieraan doet niet af dat in de brief van 17 januari 2012 als honorarium is genoemd € 2.250,- “per opdracht”. Een redelijke uitleg in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden brengt mee dat daarmee is bedoeld: “per locatie”.

De e-mail van [maatschap architecten] aan E&A Logistiek d.d. 12 juni 2013 waarin gevraagd wordt welke locaties verder moeten worden onderzocht leidt evenmin tot een andere conclusie, waarbij het hof met name van belang acht dat partijen het erover eens zijn dat de lijst van 32 locaties aan wijzigingen onderhevig zou zijn: er konden locaties afvallen en/of bij komen. In dit licht bezien is het begrijpelijk dat door [maatschap architecten] nadere informatie is gevraagd omtrent de te onderzoeken locaties.

3.5.5.

E&A Logistiek heeft weliswaar bewijs van haar uitleg van de overeenkomst aangeboden maar het hof komt niet toe aan bewijslevering. Over de van belang zijnde feitelijkheden zijn partijen het immers eens. Zij verschillen slechts van mening over de conclusies die aan die feitelijkheden moeten worden verbonden.

3.5.6.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1, 2 en 3 van E&A Logistiek falen.

3.6.

ad b) de opzegbaarheid van de tussen partijen gesloten overeenkomst (grief 1 in

incidenteel appel).

3.6.1.

[maatschap architecten] stelt zich op het (primaire) standpunt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet door E&A Logistiek mocht worden opgezegd aangezien voor E&A Logistiek een zwaarwegende grond voor opzegging ontbrak. In ieder geval mocht – in de visie van [maatschap architecten] - niet worden opgezegd zonder een opzegtermijn in acht te nemen en/of schadevergoeding aan te bieden.

3.6.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 7:408 lid 1 kan een overeenkomst als de onderhavige door de opdrachtgever te allen tijde worden opgezegd.

Dit neemt niet weg dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat of dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen dan wel dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854).

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat door [maatschap architecten] geen omstandigheden zijn genoemd die een beperking van de opzeggingsbevoegdheid aan de zijde van E&A Logistiek, zoals bedoeld in de voormelde uitspraak van de Hoge Raad, rechtvaardigen.

De omstandigheid dat [maatschap architecten] , als gevolg van de beëindiging van de overeenkomst de mogelijkheid misloopt op het verwerven van bonussen en vervolgopdrachten van E&A Logistiek en daardoor beweerdelijke winstmogelijkheden teloor heeft zien gaan, is in dit verband ontoereikend. Immers: enige zekerheid dat [maatschap architecten] aanspraak zou kunnen maken op bonussen of vervolgopdrachten was er niet en het mislopen van mogelijke voordelen in de toekomst is nu eenmaal inherent aan een overeenkomst die opzegbaar is. Naar het oordeel van het hof geldt dit laatste ook voor de omstandigheid dat, als gevolg van het wegvallen van de werkzaamheden voor E&A Logistiek, minder werk beschikbaar was voor een werknemer van [maatschap architecten] (de heer [werknemer van maatschap architecten] ).

Van belang is verder dat [maatschap architecten] niet geheel afhankelijk was van E&A Logistiek als opdrachtgever. De rechtbank heeft in dit verband terecht opgemerkt dat [maatschap architecten] vanaf de laatste excel-sheet d.d. 9 augustus 2012 tot aan de beëindiging op 25 juni 2013 nog maar een beperkt aantal uren (namelijk 113,25) aan de opdracht van E&A Logistiek heeft besteed. Ook de stelling van [maatschap architecten] dat zij, ofschoon zij meerdere opdrachtgevers had, in financieel zwaar weer verkeerde en de werkzaamheden voor E&A Logistiek een niet te verwaarlozen onderdeel van haar omzet uitmaakte, is onvoldoende om aan te nemen dat de opzegbaarheid van E&A Logistiek beperkt was.

3.6.3.

In eerste aanleg heeft [maatschap architecten] aangevoerd dat het overeengekomen honorarium per locatie (€ 2.250,-) was gebaseerd op “kwantumkorting”, namelijk in verband met de verwachting dat [maatschap architecten] werkzaamheden zou kunnen verrichten ten behoeve van 32 locaties. Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat ook deze omstandigheid geen beperking rechtvaardigt ten aanzien van de opzeggingsbevoegdheid van E&A Logistiek.

3.6.4.

De conclusie is dat de eerste incidentele grief van [maatschap architecten] faalt.

3.7.

ad c) het aan [maatschap architecten] toekomende honorarium (grieven 4 en 5 in principaal

appel en grief 2 in incidenteel appel).

3.7.1.

De tweede grief van [maatschap architecten] in incidenteel appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte haar subsidiaire standpunt heeft verworpen dat zij recht heeft op het volle loon over alle nog niet gefactureerde locaties (32 maal € 2.250,- minus de gefactureerde en betaalde bedragen).

3.7.2.

Ingevolge artikel 7:411 lid 2 BW heeft een opdrachtnemer, ingeval van beëindiging van de overeenkomst vóórdat de opdracht is volbracht en verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging, slechts recht op het volle loon, indien het einde van de opdracht aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is.

Weliswaar is aan de eerste voorwaarde (de beëindiging is toe te rekenen aan de opdrachtgever) voldaan, maar naar het oordeel van het hof geldt dit niet voor de tweede voorwaarde (betaling van het volle loon is, gelet op alle omstandigheden, redelijk). Het hof acht het weliswaar aannemelijk dat het overeengekomen honorarium per locatie is beïnvloed door het grote aantal te onderzoeken locaties (kwantumkorting) en door de kans op bonussen en vervolgopdrachten, maar dit brengt nog niet mee dat [maatschap architecten] in redelijkheid aanspraak kan maken op loon voor werkzaamheden die niet door haar zijn verricht.

Dit geldt ook voor de omstandigheid dat [maatschap architecten] sinds de beëindiging van de opdracht door E&A Logistiek minder werk beschikbaar heeft voor een werknemer (de heer [werknemer van maatschap architecten] ), waarbij het hof mede van belang acht dat, zoals reeds overwogen, [maatschap architecten] tussen 9 augustus 2012 en de datum van beëindiging van de overeenkomst nog maar 113,5 uur heeft besteed aan de opdracht van E&A Logistiek.

Het voorgaande betekent dat de tweede incidentele grief van [maatschap architecten] faalt.

3.7.3.

De rechtbank heeft het meer subsidiaire standpunt van [maatschap architecten] dat zij aanspraak kan maken op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon (door [maatschap architecten] berekend op € 28.900,-) gehonoreerd en E&A Logistiek veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan [maatschap architecten] .

De grieven 4 en 5 van E&A Logistiek hebben betrekking op deze beslissing.

3.7.4.

Voor zover de grieven voortbouwen op de (te) beperkte uitleg door E&A Logistiek van de tussen partijen gesloten overeenkomst, treffen zij geen doel. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor op dit punt is overwogen onder 3.5.1 tot en met 3.5.6.

3.7.5.

De overige bezwaren van E&A Logistiek tegen de beslissing van de rechtbank zijn de volgende:

- ten onrechte is rekening gehouden met “niet locatie gebonden uren”;

- ten onrechte is rekening gehouden met werkzaamheden voor locaties die waren afgedaan en

betaald;

- de door [maatschap architecten] opgegeven uren worden betwist;

- E&A Logistiek acht de hoogte van het door haar te betalen bedrag onredelijk, mede doordat

zij geen voordeel heeft genoten van de verrichte werkzaamheden.

3.7.6.

De rechtbank is bij de toekenning van het bedrag van € 28.900,- uitgegaan van de berekening van [maatschap architecten] . Volgens [maatschap architecten] heeft zij ten behoeve van het onderzoek naar de verschillende locaties in totaal 562 uren besteed (randnummer 13 van de inleidende dagvaarding). Uitgaande van een uurtarief van € 75,- levert dit een honorarium op van € 42.150,-, waarop door [maatschap architecten] in mindering zijn gebracht de gefactureerde en betaalde bedragen voor de locaties [locatie 4] , [locatie 3] , [locatie 2] en [plaats] (twee maal) ten bedrage van € 13.250,- zodat een bedrag van € 28.900,- resteert.

3.7.7.

Naar het oordeel van het hof maakt E&A Logistiek in zoverre terecht bezwaar tegen deze berekening dat ten onrechte ook de uren die zijn besteed aan de gefactureerde en betaalde locaties [locatie 4] , [locatie 3] , [locatie 2] en [plaats] (twee maal) in de berekening zijn betrokken. Bij de toekenning van het “naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon” gaat het immers om betaling van loon voor werkzaamheden waarvoor de opdrachtnemer (nog) geen vergoeding heeft ontvangen.

Het voorgaande geldt evenzeer voor de werkzaamheden ten behoeve van de locatie [locatie 1] . Die werkzaamheden zijn betaald door Fresh Ideas BV.

Met de hier bedoelde locaties zijn blijkens de eigen opgave van [maatschap architecten] (productie 8 bij inleidende dagvaarding) de volgende uren gemoeid:

[locatie 1] 51 uur

[locatie 2] 59 uur

[locatie 4] 20,5 uur

[locatie 3] 58 uur

[locatie 5] 39,75 uur

[locatie 6] 45 uur

totaal 273,25 uur

3.7.8.

E&A Logistiek heeft voorts terecht bezwaar gemaakt tegen het in rekening brengen van 88,25 “niet locatie gebonden uren”. Naar het oordeel van het hof is weliswaar door [maatschap architecten] voldoende onderbouwd dat dergelijke uren in het kader van de door E&A Logistiek gegeven opdracht zijn gemaakt, maar redelijkerwijs dient een deel van die uren te worden toegerekend aan de hiervoor genoemde gefactureerde en betaalde locaties. Het hof stelt dat deel schattenderwijs vast op 44 uur, dit is ongeveer de helft van het door [maatschap architecten] genoemde aantal uren wegens niet locatie gebonden werkzaamheden.

3.7.9.

Het voorgaande betekent dat op het totaal van 562 door [maatschap architecten] opgevoerde uren een aantal van (273,25 + 44,25 = ) 317,5 uren in mindering moet worden gebracht zodat een aantal van 244,5 uren resteert.

3.7.10.

E&A Logistiek betwist weliswaar dat door [maatschap architecten] - buiten de gefactureerde en betaalde werkzaamheden – nog verdere werkzaamheden voor haar zijn verricht, maar het hof acht die betwisting onvoldoende gemotiveerd, gelet op het volgende. Dat er wel degelijk verdere werkzaamheden door [maatschap architecten] zijn verricht blijkt alleen al uit de door [maatschap architecten] als productie 2 bij inleidende dagvaarding overgelegde excel-sheet waarop de door [maatschap architecten] ten behoeve van de verschillende locaties verrichte werkzaamheden zijn becommentarieerd door E&A Logistiek. Bovendien erkent E&A Logistiek onder randnummer 26 van haar appeldagvaarding dat er in ieder geval door [maatschap architecten] werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de locaties Flevopolder [locatie 7] , [locatie 8/9] , [locatie 10] , [locatie 11] en [locatie 12] .

Het hof acht het door [maatschap architecten] opgegeven aantal uren met de specificatie in productie 3 van de memorie van antwoord tevens incidentele memorie van grieven deugdelijk onderbouwd.

Het hof neemt, op grond van het hiervoor overwogene als vaststaand aan dat – buiten de gefactureerde en reeds betaalde werkzaamheden – in totaal 244,5 uren door [maatschap architecten] ten behoeve van E&A Logistiek zijn besteed.

Aan bewijslevering op dit punt komt het hof dan ook niet toe.

3.7.11.

Net als de rechtbank acht het hof, gelet op de aard van de werkzaamheden, een uurtarief van € 75,- redelijk.

3.7.12.

E&A Logistiek stelt weliswaar dat zij geen voordeel heeft genoten van de door [maatschap architecten] verrichte werkzaamheden, maar dat verweer wordt door het hof verworpen. De werkzaamheden van [maatschap architecten] bestonden uit voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van mogelijke huisvesting van buitenlandse werknemers door E&A Logistiek. Dat E&A Logistiek er (kennelijk) voor heeft gekozen (nog) geen gebruik te maken van de resultaten van die werkzaamheden staat aan toekenning van een redelijke beloning voor de verrichte werkzaamheden niet in de weg.

3.7.13.

De conclusie is dat [maatschap architecten] in redelijkheid aanspraak kan maken op een beloning ten bedrage van 244,5 uren maal € 75,- = € 18.377,50.

Dit betekent dat de grieven 4 en 5 van E&A Logistiek gedeeltelijk slagen en dat de beslissing van de rechtbank tot toekenning aan [maatschap architecten] van een bedrag van € 28.900,- niet in stand kan blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, E&A Logistiek veroordelen om aan [maatschap architecten] een bedrag van € 18.377,50 te voldoen, met de wettelijke rente vanaf 3 december 2013.

3.8.

ad d) de proceskosten veroordeling (grief 6 in principaal appel).

3.8.1.

De zesde grief van E&A Logistiek is gericht tegen de beslissing van de rechtbank inhoudende dat E&A Logistiek als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [maatschap architecten] in conventie wordt veroordeeld.

3.8.2.

Deze grief is in zoverre gegrond dat het hof, gelet op de uitkomst van de procedure in hoger beroep, aanleiding ziet om de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in conventie te matigen. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, E&A Logistiek veroordelen tot betaling van 2/3 deel van de geliquideerde kosten van [maatschap architecten] in conventie, dit is € 1.233,47. Voor het overige zullen de kosten worden gecompenseerd.

3.9.

Op grond van de overwegingen in de vorige rechtsoverweging zal E&A Logistiek worden veroordeeld in 2/3 deel van de geliquideerde kosten van [maatschap architecten] in het principaal appel, te weten 2/3 deel van de verschotten ad € 1.920,- = € 1.280 en 2/3 deel van de advocaatkosten ad € 1.631,- = € 1.087,33.De kosten in het principaal appel zullen voor het overige worden gecompenseerd.

[maatschap architecten] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel die aan de zijde van E&A Logistiek worden begroot op € 815,50 aan advocaatkosten.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep in conventie voor zover E&A Logistiek daarin is veroordeeld tot betaling aan [maatschap architecten] van een bedrag van € 28.900,- met wettelijke rente en voor zover E&A Logistiek is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.850,21 aan proceskosten en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt E&A Logistiek om aan [maatschap architecten] een bedrag van € 18.377,50 te voldoen, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2013 tot de dag van voldoening;

veroordeelt E&A Logistiek in de proceskosten van [maatschap architecten] in eerste aanleg in conventie tot een bedrag van € 1.233,47 en compenseert de kosten van de eerste aanleg in conventie voor het overige;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

veroordeelt E&A Logistiek in de kosten van het principaal appel aan de zijde van [maatschap architecten] tot een bedrag van € 1.280,- voor verschotten en een bedrag van € 1.087,33 voor advocaatkosten en compenseert de kosten van het principaal appel voor het overige;

veroordeelt [maatschap architecten] in de kosten van het incidenteel appel welke kosten aan de zijde van E&A Logistiek worden begroot op € 815,50 aan advocaatkosten;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, D.A.E.M. Hulskes en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2016.

griffier rolraadsheer