Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1044

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.158.345_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Relatie- en geheimhoudingsbeding. Overgang van onderneming? Schriftelijkheidsvereiste?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/916
AR-Updates.nl 2016-0353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.158.345/01

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

[car lease b.v.] Car Lease B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. N.W.L. Nijkamp te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 mei 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost- Brabant , zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2153023 13-8309)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte van [appellante] met producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

In rov. 2.2 tot en met 2.8 van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de volgende feiten vastgesteld.

‘2.2. [geïntimeerde] is op 15 maart 2006 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV in de functie van commercieel manager.

In de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] is, onder andere, het volgende opgenomen:

“9. Geheimhouding

Werknemer is verplicht zowel gedurende als na afloop van het dienstverband strikte geheimhouding te betrachten omtrent alles wat bij de uitoefening van zijn functie ter kennis komt in verband met zaken en belangen van de onderneming. Door overtreding van dit verbod verbeurt werknemer terstond en zonder nadere ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van € 2.500,00 per overtreding, onverminderd de bevoegdheid van werkgever vergoeding te vorderen van de volledige schade.

10. Relatiebeding

Het is de medewerker na de beëindiging van het dienstverband niet toegestaan, direct noch indirect, al dan niet gehonoreerde werkzaamheden te verrichten voor relaties of klanten van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV en/of daaraan gelieerde werkgevers te benaderen. Bij overtreding van dit verbod verbeurt de medewerker ten behoeve van de werkgever een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van € 10.000,00 voor het enkele feit der overtreding en € 500.00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat de medewerker in overtreding is. Alsdan zijn tevens de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten voor rekening van de medewerker. Vorenstaande boete laat onverminderd de gehoudenheid van de medewerker tot betaling aan de werkgever van een volledige schadevergoeding te dezer zake indien deze meer dan gemeld boetebedrag mocht belopen. In dit kader komen partijen uitdrukkelijk overeen deze schadevergoeding te fixeren op een bedrag gelijk aan 50% van de omzet van de medewerker bij de betreffende relatie/klant.”

2.3.

Bij brief van 29 januari 2007, ondertekend door [appellante] , is aan [geïntimeerde] het

volgende bericht:

“Om bedrijfsorganisatorische redenen is besloten om de leasebedrijven van [plaats 1] en [plaats 2] onder te brengen in één BV: [appellante] .

Dit heeft tot gevolg dat alle medewerkers van de beide leasebedrijven per 1 januari 2007 in dienst zullen treden van [appellante] . Tot 1 januari 2007 was u in dienst van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV. Alle rechten en plichten van zowel werkgever als werknemer gaan van rechtswege over naar de nieuwe BV. Zo zullen uw arbeidsovereenkomst, de arbeidsvoorwaarden en andere afspraken met uw werkgever niet wijzigen en nog steeds geldig zijn.”

2.4.

Enige tijd nadien is de functie van [geïntimeerde] gewijzigd in de functie van

accountmanager.

2.5.

Op 28 december 2012 heeft [geïntimeerde] zijn arbeidsovereenkomst met [appellante] opgezegd tegen 1 februari 2013.

2.6.

Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV verricht blijkens de inschrijving in het handelsregister van de KvK activiteiten op het gebied van verhuur van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen operational lease) alsmede handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe).

2.7.

[appellante] verricht blijkens de inschrijving in het handelsregister van de KvK activiteiten op het gebied van verhuur van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen operational lease) alsmede handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe).

2.8.

[geïntimeerde] is per 1 februari 2013 bij de besloten vennootschap [autolease bv] Autolease BV (verder te noemen: [autolease] Autolease) in dienst getreden. [autolease] Autolease verricht blijkens de inschrijving in het handelsregister van de KvK activiteiten op het gebied van operational lease van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s.’

3.1.2.

Met grief 1 wordt de feitenvaststelling onder rov. 2.4 en met grief 2 die onder rov. 2.7 en 2.8, tweede zin, bestreden. Het betreft naar het oordeel van het hof geen dragende overwegingen voor de beslissingen van de kantonrechter in deze zaak. Deze grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Het hof zal de gegrondheid van die grieven in het midden laten. In hoger beroep kan en zal als uitgangspunt dienen de feitenvaststelling in rov. 2.2, 2.3, 2.5, 2.6 en 2.8, eerste zin.

3.2.1.

In eerste aanleg vorderde [appellante] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [geïntimeerde] te veroordelen tot het met onmiddellijke ingang staken en gestaakt houden van de onrechtmatige concurrerende activiteiten bestaand uit overtreding van het relatiebeding jegens [appellante] op laste van een dwangsom van € 1.000,-- per (gedeelte van een) dag dat [geïntimeerde] hiertoe in gebreke blijft;

2. [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de verbeurde boetes aan [appellante] te voldoen van € 10.000,-- ineens wegens overtreding van het overeengekomen relatiebeding en geheimhoudingsbeding, althans vanwege het overtreden van tussen partijen gemaakte (contractuele) afspraken en van € 500,-- per dag extra voor iedere dag dat de overtreding blijft voortduren vanaf 19 april 2013 tot het moment waarop hij zijn onrechtmatige gedragingen in strijd met het relatiebeding staakt;

3. [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de 50% van de geleden schade aan [appellante] te voldoen van € 51.810,-- wegens overtreding van het overeengekomen relatiebeding en geheimhoudingsbeding, althans vanwege het overtreden van tussen partijen gemaakte (contractuele) afspraken;

4. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van dit geding, het salaris van de advocaat van [appellante] ;

5. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten op basis van het rapport Voorwerk II;

6. [geïntimeerde] bij een volledige proceskostenveroordeling tevens te veroordelen in de nakosten. Deze kosten worden forfaitair berekend op € 131,-- te vermeerderen met € 68,-- voor het betekenen van het vonnis, indien [geïntimeerde] 14 dagen na het verzoek om in der minne aan het gewezen vonnis te voldoen in gebreke blijft.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] is van 15 maart 2006 tot en met 1 februari 2013 werkzaam geweest bij [appellante] en haar rechtsvoorganger, aanvankelijk als commercieel manager en later als accountmanager. Partijen zijn een relatiebeding en geheimhoudingsbeding overeengekomen. Als gevolg van een overgang van onderneming is de werkgever van [geïntimeerde] gewijzigd. De arbeidsvoorwaarden zijn echter ongewijzigd gebleven, het relatiebeding en geheimhoudingsbeding zijn in stand gebleven.

Eind 2012 heeft [geïntimeerde] zijn arbeidsovereenkomst bij [appellante] opgezegd. [appellante] is er

achter gekomen dat [geïntimeerde] vanuit zijn nieuwe dienstverband bij Autolease [autolease]

BV, een regionale concurrent, werkzaamheden is gaan verrichten in de functie van directeur

en dat hij direct en/of indirect contact heeft gehad met meerdere zakelijke relaties van [appellante]

, waardoor hij in strijd met het relatiebeding en mogelijk ook het geheimhoudingsbeding heeft gehandeld. [appellante] vordert de schade die zij hierdoor heeft geleden, alsmede de door [geïntimeerde] verschuldigde boetes.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter, kort samengevat, overwogen dat [appellante] heeft nagelaten haar stelling dat er sprake was van overgang van onderneming genoegzaam feitelijk te onderbouwen. De rechten en plichten op grond van de arbeidsovereenkomst die [geïntimeerde] had met Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV zijn niet van rechtswege overgegaan. De enkele verwijzing in de brief van 29 januari 2007 maakt evenmin dat het relatie- en geheimhoudingsbeding in de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellante] is gaan gelden. Nu de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] niet schriftelijk is vastgelegd, is geen sprake van een geldig overeengekomen relatie- en geheimhoudingsbeding. Aldus – steeds – de kantonrechter.

Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.5.

Het hof heeft hiervoor in rov. 3.1.2 reeds overwogen dat de grieven 1 en 2 niet kunnen leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Hetzelfde geldt voor grief 3 die betrekking heeft op een verschrijving van de kantonrechter. De kantonrechter heeft in rov. 3.1 overwogen: ‘Eind 2012 heeft [appellante] zijn arbeidsovereenkomst bij [appellante] opgezegd’. Zoals tussen partijen niet in geschil is, heeft [geïntimeerde] (en niet [appellante] ) eind 2012 zijn arbeidsovereenkomst bij [appellante] opgezegd.

3.6.

De grieven 4 tot en 6 zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over de vraag of er sprake was van overgang van onderneming, en de grieven 7 en 8 tegen het oordeel van de kantonrechter over de geldigheid van het relatie- en geheimhoudingsbeding. Grief 9 betreft een zogenoemde veeggrief, die naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis heeft.

3.7.

Het hof zal eerst de vraag bespreken of er sprake was van overgang van onderneming, zoals [appellante] stelt en [geïntimeerde] betwist.

3.8.

Het hof stelt voorop dat bij een overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die voor de werkgever voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst met een in die onderneming werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger (artikel 7:663 BW). Op grond van het bepaalde in artikel 7:662 lid 2 BW moet onder overgang worden verstaan ‘de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt’ en moet onder economische eenheid worden verstaan ‘een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit’.

De wettelijke regeling met betrekking tot de overgang van onderneming in het Burgerlijk Wetboek vormt een implementatie van Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977, welke richtlijn is gewijzigd bij Richtlijn 98/50/EG van 29 juni 1998 (PbEG 17 juli 1998, L 201/88) en is gecodificeerd in Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001 (PbEG 22 maart 2001, L 82/16; hierna: de richtlijn). De wettelijke regeling moet derhalve zoveel mogelijk in overeenstemming met de inhoud en de strekking van de richtlijn worden uitgelegd.

Ingevolge artikel 7:662 lid 3 BW, voor zover thans van belang, wordt een onderdeel van een onderneming beschouwd als een onderneming.

3.9.

In de toelichting bij grief 4 stelt [appellante] dat er een overgang heeft plaatsgevonden van een onderdeel van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV naar [appellante] in die zin dat de (lease)activiteiten die eerst door de afzonderlijke en zelfstandige afdeling bij Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV werden verricht, door Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV zijn overgedragen aan [appellante] . [appellante] is een rechtsopvolger van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV ten aanzien van de leaseactiviteiten, aldus [appellante] . Bij grief 5 heeft [appellante] nader toegelicht dat onderdeel van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV een zelfstandige afdeling lease was, op welke afdeling naast [geïntimeerde] een drietal backoffice medewerkers werkzaam waren. Zij betoogt aldaar dat er sprake van een economische entiteit met activiteit, welke vervolgens is overgegaan. Voorts waren de activiteiten van de zelfstandige leaseafdeling volgens [appellante] duurzaam georganiseerd. Ten slotte voert [appellante] aan dat niet alleen de leaseactiviteiten en de backoffice van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV, en daarnaast alle werknemers die bij deze zelfstandige afdeling werkzaam waren, zijn overgegaan naar [appellante] maar ook de computers, het computersysteem, de klanten, de inventaris en dergelijke.

3.10.

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord deze grieven bestreden, waarbij zij onder meer naar voren heeft gebracht dat [appellante] nog immer heeft nagelaten de gestelde overgang van onderneming (met stukken) te onderbouwen.

3.11.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. In haar akte na de memorie van antwoord heeft [appellante] onder 2 vermeld dat sinds de oprichting van [appellante] in 1995 alle leaseactiviteiten aldaar werden ondergebracht en dat enkel de werknemers die werkzaam waren voor de afdeling lease op de loonlijst van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV stonden. Dit verdraagt zich niet met het betoog van [appellante] in haar memorie van grieven dat er sprake was van een overgang van onderneming. Zoals [geïntimeerde] in zijn antwoordakte heeft opgemerkt, ligt aan dat betoog immers ten grondslag dat Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV zelfstandig leaseactiviteiten verrichtte, en dat deze zijn overgaan naar [appellante] .

3.12.

Ook doet afbreuk aan het betoog van [appellante] dat zij in de brief van 29 januari 2007 meedeelt dat [geïntimeerde] vanaf 1 januari 2007 niet meer in dienst is van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV, maar van [appellante] , als gevolg van het besluit om ‘de leasebedrijven van [plaats 1] (lees: [car lease b.v.] Car Lease BV) en [plaats 2] (lees: [stad] Car Lease BV) ander te brengen in één BV: [appellante] ’. Zoals de kantonrechter in rov. 4.9 heeft overwogen, was geen van beide echter de werkgever van [geïntimeerde] .

3.13.

Waar [appellante] zich op het standpunt stelt dat zij de rechtsopvolger is van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV, kan het hof haar bij gebreke aan nadere onderbouwing daarin niet volgen. Zo is onduidelijk op welke wijze, zoals zij stelt, de leaseafdeling formeel-juridisch van de vennootschap is losgekoppeld.

3.14.

Ook acht het hof onvoldoende onderbouwd de stelling van [appellante] dat materiële activa (computers, het computersysteem, de inventaris en dergelijke) van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV zijn overgegaan naar [appellante] . Ook hierop heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord gewezen. [appellante] is daarop, hoewel daartoe in de gelegenheid, in haar akte niet ingegaan. Voorts is van onvoldoende betekenis dat de leaseafdeling reeds autonoom opereerde, zoals [appellante] bepleit onder andere door overlegging van verklaringen van oud-medewerkers van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV. Waar het om gaat is of gezegd kan worden dat de leaseafdeling is overdragen aan [appellante] als bedoeld in artikel 7:662 BW e.v.

3.15.

Aangenomen kan worden dat in 2007 personeelsleden uit dienst zijn getreden van [stad] Car Lease BV en Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV en in dienst zijn getreden van [appellante] , onder wie [geïntimeerde] (zie de akte van [appellante] en producties 8 en 9). Ook indien [appellante] al het personeel van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV heeft overgenomen dat zich bezig hield met leaseactiviteiten, is dat echter niet toereikend om te concluderen dat er sprake was van een overgang van onderneming. Daarbij is van belang dat dit personeel volgens [appellante] alleen op de loonlijst van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV was gezet om ook deze werknemers (en niet alleen het personeel dat werkzaam was in het automobielbedrijf) te laten vallen onder de cao voor Motorvoertuigen- en Tweewielerbedrijven (hierna: de cao). Het overzetten van [geïntimeerde] (en anderen) op de loonlijst van [appellante] levert op zichzelf niet de vervreemding van een lopend bedrijf op, zoals aan de orde zou zijn bij de gestelde overgang van onderneming.

3.16.

Rekening houdend met alle door partijen aangevoerde feitelijke omstandigheden, is het hof van oordeel dat niet gebleken is van de situatie dat de exploitatie van een lopend bedrijf in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsmiddelen. Naast het feit dat geen sprake kan zijn van voortzetting of hervatting van leaseactiviteiten van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV door [appellante] als, zoals [appellante] stelt, Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV de leaseactiviteiten niet onder zich had (zie ook hiervoor rov. 3.11), heeft [geïntimeerde] gesteld dat er wel voor rekening en risico van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV leasecontracten zijn afgesloten en dat deze op 1 januari 2007 niet door [appellante] zijn overgenomen. Deze stelling heeft [appellante] niet afdoende weersproken. Niet volstaat daarvoor de stelling van [appellante] dat de leaseportefeuille niet met Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV mee is verkocht (zie haar akte onder 5 en producties 10, 11 en 12). Wat daar verder ook van zij, bedoelde transactie dateert van na de indiensttreding van [geïntimeerde] bij [appellante] .

3.17.

Alles overwegende concludeert het hof dat [appellante] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang in de zin van de Richtlijn, beslissend is of de identiteit van het bedrijf bewaard blijft. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat dit hier het geval is. Aan bewijslevering op dit punt komt het hof derhalve niet toe. Dit betekent dat de grieven 4 en 5 falen. Ook grief 6, waarbij [appellante] heeft verwezen naar de toelichting bij de grieven 4 en 5, faalt derhalve.

3.18.

Het hof zal thans de geldigheid van het relatie- en geheimhoudingsbeding bespreken. Nu er niet van kan worden uitgegaan dat er sprake was van een overgang van onderneming, is het relatie- en geheimhoudingsbeding niet op grond van artikel 7:663 BW van rechtswege overgegaan. Grief 7, die veronderstelt dat er wel sprake was van een overgang van onderneming, kan derhalve niet slagen.

3.19.

Ten aanzien van het relatiebeding verenigt het hof zich met het oordeel van de kantonrechter dat niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste en dat daarom geen sprake is van een geldig overeengekomen relatiebeding, en maakt dit oordeel tot het zijne. Het hof voegt daaraan toe dat gezien de inhoud van het relatiebeding (zie het hiervoor onder rov. 3.1 geciteerde artikel 10 van de arbeidsovereenkomst) dit moet worden geacht onder het bereik van artikel 7:653 BW te vallen. Het beding verbiedt namelijk het contact met relaties of klanten van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV en het verrichten van werkzaamheden voor relaties of klanten van Automobielbedrijf [automobielbedrijf] BV na beëindiging van het dienstverband. Aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 lid 1 BW, ligt de gedachte ten grondslag dat hierin een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft tot zich heeft laten doordringen. Met enkel de brief van 29 januari 2007 is dit naar het oordeel van het hof onvoldoende gewaarborgd. In deze brief wordt geen melding gemaakt van het beding. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] ermee akkoord is gegaan dat dit beding ook in zijn arbeidsverhouding met [appellante] zou gelden. Om deze redenen treft grief 8 voor zover zich dit keert tegen het onderhavige oordeel van de kantonrechter geen doel.

3.20.

[appellante] heeft in de toelichting bij grief 8 voor wat betreft het geheimhoudingsbeding naar voren gebracht dat het schriftelijkheidsvereiste niet geldt voor het geheimhoudingsbeding en daarnaast dat het geheimhoudingsbeding ook geldt op basis van artikel 36 van de cao. Het hof zal voorbij gaan aan deze juridische onderbouwing van het standpunt van [appellante] , nu de feitelijke grondslag voor schending van het geheimhoudingsbeding ontbreekt. Onder 2 in de inleidende dagvaarding heeft [appellante] slechts aangevoerd dat [geïntimeerde] vanuit zijn nieuwe dienstverband bij [autolease] Autolease ‘(…) in strijd met het relatiebeding en mogelijk [cursivering hof] ook het geheimhoudingsbeding heeft gehandeld’. Dat [geïntimeerde] alleen heeft kunnen bewerkstelligen dat klanten van [appellante] door een aanbod van [geïntimeerde] overstapten naar [autolease] Lease doordat [geïntimeerde] gebruik maakte van vertrouwelijke prijsgegevens etc. van [appellante] (zie de pleitaantekeningen in eerste aanleg van [appellante] , onder 16) acht het hof in de processtukken onvoldoende geconcretiseerd. Ook waar [appellante] stelt dat [geïntimeerde] vertrouwelijke informatie verspreidt, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd door [appellante] dat het gaat om van informatie over [appellante] die [geïntimeerde] ter kennis is gekomen bij de uitoefening van zijn functie bij [appellante] . Ook in zoverre treft grief 8 dus geen doel.

3.21.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op € 704,00 aan griffierecht en € 2.446,50 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.P. de Haan en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2016.

griffier rolraadsheer