Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1043

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
200.157.827_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid; art. 3:61 BW; art. 6:32 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek BES Boek 3 61
Burgerlijk Wetboek BES Boek 6 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/889
JBO 2016/171 met annotatie van H.J. Bos
NTHR 2016, afl. 3, p. 193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.157.827/01

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

[beheer 1] Beheer B.V. voorheen genaamd Dakdekkersbedrijf [dakdekkersbedrijf] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde ] c.s. (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. D. Heuker of Hoek te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 september 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie/eiseres in voorwaardelijke reconventie en [geïntimeerde ] c.s. als eiser in conventie/verweerder in voorwaardelijke reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2886261/14-3349)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met één grief en drie producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In rechtsoverweging 2.1 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 in het incidenteel hoger beroep wordt (onder meer) deze vaststelling door [geïntimeerde ] c.s. bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

a. a) Met ingang van 12 september 2014 is de naam van de in eerste aanleg gedagvaarde besloten vennootschap Dakdekkersbedrijf [dakdekkersbedrijf] B.V. gewijzigd in [beheer 1] Beheer B.V. In het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [appellante] (prod. 31 cva rcv) staat geregistreerd dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] tot 30 december 1996 alleen/zelfstandig bevoegd directeur is geweest en dat vanaf die datum [enig aandeelhouder en bestuurder] , geboren op [geboortedatum] 1938 (hierna: [enig aandeelhouder en bestuurder] ) enig aandeelhouder en bestuurder is. [enig aandeelhouder en bestuurder] is de moeder van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] .

b) [geïntimeerde ] c.s. heeft op 30 januari 2013 digitaal, via de website www.dakdekkers-vergelijken.nl bij een zestal dakdekkersbedrijven, waaronder [appellante] , een offerte aangevraagd voor renovatiewerkzaamheden aan het dak van de woning en garage van [geïntimeerde ] c.s.

c) Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de heer [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] (hierna te noemen: [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] ) telefonisch contact opgenomen met [geïntimeerde ] c.s. Vervolgens heeft [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] op verschillende momenten e-mailberichten (zie bijv. producties 2, 3, 4, 5 en 10 inl. dagv.) gestuurd aan [geïntimeerde ] c.s., waaronder staat vermeld:

“Met vriendelijke groet,

[alleen/zelfstandig bevoegd directeur]

[beheer 2] Beheer b.v.[…]”

d) Per e-mailbericht van 21 februari 2013 (prod. 4 inl. dagv.) heeft [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] een offerte uitgebracht voor renovatiewerkzaamheden aan het dak van de woning en de garage van [geïntimeerde ] c.s. voor een bedrag van in totaal € 26.500,00 exclusief BTW.

e) Nadat [geïntimeerde ] c.s. en [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] naar aanleiding van deze offerte verder overleg hadden gehad, is op 16 mei 2013 een aannemingsovereenkomst gesloten voor een totaalbedrag van € 40.805,50 inclusief BTW. De aannemingsovereenkomst (prod. 6 inl. dagv.) is door [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] schriftelijk vastgelegd waarbij in het briefhoofd staat: ‘ [beheer 2] Beheer B.V.’. In de aannemingsovereenkomst staat verder onder meer vermeld:

“ [adres] / [vestigingsplaats ] / [postcode]

[…]

Kvk : [Kvk-nummer]

Btw nr : [Btw nr]

Bank nr : Rabobank ( [bankrekeningnummer] )

[…]

Naar aanleiding van uw aanvraag en plaatselijke opname, de beschrijving van werkzaamheden en materialen zoals besproken.

[…]

Totaal aanneemsom inclusief btw en korting 40805,50

Voor akkoord,

[beheer 2] Beheer b.v. Fam. [geïntimeerde ]

[…]

Startdatum week 23/24

Vriendelijke groet,

[beheer 2]

[vestigingsnaam] bv

[mobieltelefoonnummer] ”

f) [geïntimeerde ] c.s. heeft op 30 mei 2013 de helft van de overeengekomen aanneemsom, een bedrag derhalve van € 20.402,75, betaald op de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] ten name van [appellante] (prod. 34 cva in voorwaardelijke rcv tevens houdende (voorwaardelijke) vermeerdering van eis in conventie).

g) Bij brief van 10 juli 2013 (prod. 9 inl. dagv.), gericht aan [appellante] , heeft de advocaat van [geïntimeerde ] c.s. onder meer geschreven:

“[…] Bij schriftelijke overeenkomst d.d. 16 mei 2013 bent u met cliënten overeengekomen dat u in hun opdracht (renovatie)werkzaamheden zou uitvoeren aan het dak van de woning van cliënten […] voor een bedrag ad in totaal € 40.805,50 inclusief BTW.

[…] u bent in het geheel nog niet begonnen met de uitvoering van de werkzaamheden! Dit bovendien ondanks de talloze verzoeken van cliënten om de werkzaamheden alsnog aan te vangen en vervolgens af te ronden. Dit […] ondanks het feit dat cliënten wel hun verplichting zijn nagekomen om de helft van de overeengekomen aanneemsom voorafgaande aan de aanvang van de werkzaamheden te voldoen. […]

Derhalve verzoek ik u, en voor zover vereist sommeer ik u, hierdoor namens cliënten om uiterlijk vóór 26 juli a.s. de overeengekomen werkzaamheden af te ronden. […]”

h) In een e-mailbericht van 14 juli 2013 van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] aan de advocaat van [geïntimeerde ] c.s. (prod. 10 inl. dagv.) staat, voor zover hier van belang:

“[…] Graag zouden wij willen starten met de werkzaamheden maar vanwege de asbest kan dit niet. Indien wij hiervoor opdracht krijgen zullen wij een asbestsaneringsbedrijf inschakelen en de inventarisatie uit laten voeren. Deze kosten zijn niet in de overeenkomst opgenomen daar wij dit niet wisten. […]”

i. i) Bij brief, gedateerd 15 augustus 2013, (prod. 12 inl. dagv.) met als briefhoofd:

“Dakdekkersbedrijf [dakdekkersbedrijf] b.v.

[adres]

[postcode] [vestigingsplaats ] ”

heeft [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] aan de advocaat van [geïntimeerde ] c.s. onder meer geschreven:

“[…] Inmiddels is duidelijk dat er allereerst een inventarisatie plaats moet vinden. […] Het kan in korte termijn uitgevoerd worden en daaropvolgend kan [asbest en sanering] asbest sanering een offerte uitbrengen. […]Bijgevoegd is een overeenkomst inzake de inventarisatie. Gelieve zo snel mogelijk getekend retour en dan word het direct in gang gezet. […]”

De bij deze brief gevoegde aanvullende offerte voor een bedrag van € 484,- inclusief BTW is door [geïntimeerde ] c.s. voor akkoord getekend. In deze offerte staat boven- en onderaan de naam “ [beheer 2] Beheer b.v.” vermeld en wordt voor de bankrekening waarop laatstgenoemd bedrag moet worden betaald, verwezen naar “Rabobank ( [bankrekeningnummer] ) t.a.v. [beheer 2] [vestigingsplaats ] b.v.”.

[geïntimeerde ] c.s. heeft het bedrag van € 484,- op 28 augustus 2013 naar deze bankrekening overgemaakt en daarbij vermeld: “ten name van [beheer 2] Beheer B.V.” (prod. 33 cva in voorwaardelijke rcv tevens houdende (voorwaardelijke) vermeerdering van eis in conventie).

j) Nadat op 23 augustus 2013 een asbestinventarisatierapport was uitgebracht door M&A Milieuadviesbureau te [vestigingsplaats ] (prod. 14 inl. dagv.) - in welk rapport als opdrachtgever staat vermeld: “ [beheer 2] Beheer” - is op 6 september 2013 door [geïntimeerde ] c.s. een overeenkomst getekend waarbij opdracht wordt gegeven om asbesthoudende materialen in het dak te verwijderen voor een bedrag van € 1.630,- exclusief BTW en om voldoende rolsteigers te plaatsen voor een bedrag van € 950,- exclusief BTW. Deze overeenkomst is gesteld op briefpapier van “ [beheer 2] Beheer b.v.” met dezelfde adres-, KvK-nummer, BTW-nummer en bankrekeningnummergegevens als hiervoor onder e) vermeld (prod. 15 inl. dagv.).

k) Nadat (wederom) verschil van mening was ontstaan over de (kwaliteit van de) uitvoering van de werkzaamheden door [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] hebben [geïntimeerde ] c.s. en [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] op 3 oktober 2013 een minnelijke regeling gesloten. Ook over de inhoud en uitvoering van deze minnelijke regeling is vervolgens een geschil ontstaan.

l) Keurhuis Nederland BV te [vestigingsplaats ] (hierna: Keurhuis) heeft daarna in opdracht van [geïntimeerde ] c.s. een opname gedaan van “de huidige stand van het werk”. [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] is uitgenodigd om bij de opname aanwezig te zijn, maar heeft geen gehoor gegeven aan die uitnodiging. In haar Bouwkundig expertiserapport d.d. 16 oktober 2013 (prod. 24 inl. dagv.) heeft Keurhuis onder meer vermeld:

“[…] 3.2.

De volgende aanleiding is door de opdrachtgever omschreven:

“Vanwege de volgende problemen ben ik op zoek naar een bouwkundig expert. Mijn cliënten (particulieren woonachtig te [woonplaats] ) hebben een dakdekkersbedrijf ( [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer BV te [vestigingsplaats ] ) ingeschakeld terzake werkzaamheden aan het dak van hun woning en garage. Deze overeenkomst is schriftelijk vastgelegd in een aannemingsovereenkomst d.d. 16 mei jl. De door [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer BV uit te voeren werkzaamheden zijn hierin duidelijk gespecificeerd.

[…]

Netto geleverde waarde is dan 3295 euro exclusief btw. […]”

m) Op 5 december 2013 heeft mw. mr. [mevr.mr.] van DAS Nederlandse Rechtsbijstandverzekeringsmaatschappij N.V. (hierna: DAS) in reactie op een brief van de advocaat van [geïntimeerde ] c.s. aan laatstgenoemde een brief geschreven beginnend met: “Tot mij heeft zich gewend de heer [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] namens [beheer 2] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats ] . […]”.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde ] c.s. in conventie gevorderd, samengevat, [appellante] te veroordelen tot betaling van

primair:

I. een bedrag van € 16.415,80;

subsidiair

II. een bedrag € 20.886,75;

alsmede

III. een bedrag van € 939,16 aan buitengerechtelijke incassokosten;

IV. een bedrag van € 1.095,05 aan deskundigenkosten;

een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten, waaronder begrepen de nakosten.

De oorspronkelijk door [geïntimeerde ] c.s. gevorderde hoofdsom betrof het (thans primair) gevorderde bedrag van € 16.415,80. Nadat [appellante] onder meer als verweer had gevoerd dat [geïntimeerde ] c.s. de verkeerde partij heeft gedagvaard omdat [geïntimeerde ] c.s. geen overeenkomst met haar heeft gesloten maar met [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] handelend onder de naam [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer B.V., heeft [geïntimeerde ] c.s. haar conventionele vordering voorwaardelijk vermeerderd in die zin dat hij, op voorwaarde dat de rechtbank zou oordelen dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] de overeenkomst (het hof begrijpt: niet) namens/ uit naam van [appellante] heeft gesloten, heeft gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het in dat geval onverschuldigd aan [appellante] betaalde bedrag van € 20.886,75.

3.2.2.

Aan deze (voorwaardelijk gewijzigde) vorderingen heeft [geïntimeerde ] c.s., kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellante] is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de op 3 oktober 2013 gesloten minnelijke regeling door, ondanks sommatie daartoe, niet mee te werken aan de gezamenlijke benoeming van een deskundige en (vervolgens) door te weigeren het verschil tussen het door [geïntimeerde ] c.s. betaalde voorschot en de door Keurhuis vastgestelde waarde van ‘de huidige stand van het werk’ te betalen. De primaire vordering van [geïntimeerde ] c.s. ziet op dit verschil: € 20.886,75 minus € 3.986,95 (het door Keurhuis berekende bedrag vermeerderd met de BTW) = € 16.415,80.

Als subsidiaire grondslag heeft [geïntimeerde ] c.s. gesteld dat [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst(en).

Voor het geval geoordeeld mocht worden dat [geïntimeerde ] c.s. nimmer een overeenkomst met [appellante] heeft gesloten, dient [appellante] het bedrag van € 20.886,75 als onverschuldigd terug te betalen, aldus [geïntimeerde ] c.s.

3.2.3.

In eerste aanleg heeft [appellante] in voorwaardelijke reconventie (te weten op voorwaarde dat wordt geoordeeld dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] de overeenkomsten namens/uit naam van [appellante] heeft gesloten) gevorderd [geïntimeerde ] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.254,80 te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.4.

Aan deze vordering heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij (conform het als productie 2 bij cva conventie/eis in voorwaardelijke rcv overgelegde overzicht) nog een bedrag van € 5.254,80 van [geïntimeerde ] c.s. te vorderen heeft uit hoofde van de hiervoor sub i) en j) bedoelde overeenkomsten, het meerwerk met betrekking tot het vrijmaken van de overstekken en het voorbereiden van de asbestsanering.

3.2.3.

Partijen hebben over en weer in conventie respectievelijk reconventie gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het vonnis van 25 september 2014 heeft de kantonrechter in conventie [appellante] , conform de als subsidiair geformuleerde vordering II, veroordeeld om aan [geïntimeerde ] c.s. terug te betalen het door [geïntimeerde ] c.s. onverschuldigd betaalde bedrag van € 20.886,75 te vermeerderen met wettelijke rente en een bedrag van € 1.161,25 aan proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe –samengevat- het volgende overwogen.

[geïntimeerde ] c.s. kan geen nakoming door [appellante] vorderen van de overeenkomst die, zo wordt door de kantonrechter vastgesteld, is gesloten met [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] in privé. Bovenaan de overeenkomsten, zoals overgelegd als productie 6 en 15, staat ‘ [beheer 2] Beheer B.V.’ vermeld en bij de ondertekening van de overeenkomsten staat eveneens ‘ [beheer 2] Beheer B.V.’ vermeld. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [appellante] B.V. en [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] (handelend onder de naam [beheer 2] Beheer B.V., welke vennootschap blijkens mededeling ter comparitie van partijen op 5 augustus 2014 kennelijk nooit heeft bestaan) wel voor onduidelijkheid gezorgd, nu [geïntimeerde ] c.s. begrijpelijkerwijs in de veronderstelling was dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] namens [appellante] handelde nu de overeenkomsten naar aanleiding van een offerteaanvraag bij [appellante] , tot stand zijn gekomen, doch is niet aangetoond of gebleken dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] (h.o.d.n. [beheer 2] Beheer B.V.) handelde namens [appellante] . Dat bovenaan de overeenkomst het Kamer van Koophandel nummer van [appellante] zou staan vermeld, maakt dit niet anders. Ook de gevorderde vergoeding van deskundigenkosten is om die reden niet toewijsbaar.

[geïntimeerde ] c.s. heeft onweersproken gesteld dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] en zij nimmer zijn

overeengekomen dat bevrijdend betaald kon worden aan een derde, te weten aan [appellante]

. Nu partijen niet zijn overeengekomen dat [geïntimeerde ] c.s. bevrijdend

kon betalen op een rekeningnummer van een derde, kan dat dan ook reeds daarom niet

als een rechtsgrond voor betaling aan [appellante] worden aangemerkt.

De slotsom luidt dat de bedragen van € 20.402,75 en € 484,00 als onverschuldigd betaald moeten worden terugbetaald.

Omdat niet (voldoende) is gebleken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen, is die vordering afgewezen.

3.4.

[appellante] heeft in het principaal hoger beroep één grief aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de bij het bestreden vonnis toegewezen vorderingen van [geïntimeerde ] c.s., met veroordeling van [geïntimeerde ] c.s. in de kosten van beide instanties en met bekrachtiging van de overige in het bestreden vonnis gegeven beslissingen.

3.5.

[geïntimeerde ] c.s. heeft in het incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd. [geïntimeerde ] c.s. heeft geconcludeerd het principaal hoger beroep ongegrond te verklaren en in incidenteel hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen voor zover daarbij de vorderingen I, III en IV zijn afgewezen en voor het overige dit vonnis te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties alsmede in de nakosten en de wettelijke rente over de kosten indien deze niet binnen veertien dagen na het te wijzen arrest zullen zijn voldaan.

in het incidenteel hoger beroep

3.6.

Het staat ingevolge HR 19 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BG1682) de rechter (in dit geval het hof) in het algemeen vrij de geschilpunten die hem worden voorgelegd, te behandelen in de volgorde die hem het meest aangewezen lijkt.

Het hof ziet aanleiding eerst grief 1 in het incidenteel hoger beroep te behandelen. De vraag of hetgeen [geïntimeerde ] c.s. met zijn incidenteel appel wenst te bewerkstelligen overigens te rijmen valt met hetgeen door hem in het kader van het principaal appel wordt betoogd, zal door het hof eerst worden bezien indien de beslissingen in deze zaak daartoe aanleiding geven.
Met grief 1 komt [geïntimeerde ] c.s. op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de (primaire) vordering [geïntimeerde ] c.s. strekkende tot betaling van het bedrag van € 16.415,80 niet jegens [appellante] toewijsbaar is, omdat [appellante] niet heeft te gelden als wederpartij van [geïntimeerde ] c.s. bij de aannemingsovereenkomst.

3.7.

De primaire vordering van [geïntimeerde ] c.s. is gegrond op de stelling dat [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op 3 oktober 2013 gesloten minnelijke regeling. Uit de stellingen van beide partijen volgt dat deze minnelijke regeling is overeengekomen ter beëindiging van het geschil dat was ontstaan over de (uitvoering van de) aannemingsovereenkomst. Het debat tussen partijen heeft zich enkel gericht op de (respectieve positie van de) partijen bij de aannemingsovereenkomst en geen van partijen heeft hierbij het standpunt ingenomen dat als partij(en) bij de minnelijke regeling (een) andere (n) zou(den) hebben te gelden dan de partijen bij de aannemingsovereenkomst. Voor de toewijsbaarheid van de primaire vordering van [geïntimeerde ] c.s. jegens [appellante] is dan ook vereist dat komt vast te staan dat [geïntimeerde ] c.s. de aannemingsovereenkomst heeft gesloten met [appellante] , waarna – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – ervan kan worden uitgegaan dat ook de minnelijke regeling tussen dezelfde partijen is gesloten.

3.8.

Gesteld noch gebleken is dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] uit hoofde van zijn functie of uit hoofde van een door [appellante] verstrekte volmacht bevoegd was om [appellante] te vertegenwoordigen. De vraag die dan resteert is of [geïntimeerde ] c.s. zich kan beroepen op artikel 3:61 lid 2 BW. Daartoe is vereist dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] in naam van [appellante] heeft gehandeld en dat [geïntimeerde ] c.s. door toedoen van [appellante] , dan wel op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van [appellante] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, redelijkerwijs mocht aannemen dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] bevoegd was om [appellante] te vertegenwoordigen (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115, bevestigd in HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4909, NJ 2012/388).

3.9.

[geïntimeerde ] c.s. heeft in dit verband gesteld dat de offerte-aanvraag is verstuurd naar [appellante] , waarna [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] namens [beheer 2] Beheer B.V. contact met [geïntimeerde ] c.s. heeft opgenomen. Hieruit blijkt volgens [geïntimeerde ] c.s. dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] niet namens zichzelf in privé handelt. Dit zou ook niet mogelijk zijn aangezien in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geen enkele onderneming is ingeschreven die door [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] in privé wordt gedreven terwijl alle ondernemingen en rechtspersonen in Nederland zich op grond van de Handelsregisterwet dienen in te schrijven in het Handelsregister, aldus [geïntimeerde ] c.s.

[geïntimeerde ] c.s. heeft daarbij naar voren gebracht dat de aannemingsovereenkomst is geprint op het briefpapier van [appellante] , waarop ook haar Kamer van Koophandelnummer staat vermeld en dat de aannemingsovereenkomst wordt afgesloten met een vriendelijke groet van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] namens [appellante] B.V.

3.10.

Hoewel de handelwijze van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] inderdaad enige verwarring zaait, is het hof van oordeel dat deze handelwijze niet leidt tot de conclusie dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst heeft gehandeld namens [appellante] . Zoals [geïntimeerde ] c.s. zelf ook stelt, heeft [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] op de offerte-aanvraag gereageerd namens [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer B.V. In de hiervoor in r.o. 3.1. onder c) en d) bedoelde e-mailberichten staat enkel ‘ [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] ’en ‘ [beheer 2] Beheer b.v.’ vermeld en niet de naam [appellante] . In de offerte (prod. 4 inl. dagv) wordt evenmin verwezen naar [appellante] . Bovenaan de aannemingsovereenkomst staat (in een groot lettertype) gedrukt: “ [beheer 2] Beheer B.V.” [geïntimeerde ] c.s. kan daarom niet gevolgd worden in zijn stelling dat de aannemingsovereenkomst is afgedrukt op briefpapier van [appellante] . Dat (i) op de aannemingsovereenkomst ook het Kamer van Koophandelnummer van [appellante] staat en (ii) dat wordt afgesloten met een vriendelijke groet van “ [beheer 2] , [beheer 2] [vestigingsplaats ] bv” is, gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden die duidelijk in de richting van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] of [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer B.V. wijzen, onvoldoende om te kunnen oordelen dat namens [appellante] is gecontracteerd. (De advocaat van) [geïntimeerde ] c.s. is hier kennelijk zelf ook niet (altijd) vanuit gegaan. Zo heeft [geïntimeerde ] c.s. bij de betaling van het bedrag van € 484,00 de naam van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer vermeld (zie hiervoor 3.1. onder i). Ook schrijft de advocaat in de formulering van de opdracht aan Keurhuis dat [geïntimeerde ] c.s. dakdekkersbedrijf [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer BV heeft ingeschakeld (zie hiervoor 3.1. onder l).

Dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer B.V. wellicht niet bestaat (zoals door de kantonrechter is vastgesteld en in hoger beroep niet is bestreden) en dat geen door [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] in privé gedreven onderneming in het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat ingeschreven, zijn -wat daar verder ook van zij- geen omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat dus is gecontracteerd met [appellante] .

3.11.

Overigens kunnen de stellingen van [geïntimeerde ] c.s. naar het oordeel van het hof evenmin de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerde ] c.s. door toedoen van [appellante] , dan wel op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van [appellante] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, redelijkerwijs mocht aannemen dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] bevoegd was om [appellante] te vertegenwoordigen.

[geïntimeerde ] c.s. stelt zelf in de toelichting op grief I in het incidenteel appel dat [enig aandeelhouder en bestuurder] zich op geen enkele wijze bezig houdt met dakdekkerswerkzaamheden en dat alle contacten via [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] lopen, die ook woont in de woning van zijn moeder. Wanneer telefonisch contact wordt gezocht met [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] en zijn moeder de telefoon beantwoordt, wordt steevast door de moeder aangegeven dat zij zich op geen enkele wijze bemoeit met de dakdekkerswerkzaamheden van haar zoon, aldus [geïntimeerde ] c.s. Anders dan [geïntimeerde ] stelt, kan hieruit niet worden afgeleid dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] bij zijn dakdekkerswerkzaamheden handelt namens de besloten vennootschap van zijn moeder en daartoe ook bevoegd is..

[geïntimeerde ] c.s. heeft erop gewezen dat DAS heeft gereageerd op brieven die waren gericht aan [appellante] . Daaruit kan worden afgeleid dat (de bestuurder van) [appellante] aan haar gerichte (aangetekende) brieven ter hand stelt aan [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] . DAS laat er echter in haar antwoord geen misverstand over bestaan dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] DAS heeft benaderd namens [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] Beheer B.V. Aldus vormt deze omstandigheid in dit geval geen aanknopingspunt voor een door [appellante] opgewekte of voor haar risico komende schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] om namens [appellante] op te treden.

3.12.

Grief 1 in het incidenteel appel faalt. Hieruit volgt dat ook grief 2, voor zover deze grief ziet op het afwijzen van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten als (mogelijk) verschuldigd door de contractuele wederpartij van [geïntimeerde ] c.s., in zoverre niet kan slagen.

in het principaal hoger beroep

3.13.

De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering van [geïntimeerde ] c.s. toegewezen. De kantonrechter heeft deze toewijzing gebaseerd op het oordeel dat [appellante] geen contractspartij is van [geïntimeerde ] c.s. in combinatie met de omstandigheid dat niet is overeengekomen dat bevrijdend aan een derde kon worden betaald. Dit betekent volgens de kantonrechter dat door [geïntimeerde ] c.s. onverschuldigd aan [appellante] is betaald.

3.14.

De grief in het principaal hoger beroep keert zich tegen dit oordeel.

3.15.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:32 BW bevrijdt betaling aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen, de schuldenaar, voor zover degene aan wie betaald moest worden de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat. In de verklaring van 4 augustus 2014 heeft [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] de betaling bekrachtigd (prod. 4 pleitnota tevens vermeerdering van eis in voorwaardelijke rcv ) . Op grond van voornoemde bepaling brengt dit mee dat [geïntimeerde ] c.s. in dat geval wel bevrijdend – en wel jegens [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] - aan [appellante] heeft betaald.

3.16.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde ] c.s. subsidiair respectievelijk meer subsidiair het standpunt ingenomen dat in dit geval sprake is van misbruik van bevoegdheid, misbruik van identiteitsverschil, misbruik van rechtspersoon dan wel strijd met de redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde ] c.s. heeft hiertoe gesteld dat [appellante] meewerkt aan een constructie waarbij wordt betaald aan [appellante] terwijl de werkzaamheden (ondeugdelijk) worden uitgevoerd door [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] , teneinde het potentiële verhaalsrecht van privéschuldeisers van [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] te verijdelen. [geïntimeerde ] heeft in dit kader het vermoeden geuit dat [alleen/zelfstandig bevoegd directeur] “onvoldoende solvabel zal blijken te zijn enig geldbedrag aan [geïntimeerde ] c.s. terug te betalen”. Deze stellingen zijn echter door [geïntimeerde ] c.s. niet (voldoende) geconcretiseerd en onderbouwd en kunnen [geïntimeerde ] c.s. om die reden al niet baten. Voorts valt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien waarom het gebruikmaken van de in artikel 6:32 BW neergelegde mogelijkheid in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

3.17.

De grief is mitsdien gegrond. Hieruit volgt dat ook grief 2 in het incidenteel appel -welke mede ziet op het afwijzen van de, door [appellante] als gesteld onverschuldigd ontvanger van de betaling van [geïntimeerde ] c.s. te betalen, gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten- niet kan slagen.
Hetgeen door [geïntimeerde ] c.s. overigens aan zijn vorderingen in eerste aanleg ten grondslag is gelegd is in het kader van het incidenteel appel al behandeld.

3.18.

De slotsom luidt als volgt. Het slagen van de grief in principaal hoger beroep en het falen van de grieven in het incidenteel hoger beroep heeft tot gevolg dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vorderingen van [geïntimeerde ] c.s. alsnog zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde ] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in eerste aanleg – zij het alleen die van de conventie, nu de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet is vervuld - en in hoger beroep. Conform het gedane verzoek zal de proceskostenveroordeling verder uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 25 september 2014;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde ] c.s. af;

veroordeelt [geïntimeerde ] c.s. in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 800,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde ] c.s. in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 2.019,25 aan verschotten en € 1.737,00 aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, R.R.M. de Moor en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2016.

griffier rolraadsheer