Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
200.104.152_041
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3886
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2079
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van koop en verkoop van aandelen in een productiebedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.104.152/01

arrest van 22 maart 2016

in de zaak van

B.V. Exploitatie Maatschappij Travers Mosa,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.C. Vergouwen te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 17 december 2013, 4 maart 2014, 30 september 2014 en 9 juni 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 103039/HA ZA 10-621 gewezen vonnis van 7 maart 2012.

15 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 30 september 2014;

- de constatering op de rol van 9 maart 2015 dat het deskundigenbericht is ontvangen;

- de memorie na deskundigenbericht, tevens vordering in het incident, van Travers Mosa;

- de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde] ;

  • -

    het arrest in het incident van 9 juni 2015;

  • -

    de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] ;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

16 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

17.1.

Bij het tussenarrest van 30 september 2014 is een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de in rechtsoverweging 10.4 van dat arrest geformuleerde vragen. Daartoe is ir. J.P.M. Burger, werkzaam bij [werkgever] te [kantoorplaats] , tot deskundige benoemd.

Bij het arrest in het incident van 9 juni 2015 is de door Travers Mosa bij memorie na deskundigenbericht ingestelde vordering ex artikel 843a Rv, ertoe strekkende [geïntimeerde] te bevelen de bodemrapportage en het saneringsplan van 23 januari 2009 in het geding te brengen, afgewezen.

17.2.

De deskundige heeft in zijn deskundigenbericht d.d. de vragen als volgt beantwoord (voor zover thans van belang en verkort weergegeven):

1. Voldoet de bodemrapportage van IDDS van 3 april 2009 aan de eisen die naar de professionele standaard daaraan gesteld kunnen worden en blijkt daaruit in voldoende mate van de aanwezige verontreiniging ter plaatse?

"(…) In algemene zin kan gesteld worden: de bodemrapportage van IDDS van 3 april 2009 voldoet aan de eisen die daar aan worden gesteld en de ter plaatse aanwezige verontreiniging blijkt daaruit in voldoende mate."

2. Voldoet het saneringsplan van IDDS van 3 april 2009 aan de eisen die naar de professionele standaard daaraan gesteld mogen worden?

" (…) Het saneringsplan van IDDS van 3 april 2009 voldoet aan de eisen die naar de professionele standaard daaraan gesteld mogen worden."

3. Is in de bodemrapportage ten aanzien van de staat van de vloer ter plaatse van de galvanoafdeling van juiste uitgangspunten uitgegaan en moet in het saneringsplan, mede gelet op eventuele nalevering, al dan niet met extra werkzaamheden en kosten rekening worden gehouden?

"(…) Er mag van worden uitgegaan dat deze vloer, als deze onbeschadigd is, de vereiste vloeistof kerende werking heeft. Derhalve zal de staat van de naden en de aansluitingen op overige verhardingen de daadwerkelijke vloeistofdichtheid in praktijk bepalen. In het kader van de NRB (Nederlandse Richtlijn Bodembescherming) kunnen door bevoegd gezag eisen gesteld worden. Op 5 augustus 2008 heeft een locatie inspectie in kader van het bodemonderzoek plaats gevonden. Het is op zich geen doel van een locatie inspectie om de werking van een vloeistofdichte vloer te controleren. Hiervoor is een specifieke deskundigheid nodig en dit is geen doelstelling van vooronderzoek in het kader van bodemonderzoek. Het ligt in de rede dat een opmerking gemaakt zou zijn over de vloeistofdichte vloer als deze bij visuele inspectie in slechte staat of ogenschijnlijk niet (meer) vloeistofdicht zou zijn. Dit vormt namelijk een potentieel risico voor de bodemkwaliteit. Ten tijde van deze locatie inspectie was de betreffende vloeistofdichte vloer 18 jaar oud. Voor zover opgemaakt kan worden uit het rapport is geen melding gemaakt van eventueel niet functioneren van de vloeistofdichte vloer, aan de hand van de visuele waarnemingen.

Aangenomen wordt dat het merendeel van de nikkelverontreiniging in de bodem voor 1990 is ontstaan. Vanaf 1987 geldt bovendien het Zorgplicht artikel dat zegt dat bodemverontreiniging die vanaf dan ontstaat direct ongedaan moet worden gemaakt."

4. Zijn de vereisten van de Wet bodembescherming en de overige toepasselijke milieuregelgeving op juiste wijze toegepast en meegewogen in de rapporten van 3 april 2009?

"Antwoord: de vereisten van de Wet bodembescherming en de aanvullende regelgeving zijn op herkenbare en navolgbare wijze toegepast en meegewogen in de rapporten van 3 april 2009."

5. Is aannemelijk dat de in het saneringsplan vermelde (minimale) maatregelen leiden tot een

goedkeurend besluit van de gemeente?

"(…) Gezien het feit dat het bodemonderzoek voldoet (eerder geconcludeerd) en het saneringsplan voldoet (aan de Wbb) is het aannemelijk dat de gemeente een goedkeurende verklaring afgeeft over de maatregelen. Dit mede gezien het feit dat monitoring plaats vindt waardoor de vinger aan de pols van de grondwaterverontreiniging met nikkel gehouden wordt. (…)."

6. Kunt u een zo precies mogelijke inschatting maken van de saneringskosten die verband zullen houden met die maatregelen?

"De verwachting in het saneringsplan is dat binnen twee jaar de saneringsdoelstelling (stabiele eindsituatie) wordt bereikt. De peilbuizen worden jaarlijks bemonsterd, vooralsnog over een periode van 7 jaar. Er is een indicatieve kostenraming opgenomen voor het geval de sanering (maximaal) 10 jaar duurt. Dit is de door bevoegd gezag goedgekeurde variant. De kosten van deze variant zijn door de deskundige indicatief geraamd op € 171.335,00 exclusief BTW (zie bijlage).

Toevoeging: indien de saneringsdoelstelling binnen/na 10 jaar niet gehaald is, dient deze behaald te worden binnen/na 30 jaar (wettelijke norm). Derhalve is door deskundige ook een

indicatieve kostenraming opgenomen voor deze periode van in totaal (maximaal) 30 jaar. De

kosten zijn voor die periode indicatief geraamd op € 398.3345,00 exclusief BTW (zie bijlage)."

7. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan

kennis neemt?

"Antwoord: de feitelijke grondslag voor de vragen en het ontstane geschil is mogelijk de achterliggende vraag: “wat werd verwacht?”. Deze verwachting bij partijen is meestal ‘diffuus’, omdat:

- het onderwerp is meestal ondergeschikt bij een overname, en

- partijen zijn zelf niet deskundig op dit specifieke terrein. (…)."

17.3.

In antwoord op opmerkingen van [geïntimeerde] naar aanleiding van het conceptdeskundigenbericht, verband houdende met de aan de deskundige gestelde vragen 1 en 3, heeft de deskundige in een notitie van 4 maart 2015 (hierna: de notitie), die naar de deskundige heeft vermeld een onlosmakelijk onderdeel vormt van het deskundigenbericht, nog gemeld:

"2. Er is sprake van een "vloeistofkerende" in plaats van een "vloeistofdichte" vloer.

Antwoord : vloeistofkerend houdt in dat vloeistof wel tegen gehouden wordt, maar dat de vloer op langere termijn niet gegarandeerd (en gecertificeerd) 100% vloeistof tegen houdt. Dit zou kunnen betekenen, afhankelijk van of spills hebben plaats gevonden, dat een (vermoedelijk) kleine hoeveelheid verontreiniging kan zijn bijgevoegd aan de al aanwezige verontreinigingsvracht. Het beleid in het kader van de Zorgplicht is echter dat spills direct worden opgeruimd, waarbij de vloer eventuele spills tijdelijk kan ophouden c.q. tegen houden, zodat de onderliggende bodem niet (extra) belast wordt."

17.4.

In antwoord op opmerkingen van Travers Mosa naar aanleiding van het conceptdeskundigenbericht, verband houdende met de aan de deskundige gestelde vragen 2 en 6, heeft de deskundige in zijn notitie nog gemeld:

"(…) 7. (…) de invloed van de Maas en wisselende grondwaterstanden op de adsorptie-evenwichten en verdunning van de verontreiniging is moeilijk nauwkeurig te voorspellen. Mede daarom dient rekening te worden gehouden met een eventuele saneringsduur van langer dan 10 jaar.

(…) 13. (…) door mij wordt rekening gehouden met een saneringsduur in praktijk die langer is dan de veronderstelde 10 jaar. Derhalve is een kostenraming voor een periode van 30 jaar opgenomen."

17.5.

Bij de beantwoording van de vraag of de conclusies moeten worden gevolgd uit het rapport van een door het hof benoemde deskundige, zullen alle ter zake aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen en zal op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang worden getoetst of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. [geïntimeerde] kan zich, behoudens enkele (detail)punten, verenigen met de uitkomst van het deskundigenbericht en de beantwoording van de vragen door de deskundige. Op de door Travers Mosa opgeworpen bezwaren, onderbouwd met bevindingen van een door hemzelf/haarzelf geraadpleegde deskundige (de 'second opinion' van Arcadis, productie 66 bij memorie na deskundigenbericht) die afwijken van de conclusies van de door het hof benoemde deskundige - zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

17.5.1.

Travers Mosa heeft zich op het standpunt gesteld dat de deskundige ten onrechte onderzoek heeft gedaan naar de bodemrapportage en het saneringsplan van 3 april 2009 en dat in plaats daarvan de bodemrapportage en het saneringsplan van 23 januari 2009 hadden moeten worden beoordeeld. Travers Mosa heeft daartoe aangevoerd dat haar na het arrest van 17 december 2013 is gebleken dat de rapporten van 3 april 2009 niet de eerste rapporten waren die na het overleg tussen partijen op 4 december 2008 zijn verschenen. In de lijn van rechtsoverweging 4.16 van laatstgenoemd arrest hadden de eerste rapporten na die bespreking, en derhalve de - door [geïntimeerde] verzwegen - rapporten van 23 januari 2009, onderwerp van het onderzoek door de deskundige moeten zijn, aldus Travers Mosa.

17.5.2.

Het hof verwerpt dit standpunt. In het tussenarrest van 17 december 2013, waaraan het hof zich houdt, is overwogen en beslist dat partijen op 4 december 2008 hebben afgesproken dat verdere stappen zouden worden gezet in de in de artikelen 6.1, 6.2 en 6.3 voorgeschreven procedure, dat die verdere stappen hebben bestaan uit de totstandkoming van de bodemrapportage en het saneringsplan van 3 april 2009 en dat daarom beoordeeld moet worden of met de maatregelen die zijn genoemd in die bodemrapportage wordt voldaan aan de aan de sanering te stellen eisen en of die sanering al dan niet leidt tot saneringskosten voor een bedrag van maximaal € 300.000,-. Bij akte van 14 januari 2014, waarin Travers Mosa zich heeft uitgelaten over de in het arrest van 17 december 2013 geformuleerde vragen, heeft Travers Mosa er niet over geklaagd dat de rapporten van 3 april 2009 tot uitgangspunt voor de beoordeling van grief V in principaal appel zijn genomen. Pas bij memorie na deskundigenbericht, tevens vordering in het incident, heeft Travers Mosa zich - naar het oordeel van het hof tardief - op het standpunt gesteld dat de rapporten van 23 januari 2009 - die in tegenstelling tot de rapporten van 3 april 2009 nog slechts conceptrapporten betroffen - en niet die van 3 april 2009 onderwerp van het onderzoek hadden moeten zijn. Zoals ook in het arrest in het incident van 9 juni 2015 is overwogen, moet het er voor worden gehouden dat ook Travers Mosa, gelet op haar akte van 26 maart 2013, in ieder geval op die datum reeds wetenschap had van het bestaan van genoemde conceptrapporten en deze dus niet aan een en ander ten grondslag heeft willen leggen.

17.6.

Voor zover Travers Mosa bij memorie na deskundigenbericht (punt 19) bezwaren heeft geuit tegen de wijze van totstandkoming van het deskundigenbericht verwerpt het hof die bezwaren. Daartoe overweegt het hof als volgt.

In artikel 198 lid 2 Rv, naar welk artikel het hof in het tussenarrest van 30 september 2014 verwees, is bepaald dat partijen door de deskundige in de gelegenheid moeten worden gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Aan dat vereiste is voldaan; partijen hebben kunnen reageren op het conceptdeskundigenbericht en de deskundige heeft daarop in eerdergenoemde notitie gereageerd. De deskundige heeft de nodige vrijheid en zelfstandigheid om het onderzoek op de hem best voorkomende wijze te verrichten (HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2141, ook genoemd in het tussenarrest van 30 september 2014). In dit licht bezien was de deskundige niet gehouden om de door Travers Mosa in haar akte van 14 januari 2014 geformuleerde 89 (deel)vragen te beantwoorden en/of over het onbeantwoord laten daarvan jegens Travers Mosa rekenschap af te leggen.

Gelet op die vrijheid en zelfstandigheid die aan de deskundige moeten worden gelaten heeft hetzelfde te gelden voor de omstandigheid dat de deskundige niet is ingegaan op de wens van Travers Mosa om de door partijen ingeschakelde milieuspecialisten een mondelinge toelichting te laten geven.

Dat de deskundige, zoals vermeld op bladzijde 1 van het deskundigenbericht, het door hem ontvangen procesdossier 'diagonaal' heeft bekeken om gevoel te krijgen voor de context van het geschil doet naar het oordeel van het hof, anders dan Travers Mosa heeft aangevoerd, niet twijfelen aan de grondigheid van het onderzoek. Met de deskundige is het hof van oordeel dat het onderzoek immers beperkt is tot de door het hof aan de deskundige gestelde vragen. In ieder geval heeft de deskundige geen (diepgaande) kennis hoeven nemen van alle, veelal juridische, geschilpunten tussen partijen.

Volgens Travers Mosa heeft de deskundige op een aantal punten - maar Travers Mosa noemt in dit verband alleen de vloeistofdichtheid van de vloer - geen eigen oordeel gevormd maar is hij ten onrechte voorshands uitgegaan van de juistheid van de rapporten van IDDS. Zoals in het hiernavolgende nog zal blijken, is de staat van de vloer (vloeistofdicht of vloeistof kerend) naar het - gemotiveerde - oordeel van de deskundige niet van belang voor de vraag of sprake is van (substantiële) nalevering. Ook aan dit bezwaar wordt daarom voorbijgegaan.

17.7.

In rechtsoverweging 10.3.4 van het tussenarrest van 30 september 2014 heeft het hof overwogen dat partijen met het sluiten van de overeenkomst van 25 juli 2008 zijn overeengekomen (niet meer dan) dat er in opdracht van [geïntimeerde] een bodem- en milieurapportage zou worden opgesteld (artikel 6.1) en dat de hoogte van de daaruit blijkende saneringskosten bepalend zou zijn voor de gevolgen van de overeenkomst (artikel 6.3). Niet is overeengekomen dat omtrent de hoogte van de saneringskosten onder alle omstandigheden en te allen tijde absolute zekerheid zou bestaan. Noch is in de overeenkomst als zodanig de gemeentelijke goedkeuring van het saneringsplan als voorwaarde opgenomen. Daarentegen is de uitkomst van de bodemrapportage en voor wat betreft de hoogte van de kosten het saneringsplan - mits die rapporten kunnen worden geacht te voldoen aan de eisen die naar de professionele standaard daaraan gesteld mogen worden - bepalend.

17.8.

Anders dan Travers Mosa in punt 4 e.v. van haar tweede pleitnota (voorgedragen ter gelegenheid van het op 15 december 2015 gehouden pleidooi) heeft aangevoerd, heeft het hof in rechtsoverweging 10.3.4 (laatste alinea) van het tussenarrest van 30 september 2014 niet een (volgens Travers Mosa onzinnig) onderscheid willen maken tussen saneringskosten gedurende de eerste tien jaar en daarna opkomende saneringskosten. Het hof heeft in die rechtsoverweging tot uitdrukking gebracht dat slechts de kosten in aanmerking moeten worden genomen die volgen uit het saneringsplan van 3 april 2009 (voor zover dat plan aan de daaraan te stellen eisen voldoet), ongeacht de periode waarover die kosten zich uitstrekken. Indien en voor zover evenwel de gemeente op een later moment nog aanvullende saneringsmaatregelen zou opleggen, die niet (direct) volgen uit het saneringsplan van 3 april 2009, moeten die desbetreffende kosten naar het oordeel van het hof niet worden meegerekend voor de thans te beantwoorden vraag of de saneringskosten al dan niet beneden het overeengekomen grensbedrag van € 300.000,- blijven.

17.9.

Voorts wordt vooropgesteld dat de deskundige van oordeel is dat zowel de bodemrapportage als het saneringsplan van 3 april 2009 voldoen aan de eisen die naar de professionele standaard daaraan gesteld mogen worden. Volgens de deskundige zijn in beide rapporten de - volgens hem beperkte - vereisten van de Wet bodembescherming en de aanvullende regelgeving op herkenbare en navolgbare wijze toegepast en meegewogen. Gelet daarop is volgens de deskundige aannemelijk dat de in het saneringsplan vermelde maatregelen (zouden) leiden tot goedkeuring van de gemeente.

17.11.1.

Travers Mosa heeft een groot aantal bezwaren tegen de conclusies van de deskundige geformuleerd. De - door de gemeente afgekeurde - bodemrapportage bevat onjuistheden, namelijk (samengevat): ten onrechte is ervan uitgegaan dat de vloer vloeistofdicht is en zich uitstrekt over de gehele galvano-afdeling, ten onrechte is uitgegaan van een historische verontreiniging, de nabijheid van de Maas en fluctuerende grondwaterstanden zijn buiten beschouwing gelaten en uitgegaan is van een onjuist pluimgedrag. Het saneringsplan is door de gemeente eveneens onvoldoende bevonden, een hydrologische modellering ontbreekt, een voldoende gemotiveerde tredeonderbouwing ontbreekt, een kostenraming ontbreekt, relevante omgevingsfactoren (de Maas, fluctuerende grondwaterstanden, nalevering) zijn niet onderkend, er is geen terugvalscenario begroot, de gekozen actiewaarden en meetpunten zijn onjuist en ineffectief, het saneringsplan bouwt voort op de onjuistheden in de bodemrapportage en de conclusies in het saneringsplan staan haaks op de conclusies in de bodemrapportage. Ook is onduidelijk aan welke regelgeving er is getoetst, is de kostenraming van de deskundige onduidelijk en zijn daarin niet alle kosten meegenomen, aldus Travers Mosa.

17.11.2.

De deskundige heeft in zijn antwoord op vraag 5 gerapporteerd dat ondanks protocollering geen enkel bodemonderzoek of saneringsplan standaard is. Afhankelijk van kenmerken van de verontreiniging en de locatie-specifieke omstandigheden is zowel het bodemonderzoek, als het saneringsplan, als de beoordeling door de overheid maatwerk. Voor zover de bezwaren van Travers Mosa inhouden dat de bodemrapportage en het saneringsplan van 3 april 2009 ondeugdelijk zijn reeds omdat deze niet zijn goedgekeurd door de gemeente, gaan deze bezwaren daarom niet op. Voorts wordt in dit verband (wederom) overwogen dat partijen zijn overeengekomen dat er een bodemrapportage en een saneringsplan zouden worden opgesteld en dat, na gebleken verontreiniging, de daaruit blijkende hoogte van de saneringskosten bepalend zou zijn voor de vraag of de voorwaarde waaronder de overeenkomst is gesloten al dan niet in werking zou treden. In de overeenkomst is op zichzelf geen bepaling te vinden die voorschrijft waaraan de rapporten zouden moeten voldoen; met name is niet de voorwaarde gesteld dat het saneringsplan zou moeten zijn goedgekeurd door de gemeente.

17.12.1.

Eén van de cruciale stellingen van Travers Mosa (door haar als zodanig aangeduid in punt 7 van haar memorie na deskundigenbericht) is dat de in het saneringsplan voorgestelde wijze van sanering de toets der kritiek niet kan doorstaan omdat er volgens haar ernstig rekening mee moet worden gehouden dat er sprake zal zijn van nalevering van verontreiniging, dat de periode waarin saneringsmaatregelen nodig zullen zijn daarom langer is dan tien jaar, namelijk 30 jaar, en dat daaruit volgt dat de kosten die verband houden met de sanering hoger zullen uitvallen dan het bedrag van € 300.000,-. In dit verband heeft Travers Mosa in punt 3 van haar tweede pleitnota betoogd: "Als schoon grondwater - 18 jaar na het wegnemen van de gresbuizen - na passeren van het verontreinigde pakket tot 2,4 keer zwaarder verontreinigd is dan de (zeer hoge) interventiewaarde, dan is er nalevering. Niemand kijkt echter naar deze meetgegevens, verscholen in de bijlagen van de bodemrapportage."

17.12.2.

In het saneringsplan van IDDS van 3 april 2009 (productie 18 bij conclusie van antwoord) wordt uitgegaan van het plaatsen van een actief geohydrologisch scherm (grondwaterbarrière) als meest geschikte saneringsvariant.

Ervan uitgaande dat geen of slechts beperkte nalevering van verontreiniging vanuit de grond aan het grondwater plaatsvindt, is de verwachting dat een stabiele situatie zal ontstaan en dat het scherm tien jaar in werking zal zijn (punt 6.2 van het saneringsplan).

In het saneringsplan is, gezien de samenvatting (bladzijde 2) en punt 8.2 van dat rapport, evenwel rekening gehouden met de mogelijkheid dat nog nalevering plaatsvindt. Om (onder meer) te controleren of er sprake is van nalevering is er een monitoringsplan opgesteld waarbij na de sanering aanvankelijk jaarlijks het grondwater wordt geanalyseerd: "Vooralsnog wordt (…) er van uitgegaan dat het scherm minimaal 10 jaar in werking zal zijn. Indien na deze periode blijkt dat nog steeds verspreiding van de verontreiniging plaatsvindt (lees nalevering vanuit de grond) dan zal het scherm in stand gehouden blijven totdat deze nalevering is gestopt (bron verwijderd)" (bladzijde 12 van het saneringsplan).

17.13.3.

Uitgaande van een saneringsduur van tien jaar, waarbij het geohydrologische scherm voor die periode in werking is, begroot de deskundige de met de sanering verband houdende kosten op € 171.335,- exclusief btw, zoals gespecificeerd in bijlage 2.4 bij het deskundigenbericht. Uitgangspunt daarbij is dat er na die periode geen nalevering van nikkelverontreiniging vanuit de grond naar het grondwater meer plaatsvindt en dat er dan dus sprake is van een stabiele eindsituatie.

Uitgaande van een saneringsduur van 30 jaar (de wettelijke norm) begroot de deskundige de met de sanering verband houdende kosten op € 398.335,- exclusief btw, zoals gespecificeerd in bijlage 2.5 bij het deskundigenbericht, zulks voor het geval er sprake is van nalevering en de saneringsdoelstelling niet binnen/na tien jaar zal blijken te zijn gehaald.

De deskundige heeft in dit verband vermeld (laatste bladzijde van zijn notitie) dat de invloed van de Maas en wisselende grondwaterstanden op de adsorptie-evenwichten en verdunning van de verontreiniging moeilijk te voorspellen zijn, reden waarom rekening moet worden gehouden met een mogelijk langere saneringsduur dan tien jaar.

De staat van de vloer onder de galvano-afdeling - Travers Mosa heeft onderbouwd betoogd dat niet sprake is van een vloeistofdichte vloer maar slechts van een vloeistof kerende vloer die bovendien in slechte staat is - leidt naar het oordeel van de deskundige, gelet op diens in rechtsoverweging 17.3 geciteerde antwoord in de notitie, hoe dan ook niet tot de conclusie dat vanuit de galvano-afdeling nog (substantiële) nalevering van verontreiniging kan plaatsvinden. Het hof acht de in de notitie verwoorde redenering overtuigend.

17.13.4.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de kans op een terugvalscenario, in die zin dat na twee jaar niet een stabiele eindsituatie zal zijn bereikt, kan worden afgekocht, in verband waarmee [geïntimeerde] op de offertes van [offerte 1] en [offerte 2] (productie 18 respectievelijk 62 van [geïntimeerde] ) wijst. Die offertes zien evenwel niet op de in het saneringsplan van 3 april 2009 vermelde werkzaamheden, maar op die van een later saneringsplan. Ook blijkt uit de offertes niet dat daarmee alle werkzaamheden gedurende de mogelijke saneringsduur van 30 jaar geheel worden afgekocht.

17.13.5.

In het voorgaande ziet het hof aanleiding aan de deskundige aanvullende inlichtingen te vragen en hem daartoe de hierna in 17.15 te formuleren vragen te stellen.

17.14.

Travers Mosa heeft aangevoerd (punt 193 e.v. van haar memorie na deskundigenbericht en punt 40 van haar tweede pleitnota) dat bij de berekening van de hoogte van de saneringskosten ook de volgende posten moeten worden meegenomen: de kosten van het vloeistofdicht maken van de vloer (1), de kosten van zuivering van het onttrokken grondwater (2), leges voor lozing (3), elektriciteit (4), extra peilbuizen (5) en de kosten van de verwijdering van de bron (6).

17.14.1.

Naar het oordeel van het hof moeten de posten 1, 2 en 6, gelet op het hiervoor in de rechtsoverwegingen 17.7 en 17.8 overwogene, buiten beschouwing blijven. Uit het saneringsplan vloeit immers niet de verplichting voort de vloer onder de galvano-afdeling vloeistofdicht te maken of te herstellen. Op bladzijde 15 van het saneringsplan is vermeld dat zuivering van het onttrokken grondwater in beginsel niet noodzakelijk is. Ook is uitgangspunt van het saneringsplan nu juist dat verwijdering van de bron niet noodzakelijk is.

17.14.2.

Met betrekking tot de overige posten 3, 4 en 5 overweegt het hof dat [geïntimeerde] op zichzelf niet heeft betwist dat deze kosten verband (kunnen) houden met de maatregelen die volgen uit het saneringsplan van 3 april 2009 (zie punt 7.6.13 van de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] ). Volgens [geïntimeerde] zijn deze kosten evenwel van ondergeschikte aard.

Ook ten aanzien van deze mogelijke kostenposten wenst het hof van de deskundige nadere informatie te ontvangen.

17.15.

Gelet op het voorgaande is het hof is voornemens aan de deskundige de volgende vragen te stellen:

1. Hoe waarschijnlijk dan wel onwaarschijnlijk is het dat bij toepassing van de maatregelen genoemd in het saneringsplan van 3 april 2009, bezien vanuit dat moment, niet na tien jaar de saneringsdoelstelling zal zijn gehaald?

2. Hoe waarschijnlijk dan wel onwaarschijnlijk is dat bij toepassing van de maatregelen genoemd in het saneringsplan van 3 april 2009, bezien vanuit dat moment, pas na 30 jaar de saneringsdoelstelling zal zijn gehaald?

3. Wilt u bij de beantwoording van de vorige twee vragen aandacht schenken aan punt 3 van de tweede pleitnota van Travers Mosa, hiervoor geciteerd in rechtsoverweging 17.12.1?

4. Moeten de mogelijke kosten van leges voor lozing, elektriciteit en extra peilbuizen (zie hiervoor rechtsoverweging 17.14) naar uw deskundig oordeel tot de uit het saneringsplan van 3 april 2009 voortvloeiende saneringskosten worden gerekend?

5. Indien u de vorige vraag met ja hebt beantwoord, kunt u een gemotiveerde inschatting van die kosten geven (per periode en in totaal)?

6. Wat is de mate van waarschijnlijkheid dat, bezien vanuit april 2009, de kosten van de sanering volgens het saneringsplan van 3 april 2009 meer dan € 300.000,- zullen bedragen (hoogst onwaarschijnlijk, onwaarschijnlijk, waarschijnlijk, of zeer waarschijnlijk)?

17.16.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de aan deskundige te stellen vragen zoals hiervoor geformuleerd in rechtsoverweging 17.15.

De kosten van het aanvullende deskundigenbericht zullen - opnieuw - voorlopig ten laste van [geïntimeerde] worden gebracht.

17.17.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

18 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van 19 april 2016 voor akte aan de zijde van beide partijen met de hiervoor in rechtsoverweging 17.16 vermelde doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, J.R. Sijmonsma en B.E.L.J.C. Verbunt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2016.

griffier rolraadsheer