Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1014

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
20-004121-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren voor gewapende overval waarbij een medewerker van de cafetaria is neergeschoten (poging gekwalificeerde doodslag op medewerker cafetaria en afpersing bezoekers cafetaria), bedreiging met de dood, wapenbezit en diefstal van sieraden (inbraak).

Vrijspraak van poging moord of doodslag op motoragent (verdachte heeft vanuit stilstaande auto met een hagelgeweer geschoten globaal in de richting van achtervolgende motoragent), omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zodanig in de richting van die motoragent heeft geschoten dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat deze zou worden geraakt.

Behandeling van verdachte noodzakelijk, tbs niet. Het behandeltraject kan plaatsvinden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het hof vertrouwt erop dat dit ook zal gebeuren.

Schadevergoeding voor slachtoffers: (i). niet gevorderde immateriële schade van neergeschoten slachtoffer cafetaria betrokken in schadevergoedingsmaatregel, (ii). globaal uitgangspunt dat in het helingscircuit ongeveer een kwart van de werkelijke waarde van sieraden wordt vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004121-13

Uitspraak : 21 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met de parketnummers 02-800928-11 en 02-666976-12 tegen de verdachte:

[naam van de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1990,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht te Dordrecht.

A. Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte veroordeeld ter zake van:

(in de zaak met parketnummer 02-800928-11)

  • -

    Feit 1 “poging tot doodslag”;

  • -

    Feit 2 “medeplegen van poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken”;

  • -

    Feit 3 “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”;

  • -

    Feit 4 (subsidiair) “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”;

  • -

    Feit 5 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”;

(in de zaak met parketnummer 02-666976-12)

  • -

    “diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”;

tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege.

Voorts heeft de rechtbank beslist omtrent in beslag genomen voorwerpen en schadevergoeding voor benadeelde partijen.

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 6 tenlastegelegde (voorhanden hebben van een hagelgeweer).

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

B. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de toelichting die de benadeelde partij [A] heeft gegeven op haar vordering tot schadevergoeding.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 4 primair ten laste gelegde, het in die zaak onder 1, 2 primair, 3, 4 subsidiair, 5 en het in de zaak met parketnummer 02-666976-12 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat overeenkomstig het vonnis van de rechtbank zal worden beslist. Voor het overige behelst zijn vordering dat:

- de vorderingen van de benadeelde partijen [B] en [A] volledig zullen worden toegewezen en dat in dat verband aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen zullen worden opgelegd ter hoogte van de gevorderde bedragen;

- de vordering van de benadeelde partij [C] volledig zal worden toegewezen en dat aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd, met dien verstande dat die zich niet alleen uitstrekt over de gevorderde materiële schade, maar ook over de niet gevorderde en op € 4.000,-- te begroten immateriële schade;

- de vordering van de benadeelde partij [D] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.450,--, dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding en dat aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd ter hoogte van het toegewezen bedrag;

- de vordering van de benadeelde partij [E] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.083,40, dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard, dat de proceskosten van de benadeelde partij zullen worden begroot op € 150,-- en ten laste van de verdachte zullen worden gebracht, en dat aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd ter hoogte van het toegewezen bedrag.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 1 en onder 4 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De raadsman heeft verder bepleit dat het in diezelfde zaak onder 2 primair ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard overeenkomstig de door de verdachte in zijn bekennende verklaring beschreven toedracht.
Voorts heeft de raadsman bepleit dat het hof niet de maatregel van terbeschikkingstelling zal gelasten, maar aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen van zodanige duur dat de verdachte zo snel mogelijk kan starten met een behandeling in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Tot slot heeft de raadsman verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [A] .

C. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 6 ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover het hiertegen is gericht.

D. Vonnis waarvan beroep

Het hof komt in tegenstelling tot de rechtbank tot een vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 1 ten laste gelegde. Het hof komt bovendien ten aanzien van het in diezelfde zaak onder 3 en het onder 4 subsidiair ten laste gelegde tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden vernietigd.

E. Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 02-800928-11


1.
hij op of omstreeks 30 augustus 2011 te Etten-Leur ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [B] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten op, althans in de richting van, die [B] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair:
hij op of omstreeks 2 september 2011 te St. Willebrord, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [C] van het leven te beroven, met dat opzet met (een of meer) vuurwapen(s) een of meermalen heeft geschoten op en/of in de richting van genoemde [C] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van (een) geldbedrag(en) (circa € 350,--), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [D] en/of [C] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededaders, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 2 primair niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

a).
hij op of omstreeks 2 september 2011 te St. Willebrord ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [C] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met (een of meer) vuurwapen(s) heeft geschoten op, althans in de richting van, die [C] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

b).
hij op of omstreeks 2 september 2011 te St. Willebrord, in broodjeszaak/cafetaria " [naam] ' tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[D] en/of [C] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [C] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [C] en/of [D] heeft gedwongen tot de afgifte van (telkens) (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [D] en/of [C] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (gemaskerd) die broodjeszaak/cafetaria is/zijn binnengegaan en/of meermalen, althans eenmaal, met (een of meer) vuurwapen(s) heeft/hebben geschoten op, althans in de richting van, die [C] en/of op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [C] heeft/hebben geslagen en/of geschopt/getrapt en/of met een kassalade op het hoofd van die [C] heeft/hebben geslagen en/of tegen die [C] heeft/hebben geroepen/gezegd: "open de kassa, open de kassa", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;


3.
hij op of omstreeks 2 september 2011 te St. Willebrord, in broodjeszaak/cafetaria " [naam] ' tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere, althans een, geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [F] en/of [G] en/of [H] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [F] en/of [G] en/of [H] en/of [E] en/of [I] en/of [D] en/of [C] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [F] en/of [G] en/of [H] en/of [I] heeft gedwongen tot de afgifte van (telkens) (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [F] en/of [G] en/of [H] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
- (gemaskerd) die broodjeszaak/cafetaria is/zijn binnengegaan en/of een vuurwapen aan de aanwezigen in die broodjeszaak/cafetaria heeft/hebben getoond en/of
- die [F] heeft/hebben bedreigd met een vuurwapen, althans een vuurwapen heeft/hebben gericht op het lichaam van die [F] , en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen/gezegd: "geld, geld", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of
- bij die [G] een vuurwapen tegen het hoofd heeft/hebben gezet, althans heeft/hebben gericht op het hoofd, althans het lichaam, van die [G] en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen/gezegd: "geld, geld", althans woorden van soortgelijke dreigende aard,
terwijl dit alles werd voorafgegaan hierdoor, of plaatsvond op het moment, dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
- met (een of meer) vuurwapen(s) meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geschoten op, althans in de richting van, die [C] en/of in de lucht heeft/hebben geschoten en/of
- die [C] op/tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben geslagen en/of geschopt/getrapt en/of met een kassalade op het hoofd heeft/hebben geslagen en/of
- tegen die [C] heeft/hebben geroepen/gezegd: "open de kassa, open de kassa", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- bij binnenkomst in de cafetaria [E] (met een hard voorwerp) hard op diens neus/gezicht heeft/hebben geslagen;

4. primair:
hij op of omstreeks 28 augustus 2011 te Etten-Leur ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [J] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen heeft geschoten op, althans in de richting van, die [J] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 4 primair niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2011 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [J] en/of [K] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend met een jachtgeweer, althans met een vuurwapen, door een raam van de voordeur in een woning aan de Antoniuslaan 7, waar voornoemde [J] en/of [K] op dat moment verbleef/verbleven, geschoten;

5.
hij op of omstreeks 4 september 2011 te Breda en/of Rucphen, in elk geval in het arrondissement Breda, een wapen van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (Astra, kaliber 6.35), voorhanden heeft gehad;


in de zaak met parketnummer 02-666976-12


hij op of omstreeks 21 februari 2011 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en/of een computer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

F. Vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 1 ten laste gelegde

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof met de raadsman van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 1 ten laste gelegde poging tot moord, poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling.

Het hof overweegt in dit verband het volgende.

De verdachte heeft over dit feit ter terechtzitting in hoger beroep op 13 april 2015 onder meer verklaard: “Het is juist dat ik op 30 augustus 2011, omstreeks 02:00 uur, degene ben geweest die met een jachtgeweer schoten heeft gelost op motoragent [B] . Ik was ook de bestuurder van de auto. Ik heb niet gericht geschoten op de motoragent. Ik geloof dat ik 2 à 3 schoten heb gelost op [B] . (…) Het was mijn bedoeling om [B] af te schrikken en om die reden heb ik over het dak geschoten. Ik heb echter niet welbewust in zijn richting geschoten. Ik schoot juist omhoog. Ik wilde de plaats ontvluchten (…). U, jongste raadsheer, vraagt mij of ik loodrecht de lucht in heb geschoten. Nee. U, jongste raadsheer, houdt mij daarop voor dat ik dan dus wel degelijk in de richting van de agent heb geschoten. Dat zou je dan zo wel kunnen opvatten inderdaad en ook ligt het dan inderdaad voor de hand dat de agent mondingsvuur van het geweer heeft gezien. Ik heb het geweer zo vastgehouden dat de agent gedacht zou kunnen hebben dat de kogels zijn richting uit kwamen. Maar ik heb het geweer zo gericht, dat ik hem nooit kon raken.”

Aangever [B] heeft de toedracht als volgt heeft beschreven (p. 295-297 van het politiedossier): “Op dinsdag 30 augustus 2011 was ik, omstreeks 02:00 uur, betrokken bij een schietincident na een achtervolging te Etten-Leur. Ik was deze nacht als motoragent werkzaam (…). De achtervolging [hof: aangever achtervolgde op zijn motor een door de verdachte bestuurde auto] ging met een zeer hoge snelheid. (…) Op enig moment (…) zag ik dat de auto snelheid verloor. (…) Ik zag dat de auto of stil ging staan dan wel erg langzaam rolde (…) Ik bevond mij op dat moment zittend op mijn motor (…). Ik schat de afstand tussen mij en de auto op ongeveer 3 à 5 meter. (…) Ik bevond me (…) rechts van het voertuig en had zicht op de bijrijderszijde. Ik bracht mijn motor tot stilstand. (….) Ik zag op dat moment dat de bestuurder van de auto met zijn bovenlichaam boven het dak van de auto uitkwam. (…) Ik zag dat de bestuurder mij aankeek. Ik zag dat de bestuurder een van zijn armen uitstrekte en in mijn richting wees over het dak van de auto. Ik zag hierop een oranje vlam die ik meteen herkende als een mondingsvlam en hoorde een schot. (…) Ik zag dat er een tweede keer op mij werd gevuurd. Ik zag namelijk wederom de kenmerkende oranje mondingsvlam. Ik denk dat er tussen het eerste en het tweede schot dat (…) werd afgevuurd een fractie van een seconde zat. (…) Een fractie van een seconde na de eerste twee schoten, zag ik in het voertuig een flits welke een mondingsvlam leek te zijn. (…) Ik kan dus zeggen dat er zeker twee keer, maar misschien drie keer (…) is geschoten. (…) Na de (…) schoten realiseerde ik me dat ik gelukkig niet geraakt was.”

De auto waarin de verdachte toen heeft gereden, was een Citroën C5. Het jachtgeweer waarmee is geschoten, is later aangetroffen op een nabijgelegen zandvlakte. Een wapendeskundige heeft vastgesteld dat het een hagelgeweer is, waarvan zowel de kolf als de loop is ingekort. De in de auto aangetroffen hulzen van afgeschoten patronen zijn van hagelpatronen. Algemeen bekend is dat hagelpatronen naar hun aard een zeker spreidingsniveau hebben.

Aan de hand van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte met een ingekort hagelgeweer vanuit een (nagenoeg) stilstaande auto globaal in de richting van motoragent [B] heeft geschoten die zich op dat moment 3 tot 5 meter achter de auto bevond. In aanmerking genomen dat de bestuurdersplaats van die auto, vanaf waar de verdachte de schoten heeft gelost, naar schatting op circa 2 meter van de achterzijde van de auto moet worden gesitueerd, concludeert het hof dat de afstand tussen verdachte en [B] circa 5 tot 7 meter moet hebben bedragen. Verdachte heeft [B] vanaf die relatief korte afstand echter niet geraakt, terwijl kan worden aangenomen dat verdachte vanuit een (nagenoeg) stilstaande auto in staat was te richten zonder rekening te hoeven houden met onverwachte bewegingen van de auto, en hij schoot met een geweer met een zeker spreidingsniveau.

De omstandigheid dat [B] het mondingsvuur van twee of drie schoten heeft gezien, toont niet aan dat gericht op [B] is geschoten. Mondingsvuur kan immers uit vele posities worden waargenomen.

Het hof komt daarom tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zodanig in de richting van [B] heeft geschoten dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat motoragent [B] zou worden geraakt. Dat zou anders geweest kunnen zijn indien verdachte vanuit een rijdende auto zou hebben geschoten en hij derhalve veel minder nauwkeurig had kunnen richten.

Gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het raken van motoragent [B] . Er kan met andere woorden niet worden uitgesloten dat verdachtes opzet uitsluitend was gericht op het afschrikken dan wel bedreigen van motoragent [B] , zoals de verdachte heeft verklaard.

Nu niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op al hetgeen onder 1 ten laste is gelegd (poging tot moord althans poging tot doodslag, althans poging tot zware mishandeling), moet hij van de gehele tenlastelegging worden vrijgesproken.

Dit neemt vanzelfsprekend niet weg dat de situatie voor motoragent [B] uiterst bedreigend is geweest, maar het hof moet beslissen op de grondslag van de tenlastelegging. Aangezien bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht niet aan de verdachte ten laste is gelegd, kan de verdachte hiervoor niet worden veroordeeld.

G. Vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 4 primair, en p artiële vrijspraak van het onder 4 subsidiair ten laste gelegde

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich ten opzichte van aangever [J] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling, zoals ten laste is gelegd onder 4 primair. Het hof neemt daarbij de overweging van de rechtbank over: “Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij (…) naar de woning van [J] is gegaan. Hij had een jachtgeweer meegenomen (…). De bedoeling was om [K] , die tijdelijk in de woning verbleef, angst aan te jagen. [J] deed echter de deur open. Verdachte had dit niet verwacht. Toen [J] de deur dichtgooide, schoot verdachte links omhoog door het raam. Hij deed dat om een signaal af te geven voor [K] . Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij [J] zou missen. Hij kent de woning goed en zag een schaduw van [J] die naar rechts sprong. Nu verdachte juist naar linksboven schoot om [J] , die naar rechts wegsprong, niet te raken, heeft verdachte (…) niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [J] zou raken (…).”

Anders dan de rechtbank zal het hof de verdachte ook partieel vrijspreken van onder 4 subsidiair ten laste gelegde, namelijk voor zover het de bedreiging van [K] betreft. Weliswaar had de verdachte met het schieten op de woning van [J] de bedoeling om een signaal af te geven voor de eveneens in die woning verblijvende [K] , maar onduidelijk is gebleven of [K] daarvan ook op de hoogte is geraakt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [J] , toen hij voor zijn deur twee mannen zag staan die bivakmutsen droegen, direct de deur heeft dichtgegooid en dat hij heeft verklaard niet te weten waarom er vervolgens op zijn woning werd geschoten: “Dat kunnen twee dingen zijn. [voornaam van K] (hof: [K] ) met een rip of [voornaam van de verdachte] (hof: de verdachte) die denkt dat ik aangifte zou hebben gedaan vanwege de verwurging op [straatnaam] .”

H. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 primair, 3, 4 subsidiair, 5 en het in de zaak met parketnummer 02-666976-12 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 02-800928-11


2.
hij op 2 september 2011 te St. Willebrord tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [C] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen heeft geschoten op of in de richting van genoemde [C] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een geldbedrag, toebehorende aan [D] , en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

3.
hij op 2 september 2011 te St. Willebrord, in broodjeszaak/cafetaria " [naam] " tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[F] en [G] en [H] heeft gedwongen tot de afgifte van telkens een geldbedrag, toebehorende aan die [F] of [G] of [H] , welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en zijn mededader
- gemaskerd die broodjeszaak/cafetaria zijn binnengegaan en een vuurwapen aan de aanwezigen in die broodjeszaak/cafetaria hebben getoond en
- die [F] hebben bedreigd met een vuurwapen en daarbij hebben geroepen: "geld, geld" en
- bij die [G] een vuurwapen tegen het hoofd hebben gezet en daarbij hebben geroepen: "geld, geld",
terwijl dit alles werd voorafgegaan hierdoor dat hij, verdachte, en zijn mededader
- met een vuurwapen hebben geschoten op, althans in de richting van [C] en in de lucht hebben geschoten en
- tegen die [C] hebben geroepen: "open de kassa, open de kassa";

- bij binnenkomst in de cafetaria [E] (met een hard voorwerp) hard op diens neus/gezicht hebben geslagen;

4.
hij op 28 augustus 2011 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een ander [J] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader opzettelijk dreigend met een jachtgeweer door een raam van de voordeur in een woning aan de Antoniuslaan 7, waar voornoemde [J] op dat moment verbleef, geschoten;

5.
hij op 4 september 2011 te Breda en Rucphen een wapen van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (Astra, kaliber 6.35), voorhanden heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 02-666976-12


hij op 21 februari 2011 te Sint Willebrord, gemeente Rucphen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en een computer, toebehorende aan [A] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

I. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

J. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 bewezen verklaarde gaat het hof uit van de verklaring van aangever [C] . Hij heeft bij de gelegenheid van zijn aangifte onder meer het volgende verklaard (p. 928 van het politiedossier): “Ik hoorde de overvallers buiten al aankomen. Omdat ik vanaf binnen, buiten dit geluid hoorde komen, keek ik door het raam naar buiten. Door het raam zag ik een lange en een korte persoon met donkere kleding voorbij komen lopen. Ik zag dat de lange [hof: de verdachte] meteen naar binnen kwam lopen. Hiervoor moest hij de deur van de zaak naar binnen openen. (…) Toen de lange binnen kwam zag ik dat hij mij direct aankeek. Ik zei hem gedag en zag tegelijkertijd dat de man (…) een klein wapen op mij richtte. (…) Direct voelde ik pijn in mijn borst. Na de pijn hoorde ik direct een knal. (…) Nadat ik was neergeschoten viel ik direct neer. In een flits zag en hoorde ik nog dat de man ook nog met het pistool in de lucht schoot. (…) Ongeveer enkele seconden hierna zag ik de korte man ook binnen lopen.”

Tegen de achtergrond van deze verklaring acht het hof het niet aannemelijk dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, de deur van de broodjeszaak/cafetaria “ [naam] ” met een wapen dat hij op dat moment in een van zijn handen had, op ruwe wijze heeft opengedrukt en dat het wapen daardoor is afgegaan in de richting van aangever [C] . Deze verklaring verhoudt zich immers in het geheel niet met de door de aangever beschreven toedracht, terwijl het hof geen enkele reden heeft aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.

K. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van poging tot doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 3 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 4 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 5 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Het in de zaak met parketnummer 02-666976-12 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit bewezen verklaarde uitsluiten.

L. Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

M. Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het bewezen verklaarde komt op het volgende neer. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een broodjeszaak/cafetaria. Bij die overval heeft de verdachte de man achter de kassa neergeschoten om hem vervolgens met zijn mededader ook nog ernstig te mishandelen - een laffe en gewetenloze daad. Van de overval zijn ook toevallig aanwezige bezoekers van de eetgelegenheid slachtoffer geworden. Zij werden onder bedreiging van een vuurwapen afgeperst. Bij een van hen werd het vuurwapen zelfs tegen het hoofd gezet.

Vijf dagen eerder had de verdachte ook al iemand met de dood bedreigd, door met een geweer door het raam van de voordeur van die persoon te schieten. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van sieraden en een computer van de moeder van zijn stiefvader.

Het is niet de eerste keer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Volgens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten. Uit dat uittreksel blijkt bovendien dat de verdachte de hiervoor omschreven overval en de bedreiging heeft gepleegd op een moment dat hij pas enkele weken op vrije voeten was.

Dat gelet op de ernst van deze feiten niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, staat niet ter discussie. De ernst van de gepleegde feiten komt tot uitdrukking in de op deze feiten gestelde strafmaxima. Enkel voor de bewezenverklaarde poging tot gekwalificeerde doodslag bedraagt de maximale strafbedreiging reeds een gevangenisstraf van 20 jaren.

De rechtbank heeft - daarbij uitgaande van meer feiten dan het hof heeft bewezen verklaard (namelijk tevens een poging tot doodslag op motoragent [B] en een bedreiging van [K] ) - de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en gelast dat hij ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege. De rechtbank was op grond van de bevindingen van de GZ-psycholoog F.C.P. Zuidhof en psychiater L.van Braeckel van oordeel dat die maatregel noodzakelijk was gelet op de ernst van verdachtes diep ingegroefde antisociale persoonlijkheidsstoornis en het gevaar dat verdachte dientengevolge voor anderen oplevert.

De advocaat-generaal en de verdediging menen dat gelet op de ontwikkelingen in de hoger beroepsprocedure thans onvoldoende aanleiding bestaat om tot terbeschikkingstelling van de verdachte over te gaan. Beiden hebben bepleit dat noodzakelijk geachte behandeling van de verdachte plaats vindt in het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van twee derde gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf.

In dat verband acht het hof van belang dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zijn proceshouding heeft gewijzigd en bovendien zijn medewerking heeft verleend aan een nieuw psychologisch en psychiatrisch onderzoek door het Pieter Baan Centrum. Het rapport dat naar aanleiding van dat onderzoek is uitgebracht, bevat onder meer de volgende conclusies van de psycholoog P.E. Geurkink en de psychiater H.L. Keijer: “(…) Onderzoekers sluiten thans de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis in engere zin bij betrokkene uit. Niet uit te sluiten is dat betrokkene in zijn onveilige en roerige jeugd heeft voldaan aan de criteria voor ADHD. Waarschijnlijk heeft betrokkene, als getuige van geweld, een post-traumatische stress stoornis doorgemaakt, welke thans in remissie is. Ten slotte moeten nog beperkte executieve functiestoornissen worden genoemd, welke betrokkene goed compenseert met zijn bovengemiddelde intelligentie.

Hoofddiagnose bij betrokkene is een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken, welke voortvloeit uit zijn individuatie in een crimineel milieu. Betrokkene heeft een betrouwbaar vaderfiguur moeten missen. Alhoewel trekken van psychopathie bij betrokkene zichtbaar zijn in antisociaal gedrag, zien onderzoekers nog ruimte voor behandeling vanwege zijn behoefte aan contact en prosociale doelen.
Tijdens de klinische observatie heeft betrokkene zich beheerst en vriendelijk opgesteld, en onderzoekers vinden dat betrokkene zich bewust is een ontwikkelingsachterstand te hebben: zijn persoonlijkheidsproblematiek heeft zich nog niet verhard.

Daarnaast kan bij betrokkene worden gesproken van afhankelijkheid van cannabis en misbruik van cocaïne en misbruik van amfetamine. Vanaf zijn kinderjaren is hij door vader en stiefvader vertrouwd gemaakt met middelengebruik (…).

Betrokkenes persoonlijkheidsstoornis en polydrugs-afhankelijkheid beïnvloedden zijn gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde.

Wat betreft de vijf feiten gepleegd in de drie weken in het najaar van 2011 toen betrokkene net vrij was (hof: ten laste gelegd onder parketnummer 02-800928-11) zegt betrokkene dat hij in die tijd zich als het ware ‘een weg naar buiten aan het schieten was’, een uitspraak over zijn antisociaal gedrag waarmee betrokkene zich identificeert met zijn overleden stiefvader, die veel geweld gebruikte. Ook heeft betrokkene gesteld destijds ‘in een roes te leven’ bij gebruik van cannabis, cocaïne, speed en anabole steroïden. Aan de andere kant duurde zijn roes nooit langer dan 12 uur. Bovendien tonen zijn uitspraken bij de psycholoog en de organisatie van zijn handelen aan dat betrokkene goed in staat is geweest zijn gedragskeuzes te overzien. Hij heeft zijn geweld instrumenteel gebruikt om zich zo van inkomsten te voorzien.

Van de diefstal bij zijn stiefoma in februari 2011 (hof: het bewezen verklaarde onder parketnummer 02-666976-12) kunnen onderzoekers slechts zeggen dat dit antisociaal gedrag is.

Onderzoekers achten betrokkene voor de feiten 1 tot en met 5 op grond van zijn diepgewortelde middelen-afhankelijkheid (wat zijn geweten door heftig gebruik van middelen aantast en hem ook in algemene zin laat verloederen) en antisociale persoonlijkheidsstoornis vanuit individuatie in een crimineel milieu (betrokkene heeft van kinds af aan geen ander voorbeeld gehad dan een crimineel bestaan met bijbehorende gewoontes en handelwijzen) enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde (…).

Voor feit 6 (het hof: het in de zaak met parketnummer 02-666976-12 bewezen verklaarde feit) moet betrokkene naar de mening van onderzoekers volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd, aangezien dit naar de mening van onderzoekers een antisociaal delict betreft en er geen doorwerking van de pathologie wordt gezien. (…)

Betrokkenes individuatie in een crimineel milieu, zijn behoefte aan contact en zijn beperkte sociaal netwerk maken betrokkene kwetsbaar voor negatieve sociale druk van ‘foute’ vrienden. Zijn neiging zijn eigen plan te trekken terwijl het hem gewenst maatschappelijk functioneren om aanpassing vraagt zal spanning oproepen, welke hem kwetsbaar maakt voor terugval in middelengebruik. Na terugval in middelengebruik zal het klinisch vaststelbaar recidiverisico voor geweldsdelicten toenemen. (…) Bij de inschatting van het recidiverisico voor geweldsdelicten middels HCR-20 scoort betrokkene vrij hoog op de historische risicofactoren. Daar ook de risicohanteringsitems een matig tot hoge kans op recidive geven, moet de actuariële (statistische) recidivekans als matig tot hoog worden ingeschat als betrokkene alleen in de maatschappij moet functioneren. Aan de andere kant functioneert betrokkene de laatste tijd goed in justitiële instellingen. Gegeven betrokkenes behoefte aan contact en zijn prosociale doelen lijkt behandeling van zijn problematiek nog uitvoerbaar, mits betrokkene een veilige externe structuur wordt geboden en maatschappelijke re-integratie geleidelijk verloopt.”

Het hof volgt de hiervoor aangehaalde conclusies van de deskundigen van het PBC. Op grond daarvan stelt het hof vast dat het bewezenverklaarde onder parketnummer 02-800928-11 in enigszins verminderde mate en het onder parketnummer 02-666976-12 bewezen verklaarde volledig aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof stelt voorts vast dat een behandeling van de verdachte binnen een veilige externe structuur met een geleidelijke maatschappelijke re-integratie noodzakelijk is. Dit dient binnen afzienbare tijd te geschieden, omdat verdachtes persoonlijkheidsproblematiek zich thans nog niet heeft verhard en er nog ruimte is voor behandeling.

De vraag waar het hof voor staat, is of het bij deze stand van zaken noodzakelijk blijft om de terbeschikkingstelling van de verdachte te gelasten, zoals de rechtbank heeft gedaan. De deskundigen van het PBC hebben laten weten die noodzaak niet te zien: “Naar de mening van het onderzoekend team is daarvoor het verband tussen de vastgestelde pathologie en het ten laste gelegde te gering (met andere woorden er is ook veel keuzevrijheid). Betrokkene zou er ondanks zijn pathologie ook voor kunnen kiezen een andere keuze te maken dan een criminele. Verder is betrokkene gemotiveerd voor het volgen van een behandeling en is het benodigde niveau van beveiliging hooguit matig, waardoor een tbs-maatregel ook hierdoor niet noodzakelijk is.”

Het hof volgt ook deze conclusies van het PBC.

Het hof kan de deskundigen echter niet volgen in hun advies om een behandeltraject te laten plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Dat zou namelijk betekenen dat aan de verdachte ten hoogste een gevangenisstraf van vier jaren zou kunnen worden opgelegd aangezien bij gevangenisstraffen langer dan vier jaren geen voorwaardelijk strafdeel mogelijk is (artikel 14a Sr). Evident is dat zo’n straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Het hof ziet met de verdediging en de advocaat-generaal, buiten de terbeschikkingstelling, slechts één alternatief: een behandeltraject in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. De door de deskundigen geadviseerde “opname binnen een gesloten forensische verslavingskliniek met aandacht voor persoonlijkheidsproblematiek en geleidelijke maatschappelijke re-integratie gericht op werkhervatting, zoals Piet Roorda” kan immers - gelet op het bepaalde in artikel 15a, derde lid, onder 6° en 7°, van het Wetboek van Strafrecht (respectievelijk: de opneming in een zorginstelling en de verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling) - ook in dat kader plaatsvinden. Weliswaar is het stellen van bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke invrijheidsstelling voorbehouden aan het openbaar ministerie (artikel 15a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht), maar het hof heeft van de advocaat-generaal begrepen dat hij zich ervoor zal inspannen dat het behandeltraject op deze wijze vorm krijgt. Het hof neemt in aanmerking dat ook de verdediging en de verdachte een dergelijk vormgegeven behandeltraject voorstaat. Gelet daarop vertrouwt het hof erop dat het door het PBC geadviseerde behandeltraject in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal plaatsvinden. Daarmee is een terbeschikkingstelling naar het oordeel van het hof niet langer noodzakelijk.

De advocaat-generaal heeft - enerzijds uitgaande van dezelfde feiten als de rechtbank en dus van meer feiten dan het hof heeft bewezen verklaard, en anderzijds ten onrechte uitgaande van een te laag strafmaximum (een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren en 4 maanden, terwijl mede gelet op de samenloopbepaling van art. 57 Sr voor alle bewezenverklaarde feiten tezamen maximaal 30 jaren gevangenisstraf kan worden opgelegd) - gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

De raadsman heeft aangevoerd dat die gevangenisstraf niet in verhouding staat tot de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Hij heeft bepleit dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van kortere duur, maar met voldoende ruimte om het behandeltraject in te bedden in de voorwaardelijke invrijheidsstelling en zo spoedig mogelijk te kunnen starten. Naar zijn inschatting zou dat binnen een jaar na heden mogelijk moeten zijn.

Het hof neemt bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf in aanmerking dat de verdachte de twee meest ernstige feiten - de poging tot gekwalificeerde doodslag en de afpersingen in de broodjeszaak/cafetaria - heeft begaan met medeverdachte Rafik en dat die medeverdachte daarvoor is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. In strafverzwarende zin dient daarbij naar het oordeel van het hof in aanmerking te worden genomen dat de verdachte het grootste aandeel heeft gehad: de verdachte is tenslotte degene geweest die met het vuurwapen schoten heeft gelost en [D] ernstig heeft verwond.

Bovendien heeft de verdachte meer strafbare feiten gepleegd dan de medeverdachte. De verdachte heeft zich immers, zo is reeds ter sprake gebracht, ook schuldig gemaakt aan de bedreiging met de dood en de diefstal van sieraden en een computer.

Het hof is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren passend en geboden is. Dit betekent, gelet op art. 15 lid 2 en lid 4 Sr, dat de verdachte in beginsel na zes jaren gerekend vanaf zijn inverzekeringstelling (op 4 september 2011) in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling en dat vervolgens in dat kader, gedurende een proeftijd van in beginsel drie jaren, het behandeltraject van de verdachte kan worden vormgegeven.

N. Beslag

Met betrekking tot de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen verenigt het hof zich met de beslissingen van de rechtbank en de daarbij gegeven motivering. Het hof zal dan ook te dien aanzien overeenkomstig het vonnis van de rechtbank beslissen.

O. Schadevergoeding

De benadeelde partij [B] heeft - via de door hem gemachtigde [L] - in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 750,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

Echter, nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan de benadeelde partij niet in zijn vordering worden ontvangen.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt het hof dat vaststaat dat de verdachte tegenover de benadeelde partij onrechtmatig heeft gehandeld (de verdachte heeft immers in de richting van de benadeelde partij geschoten; dat kon alleen niet worden aangemerkt als poging tot moord, doodslag of zware mishandeling, zoals ten laste was gelegd). Het hof ziet daarin aanleiding de proceskosten van [B] voor rekening te laten komen van verdachte.

De benadeelde partij [D] heeft in eerste aanleg - via de door hem gemachtigde [M] - een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 4.100,--. Bij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 1.450,--, voor een bedrag van € 200,-- afgewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de rechtbank de vordering op juiste wijze heeft beoordeeld. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de benadeelde partij niet heeft onderbouwd waarom een andere beslissing zou moeten volgen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.450,--.

De verdachte is als hoofdelijk aansprakelijke tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof ziet aanleiding om te dezer zake een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De benadeelde partij [C] heeft in eerste aanleg - via de door hem gemachtigde [M] - een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 851,72. Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de vordering, die uitsluitend bestaat uit materiële schade (beschadigde kleding, extra kosten in verband met een ziekenhuisopname, reiskosten en het eigen risico), volledig kan worden toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de gevorderde kosten rechtstreekse schade zijn van verdachtes in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 bewezen verklaarde handelen.

De verdachte is als hoofdelijk aansprakelijke tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet ook hier aanleiding om een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de benadeelde partij [C] meer schade heeft geleden dan hij heeft gevorderd. De gevorderde schade bestaat namelijk slechts uit materiële schade. In de vordering is wel vermeld dat ook immateriële schade is geleden - hetgeen ook evident is gelet op het feit dat de benadeelde partij door de verdachte in de broodjeszaak/cafétaria is neergeschoten toen hij daar aan het werk was -, maar aan die immateriële schade is geen concreet bedrag verbonden. In hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij schriftelijk naar voren gebracht (brief van 11 mei 2014 gevoegd bij het zogenaamde wensenformulier waarmee in hoger beroep het verzoek om schadevergoeding is gehandhaafd) dat de immateriële schade kan worden begroot op een bedrag van € 10,000,-- en dat het schadefonds (het hof neemt aan: het Schadefonds geweldsmisdrijven) een uitkering heeft gedaan van ongeveer € 3.600,--. Het hof is van oordeel dat het redelijk is om in het kader van de schadevergoedingsmaatregel bovenop de uitkering door het Schadefonds Geweldsmisdrijven ook een bedrag van € 4.000,-- aan immateriële schade toe te kennen. Het hof heeft daarbij gelet op de ernstige verwondingen, het noodzakelijke medisch ingrijpen en de resterende gevolgen en klachten (zo bevinden zich nog een kogel en kogelsplinters in het lichaam van het slachtoffer). Een eventuele uitkering van het Schadefonds geweldsmisdrijven komt hierop dus niet in mindering.

De benadeelde partij [E] heeft in eerste aanleg - via de door hem gemachtigde advocaat mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden - een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.001,40. Bij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 570,40,--. Voorts is een bedrag van € 150,-- (één punt conform het liquidatietarief kantonzaken) aan proceskosten ten laste van de verdachte gebracht. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De advocaat-generaal meent dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.083,40, met een veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij (opnieuw begroot op een bedrag van € 150,--).

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat [E] niet meer immateriële schade heeft geleden dan het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 500,-. Het hof begroot die schade dan ook op € 500,--. Voorts acht het hof, als rechtstreekse schade van het hiervoor genoemde strafbare feit, toewijswaar: de gevorderde reiskosten (€ 14,40), het gevorderde daggeld voor de opname in het ziekenhuis (€ 26,--) en de kosten voor drie dagen aan huishoudelijke hulp (€ 51,45). Het hof acht daarom een totaalbedrag van € 591,85 voor toewijzing vatbaar.

De verdachte is als hoofdelijk aansprakelijke tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het meergevorderde zal worden afgewezen.

De proceskosten zullen opnieuw worden begroot op € 150,-- en ten laste van de verdachte worden gebracht.

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 25.279,81. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsman heeft bepleit dat ook het hof zal beslissen tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is.

De advocaat-generaal meent dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de onderbouwing van de vordering tekortschiet in dier voege dat daarmee niet kan worden vastgesteld dat de schade die de benadeelde partij als gevolg van de in de zaak met parketnummer 02-666976-12 bewezen verklaarde diefstal heeft geleden, moet worden begroot op het gevorderde bedrag.

Het hof komt echter niet tot een volledige niet-ontvankelijkverklaring. Het hof overweegt in dat verband allereerst dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over de vordering van de benadeelde partij het volgende heeft verklaard: “Ik geef de benadeelde partij groot gelijk met haar vordering. (…) Ik heb de sieraden verkocht en daarvan onder meer cadeaus voor mijn zusje en broer gekocht en dingen voor mijzelf. Op de vraag (…) hoeveel ik voor de goederen heb ontvangen, antwoord ik dat ik in totaal ongeveer € 3.200,-- heb ontvangen. Ik kende toevallig iemand die me een goede prijs heeft betaald voor die gestolen goederen.”

Het hof overweegt dat naar algemene ervaringsregels als globaal uitgangspunt kan worden genomen dat in het helingscircuit ongeveer een kwart van de werkelijke waarde van sieraden wordt vergoed. Dat betekent in dit geval dat het redelijk is om de schade van de benadeelde partij te begroten op een bedrag van € 12.800,--. De benadeelde partij heeft laten weten dat haar verzekering een bedrag van € 2.500,-- heeft uitgekeerd voor de gestolen sieraden, zodat in totaal een bedrag van € 10.300,-- voor toewijzing vatbaar is.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in zoverre in die vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding om een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

P. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 60a, 63, 285, 287, 288, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 6 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 1 en onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 primair, 3, 4 subsidiair en 5 en het in de zaak met parketnummer 02-666976-12 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten van hagelpatronen, een boksbeugel, een zwart wapen van het merk Astra met patroonhouder, een zakje wit poeder (cocaïne/heroïne), pony-pack met inhoud (cocaïne/heroïne), een tas met vermoedelijk drugs en materialen, een bivakmuts, een flesje met vermoedelijk drugs, een wapen (SIN AAEA529NL) en een wapen van het merk Vickers met een afgezaagde loop/kolf opengeklapt;

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten van een mobiele telefoon van het merk Samsung, een paar schoenen van het merk Bjorn Borg en een rood vest met opschrift 'cccp';

benadeelde partij [B]

verklaart de benadeelde partij [B] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

benadeelde partij [D]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [D] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.450,00 (duizend vierhonderdvijftig euro), ter zake van materiële schade, en veroordeelt de verdachte die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) aan materiële schade af;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [D] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.450,00 (duizend vierhonderdvijftig euro), als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat;

benadeelde partij [C]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [C] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 851,72 (achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig cent), ter zake van materiële schade, en veroordeelt de verdachte die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [C] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.851,72 (vierduizend achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig cent), bestaande uit € 851,72 (achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat;

benadeelde partij [E]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [E] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 591,85 (vijfhonderdeenennegentig euro en vijfentachtig cent), bestaande uit € 91,85 (eenennegentig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 150,00 (honderdvijftig euro);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [E] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800928-11 onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 591,85 (vijfhonderdeenennegentig euro en vijfentachtig cent), bestaande uit € 91,85 (eenennegentig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat;

benadeelde partij [A]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-666976-12 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.300,00 (tienduizend driehonderd euro), ter zake van materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-666976-12 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.300,00 (tienduizend driehonderd euro), als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 (zesentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. J.A. van Zon, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 21 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.A. van Zon is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.