Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:993

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
F 200.149.902-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 19 maart 2015

Zaaknummer: F 200.149.902/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/256957 FA RK 12-5651

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.K. Tsui,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.P.M.M. Heijkant.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 februari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 mei 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen, één en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad en, naar het hof begrijpt, het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 september 2014, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te handhaven, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden en de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het namens haar ingestelde hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Tsui en een tolk in de Chinese taal, mevrouw G.S. Nie;

  • -

    mr. P.S.R.N. Maas (waarnemend advocaat voor mr. Heijkant), namens de man.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de stukken eerste aanleg, overgelegd door advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie van het hof op 5 augustus 2014;

  • -

    de brief d.d. 2 augustus 2014 met bijlagen van de advocaat van de vrouw;

  • -

    het V-formulier d.d. 27 januari 2015 met bijlagen van de advocaat van de vrouw.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 10 februari 1994 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.2.

Bij beschikking van 21 juli 2009 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 26 augustus 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij beschikking van 22 september 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de partneralimentatie die de man aan de vrouw dient te voldoen met ingang van 22 september 2011 wordt vastgesteld op € 84,= per maand.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw met ingang van 1 januari 2012 van rechtswege is geëindigd.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in rechte is komen vast te staan dat de vrouw hertrouwd is met de heer [internetcontact].

3.5.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert zij, kort samengevat, ten eerste aan dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat de vrouw is hertrouwd. De vrouw heeft immers gemotiveerd ontkend dat er sprake is van een huwelijk. Het enkel hebben van enkele Facebook pagina’s met uitingen zoals “wife” en “married” is naar de mening van de vrouw volstrekt onvoldoende om vast te stellen dat er sprake is van hertrouwen. Dit geldt temeer nu de vrouw heeft aangegeven dat zij dit op Facebook heeft gezet omdat zij meerdere malen is lastig gevallen op Facebook door derden met ongewenste uitingen en dit heeft gedaan ter voorkoming hiervan. Tevens moeten deze vermeldingen op Facebook niet worden beschouwd als enige vorm van erkenning, nu zij enkel zijn gebruikt om ongewenste derden op afstand te houden.

De vrouw acht het voorts te eenvoudig om enkel op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden een huwelijk aan te nemen. Een huwelijk is een verbintenis die moet worden aangegaan en dit aangaan moet gepaard gaan met het uitvoeren van diverse handelingen waardoor het huwelijk kan worden voltrokken. Met de feiten die zijn gepresenteerd, kan de rechtbank in redelijkheid niet oordelen dat er sprake is van een huwelijk.

Ook is er geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met een huwelijk, namelijk samenleven, waarbij door de Hoge Raad een restrictieve uitleg van artikel 1:160 BW wordt gehanteerd. Aan die restrictieve uitleg van artikel 1:160 BW is niet voldaan. Het enkele feit dat de vrouw in Nederland woont, maakt al dat van duurzame samenwoning geen sprake kan zijn. Nu de man enkel stelt, maar op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de vrouw in het huwelijk is getreden of een affectieve relatie van duurzame aard met wederzijdse verzorging, samenwoning en gemeenschappelijke huishouding heeft, is niet voldaan aan artikel 1:160 BW, aldus de vrouw.

De tweede grief van de vrouw is gericht tegen de ingangsdatum van de beëindigde onderhoudsverplichting, zijnde 1 januari 2012. De man, noch de vrouw hebben enige feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de vrouw met ingang van 1 januari 2012 is hertrouwd.

Voor zover het hof zou oordelen dat op de vrouw enige bewijslast rust, biedt de vrouw aan haar stellingen te bewijzen door het doen horen van getuigen en het overleggen van nadere schriftelijke stukken, mede indien en voor zover nodig om de stellingen van de man te doen ontkrachten.

3.6.

In zijn verweerschrift stelt de man dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat er sprake is van een rechtsvermoeden van het hertrouwen van de vrouw, zodat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw met ingang van

1 januari 2012 van rechtswege is geëindigd. De vrouw heeft nagelaten door middel van bewijsstukken aannemelijk te maken dat zij niet is hertrouwd met de heer [internetcontact] (hierna: [internetcontact]). De vrouw heeft – hoewel daartoe ook door de rechtbank al uitdrukkelijk uitgenodigd – geen tegenbewijs geleverd, noch een aanbod ter zake gedaan. Het is aan de vrouw het vermoeden te weerleggen; op de man rust geen bewijslast.

Het bewijsaanbod dat de vrouw doet, dient te worden gepasseerd nu dit onvoldoende gespecificeerd is.

Voorts stelt de man dat, nu het door de rechtbank aangenomen rechtsvermoeden ziet op het hertrouwen van de vrouw, hetgeen door de vrouw is aangevoerd aangaande samenleving niet relevant is.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

3.7.2.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de alimentatieverplichting van de man op grond van voormeld artikel is geëindigd, omdat de vrouw opnieuw in het huwelijk zou zijn getreden.

3.7.3.

Ter zitting heeft de vrouw het volgende verklaard in aanvulling op haar appelschrift:

De vrouw heeft [internetcontact] nog nooit persoonlijk ontmoet en, voor zover de vrouw weet, is [internetcontact] zelfs nog nooit in Nederland geweest. De contacten tussen de vrouw en [internetcontact] zijn beperkt gebleven tot internetcontacten via Facebook.

De vrouw erkent dat zij en [internetcontact] op Facebook hun beider statussen in ‘gehuwd’ hebben gewijzigd. De vrouw had hier echter andere bedoelingen mee dan [internetcontact].

Zo leidde zij een teruggetrokken bestaan en vervulde zij haar behoefte aan contact met andere mensen op internetsites zoals Facebook. De vrouw werd echter op Facebook veelvuldig benaderd door mannen die bijbedoelingen hadden en haar zelfs lastig vielen met vertoning van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Omdat de vrouw slechts behoefte had aan vriendschappelijke contacten, heeft zij, in samenspraak met [internetcontact], haar status op Facebook gewijzigd in ‘gehuwd.’ Door het opwekken van de schijn van een huwelijk, streefde de vrouw na dat zij niet meer door mannen lastig gevallen zou worden. De vrouw betwist nadrukkelijk dat zij zich in het maatschappelijk verkeer heeft gepresenteerd als gehuwde vrouw en zij heeft nimmer een trouwring gedragen.

In tegenstelling tot wat de vrouw met dit ‘huwelijk’ in gedachten had, bleek vervolgens dat [internetcontact] een daadwerkelijk huwelijk met haar nastreefde waardoor hij Ghana zou kunnen verlaten om zich te vestigen in Nederland. Toen de vrouw in december 2012 in Ghana was voor een bezoek aan vrienden en kenbaar maakte dat zij niet van plan was een werkelijk huwelijk aan te gaan met [internetcontact], is zij vervolgens bedreigd en mishandeld aldaar, waardoor zij een bezoek aan een arts heeft moeten afleggen.

De vrouw heeft daarop, in begin 2013 toen zij weer in Nederland was, al haar internetcontacten met [internetcontact] verbroken en hem geblokkeerd op Facebook. Zij heeft geen verklaring van [internetcontact] in deze procedure ingebracht, omdat zij niets meer [internetcontact] te maken wil hebben.

De advocaat van de vrouw heeft hieraan toegevoegd dat zij tweemaal contact heeft gezocht met de Ghanese ambassade in Nederland met de vraag of, en zo ja, hoe kan worden aangetoond dat iemand wel of niet is gehuwd in Ghana. Hierop heeft zij echter geen antwoord mogen ontvangen. Verder heeft de advocaat aangegeven dat de vrouw onder psychologische behandeling is en zich elke week moet melden bij de GGZ.

3.7.4.

Het hof overweegt dat de door de man overgelegde bescheiden van de gewijzigde statussen van de vrouw en [internetcontact] op Facebook in ‘gehuwd’ de enige bescheiden zijn ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is (geweest) van een huwelijk tussen de vrouw en [internetcontact]. Van enig ander bewijs is niet gebleken. Het hof is, mede gelet op het uitvoerige betoog van de vrouw, van oordeel dat de vrouw in hoger beroep voldoende gemotiveerd de stelling van de man dat zij met de heer [internetcontact] in het huwelijk is getreden heeft weersproken. Het verweer van de vrouw wordt tevens gesteund door het door haar overgelegde GBA uittreksel d.d. 29 december 2014 waarop bij burgerlijke staat ‘gescheiden’ is vermeld.

Anders dan de man betoogt, is het hof van oordeel dat het tot op heden door hem aangedragen bewijs onvoldoende is om, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, op voorhand aan te nemen dat sprake is van een huwelijk tussen de vrouw en de heer [internetcontact] waartegen de vrouw tegenbewijs kan leveren.

Aangezien de man stelt dat de vrouw is hertrouwd waaraan hij het gevolg verbindt dat zijn alimentatieverplichting ten opzichte van de vrouw van rechtswege beëindigd is, rust de bewijslast van die stelling ingevolge de hoofdregel van bewijslastverdeling op de man. Nu de man in eerste aanleg een bewijsaanbod heeft gedaan zal het hof ingevolge de devolutieve werking van het appel – onder aanhouding van iedere verdere beslissing – de man toelaten tot het bewijs door getuigen van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vrouw in het jaar 2012 met [internetcontact] is gehuwd.

3.7.5.

Beslist dient te worden als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

laat de man toe door getuigen feiten en omstandigheden te bewijzen dat de vrouw in 2012 met de heer [internetcontact] is gehuwd;

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden door mr. E.L.

Schaafsma-Beversluis als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

bepaalt dat de man binnen twee weken na heden dient op te geven het aantal getuigen en de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op maandagen en woensdagen in de maanden juli, augustus en september 2015;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris binnen twee weken na die opgave dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van de man tenminste zeven dagen vóór het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de griffier;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.C. Bijleveld-van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2015.