Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:850

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
HD 200.136.914_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Ontbinding huurovereenkomst; brandgevaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.136.914/01

arrest van 10 maart 2015

in de zaak van

1 [appellant],
wonende te [woonplaats],

2. [bewindvoerder] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [appellant],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna in enkelvoud aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. K.W.A. Wools te Elst,

tegen

Stichting Woonwijze v/h genaamd Woningstichting Ons Bezit,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Woonwijze,

advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank ’Oost-Brabant, sector kanton ’s-Hertogenbosch, van 26 september 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Woonwijze als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 836360/7 CV EXPL 12-5780)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met twaalf producties;

  • -

    de memorie van antwoord zeven producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] is blind en heeft psychische klachten, waarvoor hij hulp krijgt van meerdere hulpverleners. [appellant] huurde een woning van Woonwijze aan [het adres] te [woonplaats]. Woonwijze was van mening dat [appellant] overlast veroorzaakte. Woonwijze heeft daarom een andere woning aangeboden: een benedenwoning aan [het adres] te [woonplaats]. [appellant] is deze woning met ingang van 19 oktober 2010 van Woonwijze gaan huren.

3.2.

Woonwijze heeft bij inleidende dagvaarding van 19 juni 2012 ontbinding gevorderd van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Daartoe heeft Woonwijze, samengevat, aangevoerd dat [appellant] tekortschiet in de verbintenissen uit de huurovereenkomst, doordat hij al vanaf de aanvang van de huurovereenkomst met betrekking tot [het adres], overlast veroorzaakt voor de omwonenden, rommel maakt in en rond de woning, brand heeft laten ontstaan en gevaarlijke situaties in het leven roept, en voorts dat sprake is van vervuiling in en rondom de woning. Volgens Woonwijze is [appellant] vanwege zijn visuele en psychische beperkingen niet in staat is om zelfstandig te wonen. [appellant] heeft verweer gevoerd. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van Woonwijze toegewezen.

3.3.

Woonwijze heeft het bestreden vonnis op 10 oktober 2013 aan [appellant] doen betekenen en de ontruiming van het gehuurde aangezegd tegen 31 oktober 2013. Bij vonnis van 12 november 2013 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant de executie van het vonnis geschorst tot 1 februari 2014. Bij exploot van 27 november 2013 heeft Woonwijze ontruiming aangezegd tegen 4 februari 2014. In de memorie van antwoord heeft Woonwijze vermeld dat op laatstgenoemde datum tot ontruiming is overgegaan.

3.4.

[appellant] heeft onder aanvoering van veertien grieven geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en (samengevat) tot afwijzing van de vorderingen van Woonwijze. Voorts heeft [appellant] geconcludeerd tot veroordeling van Woonwijze om terug te betalen hetgeen hij ter voldoening aan het vonnis heeft voldaan, waaronder executiekosten, en tot veroordeling van Woonwijze om de tenuitvoerlegging van het vonnis terug te draaien op kosten van Woonwijze met veroordeling van Woonwijze in de proceskosten.

3.5.

Met grief 1 betoogt [appellant] dat de kantonrechter het beginsel van een behoorlijke procesorde en het recht op hoor en wederhoor heeft geschonden. Het hof is van oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij de beoordeling van deze grief, omdat hij in hoger beroep gelegenheid heeft gekregen om alsnog zijn stellingen op een adequate manier te bepleiten.

3.6.

[appellant] komt met grief 7 op tegen het volgende oordeel van de kantonrechter: “Daarnaast is de veiligheid van [appellant] zelf en van zijn naaste- en bovenburen in het gedrang. Door de ernstige verwaarlozing is er een vergroot risico op brandgevaar.” (rov. 3.3. van het vonnis). In zijn toelichting op deze grief voert [appellant] (samengevat) aan dat Woonwijze onvoldoende heeft gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat er sprake is van brandgevaar en dat Woonwijze in dit verband slechts heeft gewezen op de aanwezigheid van een oude stoel met brandgaten, waaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van een onveilige situatie.

3.7.

Anders dan [appellant] stelt, heeft Woonwijze in eerste aanleg niet volstaan met de stelling dat er een oude stoel met brandgaten in de woning aanwezig is. Als toelichting op haar stelling dat er sprake is van een onveilige situatie, meer in het bijzonder van brandgevaar, heeft Woonwijze gesteld:

- dat er op 16 maart 2012 brand is geweest in de woning (inleidende dagvaarding pagina 3);

- dat tijdens een naar aanleiding van die brand uitgevoerd huisbezoek (onder meer) is geconstateerd dat de kast met de cv-ketel vol zit met brandbare materialen en dat uit een meterkast snoeren lopen en dat deze is volgepakt met andere materialen (inleidende dagvaarding pagina 3);

- dat een medewerker van Juvans in de laatste week van april 2012 [appellant] erop heeft moeten attenderen dat er een aankoekende pan op het gasfornuis stond (inleidende dagvaarding pagina 3);

- dat tijdens een huisbezoek op 3 juni 2013 een stoel is aangetroffen met daarop een asbak en dat de stoel vol brandgaten en as zit (akte van 6 juni 2013);

- dat tijdens dat huisbezoek in de keuken wederom een aangekoekte pan en een aangekoekt fornuis werd aangetroffen (akte van 6 juni 2013).

3.8.

[appellant] heeft deze stellingen in eerste aanleg, noch in hoger beroep betwist. [appellant] heeft in eerste aanleg daar slechts tegen ingebracht dat de situatie achterhaald is, omdat hulpverlening doende was een andere stoel te realiseren (randnummer 10 van zijn akte van 1 augustus 2013). Daarmee miskent [appellant] dat het er niet om gaat dat hij op een versleten stoel zit, maar dat de stoel een voorbeeld is van de reden waarom Woonwijze meent dat er sprake is van brandgevaar. [appellant] heeft niet, althans onvoldoende betwist dat sprake is van een (te) groot risico op brand. [appellant] heeft niet betwist dat dit gevaar zich in ieder geval één keer heeft gerealiseerd.

3.9.

Een huurder dient zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als een goed huurder te gedragen (artikel 7:213 BW). Die verplichting brengt naar het oordeel van het hof ook mee dat van [appellant] verlangd mocht worden dat hij bij de inrichting en het onderhoud van de woning rekening houdt met brandgevaar. Juist vanwege zijn visuele handicap moet [appellant] zich ervan bewust zijn dat bij hem eerder brand kan ontstaan dan bij een huurder zonder visuele handicap, bijvoorbeeld omdat hij niet ziet dat zijn sigaret een stoel raakt, of dat er een vonk van een sigaret springt, waardoor het risico bestaat dat de stoel vlam vat. Hetzelfde geldt voor de aangekoekte pan. Het gaat er niet om of [appellant] een schone keuken heeft. Een aangekoekte pan wijst erop dat [appellant] de pan te lang op het fornuis heeft laten staan. Wanneer eten ‘droogkookt’ ontstaat het risico op brand. Dat sprake is van een reëel risico blijkt ook uit het feit dat er op 16 maart 2012 een brand in de woning is geweest. Uit de stellingen van Woonwijze volgt dat [appellant] - ondanks hulp van meerdere hulpverleners - geen, althans onvoldoende, aandacht heeft gehad voor het risico op brand en zich dat gevaar niet of onvoldoende heeft gerealiseerd. Dat leidt ertoe dat sprake is van een tekortschieten in de nakoming van een verbintenis uit de huurovereenkomst.

3.10.

Uit artikel 6:265 BW volgt dat iedere tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van een van zijn verplichtingen, de schuldeiser de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming voldoende ernstig is om tot ontbinding over te gaan, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de overeenkomst. Ten aanzien van een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte geldt in dit verband dat het gewicht van de tekortkoming moet worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder.

3.11.

[appellant] heeft aangevoerd dat zijn belang bij het behoud van de woning groot is, juist vanwege zijn visuele en psychische beperkingen. Het hof onderschrijft dit belang. Voor [appellant] zal het vanwege zijn handicaps moeilijk zijn om zelf andere woonruimte te vinden. Het hof is evenwel van oordeel dat dit belang niet opweegt tegen het belang van Woonwijze bij de ontbinding van de huurovereenkomst, omdat het hof de hiervoor beschreven tekortkoming daartoe te ernstig acht. Woonwijze dient ook op te komen voor de belangen van haar andere huurders, te weten het gevaar dat de huurder van de bovenwoning loopt bij het ontstaan van brand in de woning van [appellant].

3.12.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de beslissing om de huurovereenkomst te ontbinden in stand dient te blijven. [appellant] heeft geen belang meer bij bespreking van de grieven 2 tot en met 6 en 8 tot en met 12, zodat dit achterwege zal blijven.

3.13.

Grief 13 ziet op een toegewezen vordering tot betaling van € 450,- ter zake buitengerechtelijke incassokosten. Het hof is van oordeel dat ook deze grief faalt. Daartoe is redengevend dat Woonwijze in eerste aanleg concreet heeft gesteld wanneer en wat zij heeft gedaan om [appellant] ertoe te bewegen zijn verbintenissen uit de huurovereenkomst na te komen. Daaruit blijkt dat Woonwijze kosten heeft gemaakt. De hoogte van de gevorderde vergoeding acht het hof redelijk.

3.14.

Grief 14 heeft geen zelfstandige betekenis en kan daarom eveneens onbesproken blijven.

3.15.

Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen.

3.16.

[appellant] dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Daarbij verdient opmerking dat het hof in het voorgaande appellanten in enkelvoud heeft aangeduid als [appellant]. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525) zal appellant 1 niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep. Appellant 2, zijn bewindvoerder, zal worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof ziet geen aanleiding de gevraagde nakosten toe te wijzen. Woonwijze heeft immers zelf gesteld dat het bestreden vonnis reeds ten uitvoer is gelegd.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het vonnis waarvan beroep;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de bewindvoerder van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Woonwijze worden begroot op € 683,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.P. de Haan en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 maart 2015.

griffier rolraadsheer