Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:833

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-03-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
20-001522-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ7810, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren ter zake van doodslag. Verdachte is gewapend met een mes op gewelddadige wijze een woning binnengedrongen. In de woning heeft een confrontatie met het slachtoffer plaatsgevonden waarbij het slachtoffer meermalen met het mes is gestoken. Het hof acht bewezen dat de verdachte met zijn handelen minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door de steken met het mes, waaronder het hof verstaat zowel het passief als het actief steken, dodelijk zou worden verwond. Het hof acht niet bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot moord/doodslag dan wel voorbereiding daarvan op de broer van het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001522-13

Uitspraak : 11 maart 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 april 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-849616-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1979,

thans gedetineerd in de PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 GEV te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van poging tot moord dan wel doodslag op [betrokkene 3] (feit 2 primair) en ter zake van moord op [slachtoffer 1] (feit 1) en voorbereiding van moord op [betrokkene 3] (feit 2 subsidiair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts zijn vorderingen van drie benadeelde partijen geheel of gedeeltelijk toegewezen, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en zijn de overige benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het onder 1 impliciet primair (moord op [slachtoffer 1]) en van het onder 2 primair ten laste gelegde (poging tot moord dan wel doodslag op [betrokkene 3]) en bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag op [slachtoffer 1]) en 2 subsidiair (voorbereiding van moord op [betrokkene 3]) ten laste gelegde heeft begaan en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze kunnen worden toegewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, met toewijzing van de proceskosten in hogere beroep voor zover gevorderd.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en betoogd dat geen grond bestaat om te komen tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de vorderingen dienen te worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging onder meer niet-ontvankelijkheid bepleit ten aanzien van de gevorderde shockschade en de daarmee samenhangende kosten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 oktober 2012 te Cuijk opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken in de romp en/of het been, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 19 oktober 2012 te Cuijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [betrokkene 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar de woning aan de [A-straat] is gegaan (alwaar die [betrokkene 3] verbleef) en/of (vervolgens)

- zich toegang heeft verschaft tot die woning door het verbreken van de ruit van de voordeur en/of (vervolgens)

- een of meer traptre(e)den heeft betreden in de richting van de verdieping met en/of de kamer waar die [betrokkene 3] zich op dat moment bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 oktober 2012 te Cuijk, ter voorbereiding van het misdrijf, moord en/of doodslag (op [betrokkene 3]) (als bedoeld in artikel 289 en/of 287 van het Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een mes, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht, zoals hierna zal worden overwogen, niet bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet primair (moord op [slachtoffer 1]) en onder 2 primair (poging tot moord dan wel doodslag op [betrokkene 3]) en subsidiair (voorbereiding van moord dan wel doodslag op [betrokkene 3]) ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht, zoals hierna zal worden overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 19 oktober 2012 te Cuijk opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes gestoken in de romp en het been van voornoemde [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door de verdediging gevoerde verweren en overwegingen van het hof

A. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

1. Door de verdediging gevoerde verweren.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde.

Daartoe heeft de verdediging zoals verwoord in de pleitnota – samengevat – aangevoerd

dat uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij nimmer de intentie heeft gehad om [slachtoffer 1] iets aan te doen. Er was sprake van een ongeplande en onverwachte confrontatie met [slachtoffer 1]. Uit de verklaringen van de getuigen of uit de verklaringen die de verdachte spontaan bij de politie heeft afgelegd valt niet af te leiden dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1]. Ook kan dat opzet niet worden afgeleid uit het feitelijk gebeuren. Nadat de verdachte door de voordeur was gesprongen, is hij met [slachtoffer 1] geconfronteerd toen deze de trap kwam afgestormd, waarbij [slachtoffer 1] in het mes van de verdachte is gelopen. Vervolgens heeft de verdachte [slachtoffer 1] uit een soort van schrikreactie nogmaals gestoken, aldus de verdediging. Deze tweede steek kan volgens de verdediging niet worden aangemerkt als opzettelijk, maar moet bijvoorbeeld worden geduid als putatief noodweer of als een handeling per ongeluk, uit schrik.

Uit de door de deskundige F.R.W. van de Goot verrichte reconstructies blijkt dat letsel A (het letsel aan de borstkas van het slachtoffer) kan zijn veroorzaakt door het lopen/vallen van het slachtoffer in het mes. Bovendien heeft Van de Goot gerapporteerd en ter terechtzitting verklaard dat letsel A vermoedelijk eerst is ontstaan, terwijl zowel de deskundige Van de Goot als de deskundige V. Soerdjbalie-Maikoe hebben geconcludeerd dat letsel B (het letsel in de zij van het slachtoffer) op zich zelf beschouwd niet dodelijk zou zijn geweest.

De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad om het slachtoffer of anderen iets aan te doen, dat het dodelijke letsel A per ongeluk is ontstaan door het lopen in het mes en dat de nadien opgelopen letsels B en C niet dodelijk zijn geweest. Derhalve dient de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft subsidiair betoogd, op gronden zoals in de pleitnota vermeld, dat, mocht het hof van oordeel zijn dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1], de verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Volgens de verdediging volgt uit de verklaringen van de verdachte dat bij hem sprake was van een opwelling, van een hevige gemoedsbeweging. De verdachte had het mes enkel bij zich ter afschrikking. Er kan, aldus de verdediging, evenmin worden gesproken van voorbedachte raad in de vorm ‘error in persona’, een vergissing in de persoon, nu de verdachte geen voorgenomen plan had om een ander van het leven te beroven en hij bovendien [slachtoffer 1] heeft herkend toen deze van de trap kwam. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte mitsdien van de impliciet primair ten laste gelegde moord dient te worden vrijgesproken.

2. Overwegingen van het hof.

2.1

Betrouwbaarheid van de door getuige [betrokkene 4] afgelegde verklaringen.

Het hof zal de verklaringen van getuige [betrokkene 4] niet bezigen voor het bewijs zodat het verweer van de verdediging ten aanzien van de betrouwbaarheid van diens verklaringen geen bespreking behoeft.

2.2.

Feiten en omstandigheden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

Op 19 oktober 2012 omstreeks 01.34 uur krijgen de [verbalisanten 1 en 2] de melding om te gaan naar de [A-straat] te Cuijk, zijnde de woning van [betrokkene 1], alwaar iemand met een mes zou zijn neergestoken en zwaargewond zou zijn. Ook de [verbalisanten 3 en 4] gaan naar aanleiding van deze melding ter plaatse. Aangekomen bij de woning, zien de [verbalisanten 2 en 4] dat het glas van de voordeur van de woning is verbroken. Het glas van de ruit van de voordeur ligt in de hal van de woning. Op meerdere plaatsen in de hal van de woning liggen bloedplassen. Op de grond in de hal van de woning ligt een man, welke blijkt te zijn gestoken. Deze man is kort daarna ter plaatse overleden. De man blijkt te zijn [slachtoffer 1]. Onder een radiator in de hal van de woning wordt een bebloed mes aangetroffen. Uit nader onderzoek aan het mes blijkt dat het lemmet van het mes eenzijdig is geslepen en dat het uiteinde bestaat uit een spitse punt. Het lemmet van het mes heeft een lengte van 20,5 centimeter en een maximale breedte van 46 millimeter.

Uit het door de NFI-deskundige V. Soerdjbalie-Maikoe verrichte pathologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] blijkt dat sprake is van in totaal drie scherprandige huidperforaties, met onderhuidse bloeduitstorting, te weten aan de borstkas rechts (letsel A), de rug links (letsel B) en het linker onderbeen (letsel C). In relatie met letsel A is sprake van een steekkanaal van 18 centimeter, lopende van voor- naar achterwaarts aan het lichaam, van links naar rechts, schuin iets hoofdwaarts, door onder andere de 4e rib rechts voorwaarts (met een klieving in het benig deel over 5 centimeter lengte). In relatie tot letsel B is sprake van een steekkanaal van 4,5 centimeter, lopende van links naar rechts, van achteren naar voren, hoofdwaarts. In relatie tot letsel C is sprake van een steekkanaal van 6,5 centimeter, lopende van voet- naar hoofdwaarts, schuin, van voren naar achteren aan het lichaam. Letsel A ging gepaard met klieving van onder andere de rechterlong, met daardoor bloedophoping in de rechter borstholte en een samengevallen rechterlong. Daarnaast waren er tekenen van doorgemaakt substantieel bloedverlies. Volgens de NFI-deskundige wordt het intreden van de dood verklaard door het hierdoor opgelopen functieverlies van de rechterlong, in combinatie met algehele weefselschade door doorgemaakt fors bloedverlies. In relatie met letsel B en letsel C waren er geen vitale structuren geraakt, doch gezien de bijdrage aan het bloedverlies hebben deze letsels een bijdrage geleverd aan het intreden van de dood. Volgens de deskundige van het NFI is letsel C waarschijnlijk later ontstaan dan letsels A en B, doch kan op basis van de sectiebevindingen geen uitspraak worden gedaan over de verdere volgorde van ontstaanswijze van de letsels.

Uit het in de woning verrichte bloedsporenonderzoek komt naar voren dat de verwondingen van het slachtoffer zijn toegebracht in de hal, of al vanuit de hal in de richting van het slachtoffer op het moment dat deze via de trap naar beneden kwam.

Ten tijde van het incident waren in de woning aan de [A-straat] te Cuijk aanwezig [betrokkene 1], [slachtoffer 1] (de vriend van [betrokkene 1]), [betrokkene 2] (de dochter van [betrokkene 1]), [betrokkene 3] (vriend van [betrokkene 2] en broer van [slachtoffer 1]) en [betrokkene 4] (zoon van [betrokkene 1]).

Verdachte heeft verklaard dat hij een relatie heeft gehad met [betrokkene 2] en dat die relatie op enig moment door [betrokkene 2] is verbroken. Daarna heeft [betrokkene 2] een relatie gekregen met [betrokkene 3], een vriend van de verdachte. Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij deze breuk niet heeft kunnen verkroppen en dat hij nog steeds van haar hield. In de periode voorafgaand aan het incident op 19 oktober 2012 heeft de verdachte voortdurend contact gezocht met [betrokkene 2]. Verdachte is toen meermalen bij de woning weggejaagd. Daarbij is hij door [slachtoffer 1] met een hamer achterna gezeten. De avond voor het incident is de verdachte door [betrokkene 1] met een koperen pijp achterna gezeten.

De verdachte heeft verklaard dat hij op de avond voorafgaand aan het incident alcohol en cocaïne heeft gebruikt. De verdachte is die avond op enig moment naar een café in Cuijk gegaan. De verdachte heeft toen telefonisch contact gezocht met [betrokkene 2], waarbij hij [betrokkene 3] aan de lijn kreeg. [betrokkene 3] heeft toen tegen de verdachte gezegd dat hij al vijf maanden een relatie met [betrokkene 2] had en dat zij zwanger van hem was. Verdachte heeft verklaard dat hij zich gekrenkt voelde en kwaad was op [betrokkene 3]. Op enig moment is de verdachte naar zijn woning aan de [B-straat] te Cuijk gegaan om daar een mes te pakken. Vervolgens is de verdachte met het mes naar de [A-straat] te Cuijk gereden.

Bij de woning heeft de verdachte een aantal keer aangebeld. Verdachte had het mes in zijn rechterhand, met zijn arm naast zijn lichaam gestrekt naar beneden. Door het raam van de slaapkamer op de eerste verdieping aan de voorzijde van de woning heeft [betrokkene 2] gezien dat de verdachte voor de deur stond. Zij heeft daarop naar de verdachte geroepen: “Martijn wat wil jij nou”. Op dat moment zag [betrokkene 2] dat de verdachte een mes bij zich droeg. Zij heeft daarop naar haar moeder, die zich ook in de woning bevond, geroepen dat de verdachte een wapen had. Toen de deur niet werd geopend, is de verdachte, met het mes in zijn hand, met zijn hoofd naar voren door de ruit van de voordeur naar binnen gesprongen. De verdachte is vervolgens opgestaan en een paar treden de trap opgelopen. Verdachte heeft verklaard dat toen hij naar boven keek, hij daar [betrokkene 1], [betrokkene 4] en mogelijk ook [betrokkene 3] zag staan. Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] de trap af kwam. Volgens de verklaring van de verdachte hield hij het mes op dat moment voor zijn borst en wel zodanig dat de punt van het mes naar voren en schuin omhoog was gericht. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] vervolgens in het mes is gelopen, waarna hij [slachtoffer 1] nog een keer heeft gestoken. Bij zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte getoond op welke wijze dit volgens hem heeft plaatsgevonden. Volgens de beschrijving in het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte maakte de verdachte hierbij een zijdelingse beweging dan wel een onderhandse steekbeweging op buikhoogte. Verdachte heeft verklaard dat hij na de confrontatie op de trap samen met [slachtoffer 1] op de grond is gevallen. Daarna heeft de verdachte de woning verlaten, met achterlating van het mes.

2.3

Opzet op de dood van [slachtoffer 1].

Op grond van de verklaringen van getuigen en het forensisch onderzoek kan geen uitsluitsel worden gegeven met betrekking tot de vraag of de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] bij de eerste confrontatie op de trap actief heeft gestoken. Evenmin kan op grond van de verklaringen van getuigen en het forensisch onderzoek een eenduidige conclusie worden getrokken over de volgorde van oplopen van de letsels.

Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat de verdachte zich, onder invloed van alcohol en cocaïne, heeft voorzien van een groot mes en vervolgens in de nachtelijke uren met het mes de woning is binnengedrongen, hetgeen getuigt van een agressieve daad in de richting van degenen die zich in die woning bevonden. In de woning is de verdachte, volgens zijn eigen verklaring, met het mes voor zijn borst, waarbij hij het mes zodanig heeft gehouden dat de punt van het mes naar voren en schuin omhoog was gericht, de eerste treden van de trap opgelopen. Op dat moment zag de verdachte [slachtoffer 1] naar beneden komen. Volgens de verklaring van de verdachte is [slachtoffer 1] vervolgens in het mes gelopen, waarna hij [slachtoffer 1] nog een keer heeft gestoken.

Door aldus te handelen heeft de verdachte zich minst genomen willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] door de steken met het mes, waaronder het hof verstaat zowel het passief als het actief steken, dodelijk zou worden verwond. De verdachte heeft door aldus te handelen die kans ook bewust aanvaard. Dat het bij de tweede messteek zou gaan om ‘een soort van schrikreactie’, zoals door de verdediging is gesteld, maakt hetgeen hiervoor is overwogen niet anders.

Voor zover de verdediging in dit kader een beroep heeft willen doen op putatief noodweer verwijst het hof naar hetgeen hierna onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ wordt overwogen.

2.4

Geen voorbedachte raad.

Uit de verklaringen van de verdachte en diens uitlatingen voorafgaand aan het incident in het café kan worden afgeleid dat de verdachte kwaad was op [betrokkene 3]. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte niet naar de woning is gegaan met het vooropgezette plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Verdachte heeft, toen hij op de trap stond, gezien dat het [slachtoffer 1] was die de trap af kwam. Vervolgens is [slachtoffer 1] dodelijk gewond geraakt bij de confrontatie met de verdachte. Mitsdien acht het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, niet bewezen dat de verdachte met betrekking tot [slachtoffer 1] heeft gehandeld met voorbedachte raad.

2.5

Conclusie.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 1] heeft begaan.

B. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

1. Door de verdediging gevoerde verweren.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde betoogd dat de verdachte niet heeft gepoogd om [betrokkene 3] van het leven te beroven. Volgens de verdediging heeft de verdachte nimmer de intentie gehad om iemand iets aan te doen. Door de verdachte zijn geen handelingen verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiding van het misdrijf moord of doodslag, zodat er geen sprake is van een begin van uitvoering. De verdediging heeft geconcludeerd dat verdachte mitsdien van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde primair betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk een mes bestemd tot het begaan van het misdrijf moord dan wel doodslag op [betrokkene 3] voorhanden heeft gehad. Volgens de verdediging blijkt uit de verklaringen van de verdachte dat hij het mes heeft meegenomen naar de woning ter afschrikking omdat hij in het verleden was achtervolgd met een hamer. Het mes was dus niet bestemd tot het plegen van een van de ten laste gelegde misdrijven. De verdediging heeft geconcludeerd dat de verdachte mitsdien eveneens van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

2. Overwegingen van het hof.

Met de advocaat-generaal stelt het hof vast dat aan verklaringen van getuigen in het café waarin verdachte tot kort voor het gebeuren verbleef, alsmede aan verklaringen van verdachte zelf, geverbaliseerd direct na zijn aanhouding kort na het gebeuren, aanwijzingen zijn te ontlenen dat verdachte met een mes naar de woning is gegaan teneinde [betrokkene 3] te doden. Bij het hof is evenwel twijfel blijven bestaan of de verdachte op 19 oktober 2012 daadwerkelijk het voornemen heeft gehad om [betrokkene 3] van het leven te beroven en daartoe het mes voorhanden heeft gehad, of dat hij – zoals door de verdachte steeds is verklaard – naar de woning is gegaan om met zijn ex-vriendin [betrokkene 2] te spreken en een mes had meegebracht ter afschrikking omdat hij bij eerdere gelegenheden met geweld bij de woning was weggejaagd.

Verdachte is uit woede en frustratie omdat zijn ex-vriendin een relatie had met [betrokkene 3], in de nachtelijke uren met een mes naar de woning gegaan waarin naar hij aannam [betrokkene 3] verbleef, maar ook zijn ex-vriendin [betrokkene 2], haar moeder [betrokkene 1] en haar vriend, het latere slachtoffer [slachtoffer 1]. Bij de woning heeft verdachte aangebeld. [betrokkene 2] zag meteen dat het verdachte was die aan de deur stond en zij heeft ook gezien dat verdachte een wapen bij zich had. Zij heeft daarop uit het bovenraam geroepen: “Martijn, wat wil jij nou”. Daarop is volgens de verklaring van verdachte iets in hem geknapt en is hij door de ruit in de deur met het mes naar binnen gedoken.

Verdachte heeft in zijn verdere verhoren steeds verklaard dat hij het mes ter afschrikking had meegenomen om zo een gesprek met [betrokkene 2] af te dwingen. Eerdere pogingen daartoe waren hardhandig verijdeld. De afschrikking diende dan met name [slachtoffer 1] die steeds aan de deur verscheen en die volgens verdachte steeds wilde vechten en ook een keer met een hamer achter hem aan heeft gezeten.

Gelet op hetgeen verdachte bij herhaling heeft verklaard, waarmee de feitelijke gang van zaken aan de voordeur zoals hiervoor weergegeven niet in strijd is, heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat verdachtes opzet gericht was op het van het leven beroven van [betrokkene 3]. Het hof zal verdachte mitsdien vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is aangevoerd dat de tweede messteek geduid moet worden als putatief noodweer.

Nog daargelaten dat dit verweer niet nader is onderbouwd valt niet in te zien hoe onder de gegeven omstandigheden – de verdachte is de met een mes bewapende agressor die een woning binnendringt waar zich op dat moment bewoners bevinden; hij kon derhalve verwachten dat een van de bewoners snel naar beneden zou komen om hem te beletten naar de bovenverdieping te gaan – de verdachte heeft kunnen veronderstellen dat sprake zou zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] waartegen hij zich zou mogen verdedigen. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat verdachte de tweede messteek heeft toegebracht om zo te ontkomen aan de gevreesde reactie van het slachtoffer, kan dit verweer niet slagen omdat de verdachte direct ten tweede male heeft gestoken en meteen daarop de woning heeft verlaten.

Het hof verwerpt het beroep op putatief noodweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] is door toedoen van de verdachte op gewelddadige wijze om het leven gekomen. Het recht op leven is het meest fundamentele rechtsgoed dat een mens bezit. Verdachte heeft dat recht van [slachtoffer 1] afgenomen. Met zijn handelen heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer een diep en onherstelbaar leed aangedaan. Uit de schriftelijke en ter terechtzitting afgelegde verklaringen van enkele nabestaanden blijkt dat de gebeurtenissen een diepe en blijvende impact op hun leven hebben.

[slachtoffer 1] is ter plaatse in de armen van [betrokkene 2] overleden. Ook de andere aanwezigen in de woning zijn met het gewelddadige handelen van de verdachte geconfronteerd. Zij hebben angstige momenten moeten doorstaan toen de verdachte in de nachtelijke uren gewapend met een groot mes voor de deur stond en onverhoeds de woning binnendrong. Zij waren in de woning aanwezig toen [slachtoffer 1] overleed. Het is een feit van algemene bekendheid dat een gewelddadig feit als het onderhavige diep in kan grijpen op het leven van getuigen en kan leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Uitgangspunt bij doodslag is dat in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. In het onderhavige geval is evenwel sprake van omstandigheden die aanleiding geven tot het opleggen van een hogere straf, te weten het excessieve karakter van de handelwijze van de verdachte en de omstandigheid dat ook andere aanwezigen in de woning met de gewelddadige handelingen van de verdachte zijn geconfronteerd. Gelet op deze feiten en omstandigheden ziet het hof aanleiding om een gevangenisstraf voor een langere duur op te leggen dan voornoemd uitgangspunt.

Anderzijds houdt het hof rekening met de in de onderhavige zaak omtrent de persoon van verdachte uitgebrachte rapporten van de gedragsdeskundigen. Evenals de advocaat-generaal en de verdediging zal het hof daarbij het in hoger beroep opgemaakte rapport van psycholoog I. Schilperoord en psychiater E.A. Beld van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) tot uitgangspunt nemen.1 De verdachte is ten behoeve dit onderzoek in de periode van 18 december 2013 tot 5 februari 2014 opgenomen geweest in het PBC. De gedragsdeskundigen van het PBC hebben gerapporteerd dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende kenmerken van waaruit een aantal kwetsbaarheden naar voren komt. Volgens de gedragsdeskundigen van het PBC is de persoonlijkheidsontwikkeling dusdanig gestagneerd geraakt dat gesproken kan worden van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Naast de persoonlijkheidsstoornis is er, aldus de gedragsdeskundigen van het PBC, bij de verdachte sprake van alcoholafhankelijkheid en cocaïneafhankelijkheid waarbij de persoonlijkheidsproblematiek niet los kan worden gezien van de verslaving.

Volgens de gedragsdeskundigen van het PBC hebben de persoonlijkheidsstoornis en middelenafhankelijkheid slechts beperkt doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten en betreft de doorwerking voornamelijk de aanloop naar de feiten toe en niet zozeer de feiten zelf. Gelet hierop hebben de gedragsdeskundigen van het PBC geconcludeerd dat de feiten de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. Het hof verenigt zich met de bevindingen en conclusies van de deskundigen en zal daarmee in strafmatigende zin rekening houden.

Anders dan door de gedragsdeskundigen die in eerste aanleg omtrent de verdachte hebben gerapporteerd is geadviseerd2 zien de gedragsdeskundigen van het PBC geen aanleiding om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De gedragsdeskundigen van het PBC hebben hieromtrent gerapporteerd dat, aangezien de stoornis van de verdachte slechts in beperkte mate heeft doorgewerkt in de feiten, er vanuit de psychopathologie geen grote kans op herhaling van dergelijke feiten te onderbouwen is. Voorts laat het risicotaxatie-instrument HCR-20 (een instrument om een inschatting van het recidiverisico vanuit meer algemene, niet stoornisgebonden, factoren te maken) een laag recidiverisico zien en signaleert SAPROF (een instrument om de factoren te inventariseren die beschermen voor recidive) verschillende beschermende factoren. Gelet hierop hebben de gedragsdeskundigen van het PBC geconcludeerd dat er geen grond is om te komen tot een behandeladvies om de kans op herhaling, vanuit de psychopathologie, terug te dringen.

Gelet op de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen van het PBC zoals hiervoor uiteengezet, ziet het hof met de advocaat-generaal en de verdediging geen aanleiding om te komen tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Het hof gaat er daarbij met de advocaat-generaal van uit dat behandeling en/of begeleiding van de verdachte in verband met de bij hem geconstateerde persoonlijkheidsstoornis en middelenafhankelijkheid, indien aangewezen, kan plaatsvinden in het kader van voorwaarden die te zijner tijd aan een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte kunnen worden verbonden.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend en geboden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Vordering van [moeder slachtoffer]:

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 12.038,21 en proceskosten tot een bedrag van € 77,-.

Deze vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

  • -

    reiskosten en parkeerkosten in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko en bezoeken aan een psycholoog, de advocaat en familie: € 197,20;

  • -

    kosten van de lijkwassing en koffietafel in Nederland: € 688,12;

  • -

    leges ter verkrijging van een akte ten behoeve van het consulaat: € 40,-;

  • -

    eigen bijdrage in verband met bezoek aan een psycholoog: € 350,-;

  • -

    begrafeniskosten in Marokko: € 9.662,89 (118.200 Dirham);

  • -

    reis met [zoon slachtoffer] om het graf van het slachtoffer in Marokko te bezoeken: geen bedrag ingevuld;

  • -

    kosten van een Imam: € 100,-;

  • -

    immateriële schade (shockschade): € 1.000,-.

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 10.688,21, bestaande uit reiskosten voor zover gemaakt in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko (€ 197,20) en de kosten van de uitvaart/begrafenis in Nederland en Marokko (€ 10.491,01), met verwijzing van verdachte in de proceskosten begroot op € 77,-. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep weer in volle omvang aan de orde is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen voor zover deze betrekking heeft op de begrafeniskosten. Voor wat betreft de toewijsbaarheid van de reiskosten in verband met de begrafenis van het slachtoffer heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Met betrekking tot de kosten van de koffietafel heeft de verdediging betoogd dat deze schadepost dient te worden gematigd nu op de bij de vordering gevoegde bonnetjes producten zijn vermeld die geen betrekking hebben op de koffietafel. Voor het overige heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade (shockschade) en de daarmee samenhangende kosten zoals kosten voor de psycholoog en reiskosten naar de psycholoog in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de vordering voor wat betreft de reis naar Marokko met Nouvel Keijzers dient te worden afgewezen nu deze schadepost onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Kosten gemaakt in verband met de uitvaart/begrafenis van het slachtoffer:

Het hof is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kosten gemaakt in verband met de uitvaart/begrafenis van het slachtoffer in Nederland en Marokko kan worden toegewezen nu dit kosten zijn die kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Dit betreft de reiskosten naar de luchthaven Schiphol vice versa, de kosten van de lijkwassing en koffietafel in Nederland, de leges ter verkrijging van een akte ten behoeve van het consulaat, de begrafeniskosten in Marokko en de kosten van een Imam.

De begrafeniskosten in Marokko ad € 9.662,89 en de kosten van een Imam ad € 100,- kunnen volledig worden toegewezen.

Voor wat betreft de reiskosten stelt het hof vast dat in de vordering en de daarbij gevoegde stukken niet nader is gespecificeerd welk deel van de gevorderde reiskosten is gemaakt ten behoeve van de reis naar en van de luchthaven. Mitsdien zal het hof deze reiskosten berekenen aan de hand van de in zaken als de onderhavige gebruikelijke normvergoeding van € 0,24 per kilometer. De afstand van het woonadres van de benadeelde partij te [plaats] naar de luchthaven Schiphol bedraagt 133 kilometer per enkele reis.3 Mitsdien kan een bedrag van in totaal € 63,84 aan reiskosten worden toegewezen. Voor het overige zijn de reis- en parkeerkosten in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij voor het meer gevorderde in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Voor wat betreft de kosten van de koffietafel/lijkwassing in Nederland is het hof met de verdediging van oordeel dat niet het volledige bedrag kan worden toegewezen. Op de bij de vordering gevoegde bonnen zijn namelijk ook producten vermeld die naar hun aard kennelijk geen verband houden met de koffietafel/lijkwassing. Mitsdien zal het hof de kosten van de lijkwassing en koffietafel in redelijkheid schatten op een bedrag van € 500,-. Voor het overige zijn de kosten van de koffietafel/lijkwassing onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij voor het meer gevorderde in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Voor wat betreft de leges ter verkrijging van een akte ten behoeve van het consulaat stelt het hof op basis van het bij de vordering gevoegde betaalbewijs vast dat – anders dan in de vordering is vermeld – een bedrag van € 23,60 aan leges is betaald. In zoverre kan dit deel van de vordering worden toegewezen. Voor het overige zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Gelet op het voorgaande kan de vordering voor wat betreft de kosten gemaakt in verband met de uitvaart/begrafenis van het slachtoffer in Nederland en Marokko worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 10.350,33.

Overige reiskosten:

Het hof is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de reiskosten in verband met bezoeken aan een psycholoog, de advocaat en familie onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende wat de omvang van deze kosten is en in hoeverre deze kosten kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in zoverre in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Eigen bijdrage psycholoog:

Het hof is van oordeel dat de gevorderde kosten in verband met de eigen bijdrage voor een psycholoog niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Reis met [zoon slachtoffer] om het graf van het slachtoffer in Marokko te bezoeken:

Nu bij deze schadepost door de benadeelde partij geen bedrag is ingevuld, zal het hof dit deel van de vordering buiten beschouwing laten.

Immateriële schade (shockschade):

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt immateriële schade in de vorm van shockschade op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking jegens degene bij wie door het waarnemen van de gebeurtenis of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij de gebeurtenis is gedood of gewond. De daardoor ontstane immateriële schade komt op grond van het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240).

Tegen de achtergrond van dit uitgangspunt is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende in hoeverre bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten:

Het hof zal de verdachte verwijzen in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten. Het hof begroot deze kosten tot op heden op het door de benadeelde partij in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 77,-.

Vordering van [vader slachtoffer]:

De benadeelde partij [vader slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade (shockschade), en proceskosten tot een bedrag van € 77,-.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep weer in volle omvang aan de orde is. Voorts heeft de benadeelde partij in hoger beroep vergoeding van proceskosten gevraagd bestaande uit de reiskosten in verband met het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep en een gesprek met de advocaat-generaal ad € 247,99.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof overweegt als volgt.

Immateriële schade (shockschade):

Het hof verwijst voor wat betreft de omstandigheden waaronder immateriële schade in de vorm van shockschade voor vergoeding in aanmerking komt naar het hiervoor bij de benadeelde partij [moeder slachtoffer] geformuleerde uitgangspunt. Tegen de achtergrond van dit uitgangspunt is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende in hoeverre bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin. Mitsdien zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten:

Nu de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding te compenseren in die zin dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van [broer slachtoffer]:

De benadeelde partij [broer slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.981,80.

Deze vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

  • -

    reiskosten in verband met bezoeken aan een psycholoog, de advocaat en familie, de lijkwassing en de luchthaven voor de begrafenis van het slachtoffer in Marokko: € 131,13;

  • -

    kosten vliegtickets in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko: € 275,12;

  • -

    eigen bijdrage in verband met bezoek aan een psycholoog: € 20,-;

  • -

    kosten medicatie: € 13,75;

  • -

    telefoonkosten: € 41,80;

  • -

    immateriële schade (shockschade): € 2.500,-.

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 375,12, bestaande uit reiskosten in Nederland voor zover gemaakt in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko (€ 100,-) en de kosten van de vliegtickets (€ 275,12). Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep weer in volle omvang aan de orde is. Voorts heeft de benadeelde partij in hoger beroep vergoeding van proceskosten gevraagd bestaande uit de reiskosten in verband met het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep en een gesprek met de advocaat-generaal ad € 255,89.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen voor zover deze betrekking heeft op de reiskosten gemaakt in verband met de begrafenis van het slachtoffer en het bijwonen van de zittingen in hoger beroep. Voor het overige heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade (shockschade) en de daarmee samenhangende kosten zoals de kosten voor de psycholoog en de reiskosten naar de psycholoog in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de vordering voor wat betreft de overige reiskosten en de kosten van de medicatie dient te worden afgewezen nu niet blijkt van enig causaal verband.

Het hof overweegt als volgt.

Kosten gemaakt in verband met de uitvaart/begrafenis van het slachtoffer:

Het hof is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kosten gemaakt in verband met de uitvaart/begrafenis van het slachtoffer in Nederland en Marokko kan worden toegewezen nu dit kosten zijn die kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Dit betreft de reiskosten naar de luchthaven Schiphol vice versa, de reiskosten naar de plaats van de lijkwassing te Mill vice versa en de kosten van de vliegtickets naar Marokko.

De kosten van de vliegtickets in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko ad € 275,12 kunnen volledig worden toegewezen.

Voor wat betreft de reiskosten stelt het hof vast dat in de vordering en de daarbij gevoegde stukken niet nader is gespecificeerd welk deel van de gevorderde reiskosten is gemaakt voor de reis naar en van de luchthaven en de lijkwassing. Mitsdien zal het hof deze reiskosten berekenen aan de hand van de in zaken als de onderhavige gebruikelijke normvergoeding van € 0,24 per kilometer. De afstand van het woonadres van de benadeelde partij te [plaats] naar de luchthaven Schiphol bedraagt 104 kilometer per enkele reis.4 De afstand van het woonadres van de benadeelde partij te [plaats] naar de plaats van de lijkwassing te [plaats] bedraagt 35 kilometer per enkele reis.5 Mitsdien kan een bedrag van in totaal € 66,72 aan reiskosten worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande kan de vordering voor wat betreft de kosten gemaakt in verband met de uitvaart/begrafenis van het slachtoffer in Nederland en Marokko worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 341,84.

Overige reiskosten:

Het hof is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de reiskosten in verband met bezoeken aan een psycholoog en familie onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende wat de omvang van deze kosten is en in hoeverre deze kosten kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in zoverre in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De door de benadeelde partij gevorderde reiskosten in verband met bezoeken aan de advocaat zal het hof hierna bij de proceskosten bespreken.

Eigen bijdrage psycholoog en medicatie:

Het hof is van oordeel dat de gevorderde kosten in verband met de eigen bijdrage voor een psycholoog en de medicatie niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Telefoonkosten:

Het hof is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de telefoonkosten onvoldoende is onderbouwd. Het hof overweegt daartoe dat de telefoonkosten in de vordering en de daarbij gevoegde stukken niet nader zijn gespecificeerd, zodat niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze kosten als redelijk kunnen worden beschouwd en kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade (shockschade):

Het hof verwijst voor wat betreft de omstandigheden waaronder immateriële schade in de vorm van shockschade voor vergoeding in aanmerking komt naar het hiervoor bij de benadeelde partij [moeder slachtoffer] geformuleerde uitgangspunt.

Het hof stelt in dit verband vast dat de benadeelde partij, zijnde een broer van het slachtoffer, het incident zelf niet heeft waargenomen en evenmin direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan. Het hof wil zonder meer aannemen dat het aanschouwen van het lichaam van het slachtoffer tijdens de lijkwassing voor de benadeelde partij een emotionele ervaring is geweest, doch naar het oordeel van het hof levert dit niet een situatie op waarin immateriële schade in de vorm van shockschade voor vergoeding in aanmerking komt. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten:

Het hof zal de verdachte verwijzen in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten. Het hof begroot deze kosten tot op heden op een bedrag van in totaal € 289,49.

Dit bedrag aan proceskosten bestaat in de eerste plaats uit het door de benadeelde partij in hoger beroep gevorderde bedrag van € 255,89. Het hof merkt daarbij op dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat door een benadeelde partij eerst in hoger beroep om vergoeding van proceskosten wordt gevraagd die reeds in eerste aanleg zijn gemaakt, zodat ook de reiskosten in verband met het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg als proceskosten kunnen worden toegewezen.

Voorts bestaat dit bedrag aan proceskosten uit de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten in verband met bezoeken aan diens advocaat. In de vordering en de daarbij gevoegde stukken is niet nader gespecificeerd welk deel van de gevorderde reiskosten zijn gemaakt in verband met de reis naar de advocaat. Mitsdien zal het hof deze reiskosten berekenen aan de hand van de in zaken als de onderhavige gebruikelijke normvergoeding van € 0,24 per kilometer. De afstand van het woonadres van de benadeelde partij te [plaats] naar het kantoor van diens advocaat te Oss bedraagt 35 kilometer per enkele reis.6 De advocaat van de benadeelde partij heeft op de terechtzitting van het hof van 11 februari 2015 toegelicht dat de benadeelde partij hem tweemaal op zijn kantoor te Oss heeft bezocht. Mitsdien kunnen de reiskosten in verband met bezoeken aan de advocaat worden begroot op een bedrag van € 33,60.

Vordering van [zus slachtoffer]:

De benadeelde partij [zus slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.654,70, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

  • -

    kosten vliegtickets in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko ten behoeve van benadeelde partij zelf, [betrokkene 1] en [betrokkene 5]: € 877,62;

  • -

    kosten vliegtickets in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Marokko ten behoeve van [betrokkene 3] en [betrokkene 2]: € 777,08.

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep. Voorts heeft de benadeelde partij in hoger beroep vergoeding van proceskosten gevraagd bestaande uit de reiskosten in verband met het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep en een gesprek met de advocaat-generaal ad € 295,41.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de toewijsbaarheid van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Kosten vliegtickets:

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden zoals door de benadeelde partij is gevorderd. Het hof acht de vordering dan ook volledig toewijsbaar.

Wettelijke rente:

De toe te wijzen bedragen aan schadevergoeding zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente. Voor wat betreft de kosten van de vliegtickets ten behoeve van de benadeelde partij zelf, [betrokkene 1] en [betrokkene 5] zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 20 oktober 2012 en voor wat betreft de kosten van de vliegkosten ten behoeve van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] vanaf 21 oktober 2012, zijnde de respectievelijke data dat deze kosten blijkens de bij de vordering gevoegde stukken zijn betaald.

Proceskosten:

Het hof zal de verdachte verwijzen in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten. Het hof begroot deze kosten tot op heden op het door de benadeelde partij in hoger beroep gevorderde bedrag van € 295,41. Het hof merkt daarbij op dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat door een benadeelde partij eerst in hoger beroep om vergoeding van proceskosten wordt gevraagd die reeds in eerste aanleg zijn gemaakt, zodat ook de reiskosten in verband met het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg als proceskosten kunnen worden toegewezen.

Vordering van [betrokkene 1]:

De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 23.715,81.

Deze vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

  • -

    telefoonkosten: € 120,-;

  • -

    reiskosten naar kennissen in verband met angst om in de woning te verblijven alwaar het feit heeft plaatsgevonden: € 144,90;

  • -

    renovatiekosten woning en inrichting woning: € 13.274,22;

  • -

    kosten vertrapte gebitsprothese: € 176,69;

  • -

    immateriële schade (shockschade): € 10.000,-.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep weer in volle omvang aan de orde is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade (shockschade) in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de vordering voor wat betreft de overige kosten onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Telefoonkosten:

Het hof stelt vast dat de telefoonkosten in de vordering en de daarbij gevoegde stukken niet nader zijn gespecificeerd. Het hof acht het evenwel aannemelijk dat door de benadeelde partij – zijnde de partner van het slachtoffer – in verband met het incident telefoonkosten zijn gemaakt welke kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Mitsdien zal het hof de telefoonkosten in redelijkheid schatten op een bedrag van € 80,-. Voor het overige is dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Reiskosten:

Blijkens de bij de vordering gevoegde treinkaartjes ziet deze schadepost op reizen gemaakt tussen 26 december 2012 en 19 maart 2013. Gelet hierop is het hof van oordeel dat deze reiskosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde, dat immers op 19 oktober 2012 heeft plaatsgevonden. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Renovatiekosten woning en kosten inrichting woning:

Het hof stelt vast dat het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft plaatsgevonden in de woning van de benadeelde partij. De verdachte is op gewelddadige wijze de woning binnengedrongen. In de woning heeft een confrontatie met het slachtoffer plaatsgevonden waarbij het slachtoffer meermalen met een mes is gestoken. Door dit handelen van de verdachte is schade aan de woning ontstaan.

Door de benadeelde partij wordt vergoeding gevraagd van de kosten van het herstel van de schade in en aan de woning en de aanschaf van meubilair dat bij het gebeuren kapot is gegaan. Het hof is evenwel van oordeel dat niet alle in de bij de vordering gevoegde stukken genoemde verbouw- en renovatiewerkzaamheden en aankopen van meubilair zonder meer kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal het hof de renovatiekosten in redelijkheid schatten op een bedrag van € 3.500,-. Voor het overige is dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kosten vertrapte gebitsprothese:

Het hof is van oordeel dat de gevorderde kosten van de vertrapte gebitsprothese niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade (shockschade):

Het hof verwijst voor wat betreft de omstandigheden waaronder immateriële schade in de vorm van shockschade voor vergoeding in aanmerking komt naar het hiervoor bij de benadeelde partij [moeder slachtoffer] geformuleerde uitgangspunt. Tegen de achtergrond van dit uitgangspunt is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende in hoeverre bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten:

Het hof zal de verdachte verwijzen in de gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Vordering van [betrokkene 2]:

De benadeelde partij [betrokkene 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 12.526,69 en proceskosten tot een bedrag van € 77,-.

Deze vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

  • -

    hotelkosten in verband met angst om in de woning te verblijven alwaar het incident heeft plaatsgevonden: € 721,69;

  • -

    telefoonkosten (schatting): € 200,-;

  • -

    reis- en verblijfkosten in Marokko in verband met begrafenis van het slachtoffer: € 1.605,-;

  • -

    immateriële schade (shockschade): € 10.000,-.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep weer in volle omvang aan de orde is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade (shockschade) in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de vordering voor wat betreft de overige kosten onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Hotelkosten:

Het hof stelt vast dat de advocaat van de benadeelde partij op de terechtzitting van de rechtbank van 4 april 2013 in toelichting op deze schadepost heeft medegedeeld dat de rechtbank deze kosten buiten beschouwing kan laten. Het hof begrijpt deze mededeling van de advocaat van de benadeelde partij aldus dat hij daarmee destijds te kennen heeft gegeven dat de vordering voor wat betreft de hotelkosten niet wordt gehandhaafd. Mitsdien zal het hof dit deel van de vordering buiten beschouwing laten.

Telefoonkosten:

Het hof is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de telefoonkosten onvoldoende is onderbouwd. Het hof overweegt daartoe dat de telefoonkosten in de vordering en de daarbij gevoegde stukken niet nader zijn gespecificeerd, zodat niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze kosten als redelijk kunnen worden beschouwd en kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Reis- en verblijfkosten in Marokko:

Het hof is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de reis- en verblijfkosten in Marokko onvoldoende is onderbouwd. Het hof overweegt daartoe dat deze kosten in de vordering en de daarbij gevoegde stukken niet nader zijn gespecificeerd, zodat niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze kosten als redelijk kunnen worden beschouwd en kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade (shockschade):

Het hof verwijst voor wat betreft de omstandigheden waaronder immateriële schade in de vorm van shockschade voor vergoeding in aanmerking komt naar het hiervoor bij de benadeelde partij [moeder slachtoffer] geformuleerde uitgangspunt. Tegen de achtergrond van dit uitgangspunt is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende in hoeverre bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten:

Nu de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding te compenseren in die zin dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van [betrokkene 4]:

De benadeelde partij [betrokkene 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit immateriële schade (shockschade).

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep weer in volle omvang aan de orde is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof overweegt als volgt.

Immateriële schade (shockschade):

Het hof verwijst voor wat betreft de omstandigheden waaronder immateriële schade in de vorm van shockschade voor vergoeding in aanmerking komt naar het hiervoor bij de benadeelde partij [moeder slachtoffer] geformuleerde uitgangspunt. Tegen de achtergrond van dit uitgangspunt is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende in hoeverre bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin. Mitsdien zal het hof de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Proceskosten:

Nu de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding te compenseren in die zin dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van [betrokkene 3]:

De benadeelde partij [betrokkene 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.265,85.

Deze vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

  • -

    hotelkosten in verband met angst om in de woning te verblijven alwaar het incident heeft plaatsgevonden: € 169,85;

  • -

    reiskosten in verband met bezoeken aan Novadic-Kentron: € 96,-;

  • -

    immateriële schade (shockschade): € 8.000,-.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep weer in volle omvang aan de orde is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof overweegt als volgt.

Hotelkosten:

Het hof is van oordeel dat de gevorderde hotelkosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de benadeelde partij ten tijde van het incident niet woonachtig was op het adres waar het incident zich heeft voorgedaan. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Reiskosten:

Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten in verband met bezoeken aan Novadic-Kentron niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade (shockschade):

Blijkens de bij de vordering gevoegde toelichting wordt door de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade gevraagd in verband met de dood van het slachtoffer zoals onder 1 bewezen verklaard. Het hof verwijst voor wat betreft de omstandigheden waaronder immateriële schade in de vorm van shockschade voor vergoeding in aanmerking komt naar het hiervoor bij de benadeelde partij [moeder slachtoffer] geformuleerde uitgangspunt. Tegen de achtergrond van dit uitgangspunt is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. In het bijzonder blijkt uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken onvoldoende in hoeverre bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin. Mitsdien zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten:

Nu de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding te compenseren in die zin dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte – ter meerdere zekerheid van de betaling van de schadevergoeding aan de benadeelde partijen [moeder slachtoffer], [broer slachtoffer], [zus slachtoffer] en [betrokkene 1] – telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering op te leggen als na te melden. Verdachte is telkens naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair (moord) en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.350,33 (tienduizend driehonderdvijftig euro en drieëndertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 16,40 (zestien euro en veertig cent) af.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 77,00 (zevenenzeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.350,33 (tienduizend driehonderdvijftig euro en drieëndertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 (zesentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [vader slachtoffer] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [broer slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [broer slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 341,84 (driehonderdeenenveertig euro en vierentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 289,49 (tweehonderdnegenentachtig euro en negenenveertig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [broer slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 341,84 (driehonderdeenenveertig euro en vierentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [zus slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [zus slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.654,70 (duizend zeshonderdvierenvijftig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente,

- voor wat betreft de vliegkosten ten behoeve van de benadeelde partij zelf, [betrokkene 1] en [betrokkene 5] (€ 877,62) te rekenen vanaf 20 oktober 2012 en

- voor wat betreft de vliegkosten ten behoeve van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] (€ 777,08) te rekenen vanaf 21 oktober 2012,

tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 295,41 (tweehonderdvijfennegentig euro en eenenveertig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [zus slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.654,70 (duizend zeshonderdvierenvijftig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente,

- voor wat betreft de vliegkosten ten behoeve van de benadeelde partij zelf, [betrokkene 1] en [betrokkene 5] (€ 877,62) te rekenen vanaf 20 oktober 2012 en

- voor wat betreft de vliegkosten ten behoeve van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] (€ 777,08) te rekenen vanaf 21 oktober 2012,

tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.580,00 (drieduizend vijfhonderdtachtig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.580,00 (drieduizend vijfhonderdtachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 4]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 4] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 3] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 11 maart 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Pro Justitia rapport d.d. 11 maart 2014 inhoudende een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte, opgemaakt door psycholoog I. Schilperoord en psychiater E.A. Beld, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Observatiekliniek te Utrecht.

2 Zie: Pro Justitia rapport d.d. 17 januari 2013 inhoudende een psychiatrisch onderzoek betreffende de verdachte, opgemaakt door psychiater E.M.M. Mol, en Pro Justitia rapport d.d. 24 januari 2013 inhoudende een psychologisch onderzoek betreffende de verdachte, opgemaakt door GZ-psycholoog S.F.H.M. Mikkers en GZ-psycholoog A.G.M. Weenink.

3 Op basis van de meest gunstige route via https://www.google.nl/maps.

4 Op basis van de meest gunstige route via https://www.google.nl/maps.

5 Op basis van de meest gunstige route via https://www.google.nl/maps.

6 Op basis van de meest gunstige route via https://www.google.nl/maps.