Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:795

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
HV 200 163 268_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekster wordt, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuldenlast immer te goeder trouw is geweest en haar beroep op de hardheidsclausule faalt nu verzoekster omstandigheden aandraagt waarop voornoemde clausule niet van toepassing is, niet toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 26 februari 2015

Zaaknummer : HV 200.163.268/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/286017 / FT RK 14-1719

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.M. Tang.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 12 januari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 20 januari 2015, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar uit te spreken.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellante], bijgestaan door mr. Tang.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 29 december 2014;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 4 februari 2015 en 6 februari 2015.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 17.958,39. Daaronder bevinden zich een schuld aan de Belastingdienst van € 6.714,84 en een drietal schulden aan het CJIB van in totaal € 2.712,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“De schuld aan het CJIB-boetes zijn, mede gelet op het bepaalde in artikel 5.4.4 van bijlage IV van het procesreglement verzoekschriftprocedures in insolventiezaken, naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw ontstaan. De schulden aan de Belastingdienst, waaronder terugvordering zorg en kinderopvangtoeslag, zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan. De stelling dat verzoekster geen kennis heeft van de gang van zaken rondom de Belastingdienst wordt door de rechtbank gepasseerd. Verzoekster had zich, of met behulp van derden, dienen te verdiepen in de voorwaarden waaronder toeslagen worden toegekend. Nu verzoekster heeft verzuimd op jaaropgaves van de kinderopvang te verstrekken, heeft zij niet voldaan aan de daaraan gestelde vereisten, en kan verzoekster een verwijt worden gemaakt voor het ontstaan van deze schulden. Evenmin is de nieuwe schuld aan het UWV, zijnde een terugvordering van onterecht ontvangen WW-uitkering, te goeder trouw ontstaan en onbetaald gelaten, althans verzoekster is er niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat zij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze nieuwe schuld.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] stelt dat de schuld aan de Belastingdienst inderdaad is ontstaan omdat zij geen jaaropgaves van de kinderopvang heeft verstrekt, maar dat dit haar niet valt te verwijten nu het niet zo is dat zij deze jaaropgaves niet naar de Belastingdienst wil opsturen, maar dat de kinderopvang haar geen jaaropgaves wil verstrekken. De Belastingdienst heeft vervolgens een inschatting gemaakt van het aantal genoten kinderopvanguren en dit heeft, volgens [appellante] ten onrechte, tot een terugvordering geleid. Daarbij komt dat deze schuld ook al vier jaar oud is. Gelet op de genoemde omstandigheden is [appellante] dan ook van mening dat deze schuld redelijkerwijs niet dient te leiden tot een afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tot slot doet [appellante] een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] heeft allereerst haar beroep op de hardheidsclausule nader toegelicht. Zo stelt [appellante] dat zij niet wist dat zij ten gevolge van de inwoning door haar zus geen recht meer had op een aantal toeslagen en dat zij deze toeslagen, zonder dat zij zich dit bewust was, ten onrechte heeft ontvangen. Haar zus is thans evenwel niet meer inwonend bij haar. Tevens stelt [appellante] dat zij zich bij het aanvragen van haar toeslagen door een derde heeft laten adviseren welke haar te verstaan heeft gegeven dat zij recht had op kinderopvangtoeslag, ook wanneer, zoals bij [appellante] het geval was, de kinderopvang door haar moeder zou worden verzorgd. [appellante] heeft zich daarbij naar eigen zeggen niet tijdig gerealiseerd dat zij, ten behoeve van deze kinderopvangtoeslag, nimmer in staat zou zijn om jaaropgaves van de door haar moeder verzorgde kinderopvang te overleggen. Voorts stelt [appellante] dat het thans een stuk beter met haar gaat en er recent dan ook geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan. Tevens geeft [appellante] aan dat haar huurachterstand als gevolg van een loonbeslag steeds lager wordt, dat zij in de persoon van haar zus ook een sociaal vangnet heeft en dat zij op dit moment een betaalde arbeidsbetrekking heeft. Tot slot geeft [appellante] aan dat zij voornemens is om nog vanmiddag een bedrag van € 1166,00 aan het CJIB te voldoen en dat de nieuwe schuld aan het UWV is ontstaan ten gevolge van een misverstand op basis waarbij [appellante] ten onrechte voor de duur van één maand een uitkering heeft ontvangen.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Vast staat, nu zij zulks bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling heeft erkend, dat [appellante] uit hoofde van een terugvordering van ten onrechte ontvangen zorg- en kinderopvangtoeslag een schuld aan de Belastingdienst heeft. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Het hof merkt hierbij ten aanzien van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag op dat [appellante] hieromtrent tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft [appellante] bij gelegenheid van de toelatingszitting bij de rechtbank d.d. 29 december 2014 blijkens het proces-verbaal van deze zitting verklaard dat zij inderdaad gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. In haar beroepschrift stelt [appellante] vervolgens dat zij geen jaaropgaves van de kinderopvang aan de Belastingdienst heeft kunnen overleggen omdat de kinderopvang haar geen jaaropgaves wil verstrekken. Thans bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep verklaart [appellante] eerst dat de kinderopvang is verzorgd door haar moeder en dat dit de reden zou zijn waarom [appellante] de Belastingdienst met betrekking tot de kinderopvang geen jaaropgaves heeft kunnen verstrekken. Temeer nu [appellante] verzuimt haar diverse stellingen met betrekking tot het kinderopvanggedeelte van haar belastingschuld ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te te onderbouwen en daarbij bovendien in haar beroepschrift geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat zij ook uit hoofde van een ten onrechte ontvangen zorgtoeslag een schuld aan de Belastingdienst heeft ten aanzien waarvan zij niet te goeder trouw wordt geacht, zodat dit oordeel thans in hoger beroep rechtens onaantastbaar geworden, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de (totale) schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. Daarbij merkt het nog op dat in elk geval uit de in het kader van het hoger beroep wel overlegde opgave belastingschuld bij minnelijke regeling volgt dat de belastingschulden uit 2010 en 2011 zouden dateren, dus binnen de in artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw bedoelde referentieperiode, nu het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de griffie van de rechtbank is ingediend op 4 november 2014.

3.6.3.

Vast staat, nu zij zulks bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep eveneens nadrukkelijk en bij herhaling heeft verklaard, dat [appellante] ook een schuld heeft aan het UWV. Een schuld aan een uitkeringsinstantie die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel eveneens te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Dat deze schuld, zoals [appellante] bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft gesteld, uitsluitend het gevolg is van een misverstand harerzijds en dat er derhalve van enige opzet of kwaadwillendheid geen enkele sprake is maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Ook anderszins heeft [appellante] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze schuld wel te goeder trouw zou zijn. Daar komt bij dat [appellante] in haar beroepschrift geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat zij ten aanzien van het ontstaan van deze schuld aan het UWV niet te goeder trouw is geweest. Doordat tegen deze overwegingen geen grief is gericht, is dit oordeel thans in hoger beroep eveneens rechtens onaantastbaar geworden.

3.6.4.

Vast staat voorts dat [appellante] uit hoofde van een drietal boetes voor het niet in verzekering hebben van een motorvoertuig een schuld heeft aan het CJIB. Bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft [appellante] bovendien verklaard dat de hoogte van de schuld aan het CJIB ten gevolge van een parkeerboete ten opzichte van de vermelding op de verklaring ex artikel 285 Fw inmiddels is toegenomen. En schuld aan het CJIB dient naar zijn aard in beginsel eveneens te gelden als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. [appellante] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt laat staan gesteld dat voornoemde schuld wel te goeder trouw zou zijn ontstaan.

3.6.5.

Voorts is het hof van oordeel dat het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw, een discretionaire bevoegdheid van de rechter, niet kan slagen nu [appellante] onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden zij thans onder controle heeft gekregen. De door [appellante] genoemde omstandigheden, dat haar zus niet meer bij haar inwoont, dat zij door middel van een loonbeslag haar huurschuld aan het inlopen is en dat zij thans een betaalde arbeidsbetrekking heeft betreffen immers geen (voldoende relevante) omstandigheden zoals bedoeld in art. 288, lid 1 onder b Fw, dan wel art. 288, lid 2 onder c Fw, zodat de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw hierop niet van toepassing kan zijn.

3.6.6.

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden daarbij voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, L.Th.L.G. Pellis en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2015.