Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:723

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-03-2015
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
14-00042 en 14-00043
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8717, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:707
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een laanbomenkwekerij en gebruikt in dat kader een vrachtauto (trekker). De vrachtauto is uitgerust met een kraan, die wordt gebruikt bij het planten van laanbomen met een gewicht tussen 100 en 500 kg per stuk. Met de kraan wordt de boom in het plantgat gezet. De vrachtauto wordt tevens gebruikt voor het vervoeren van de bomen naar de plaats, waar de bomen worden geplant. Daartoe is de vrachtauto uitgerust met een schotel, bedoeld om een oplegger aan te koppelen.

Het Hof oordeelt dat de vrachtauto geschikt is voor meerdere toepassingen. De algemene geschiktheid van de vrachtauto is de goederenvervoersfunctie (hoofdfunctie) en niet de hijsfunctie (een nevenfunctie).

De naheffingsaanslagen krachtens de Wet belasting zware motorvoertuigen zijn terecht opgelegd.

Ook bij de Inspecteur bestaat onduidelijkheid over de uitleg van de onderhavige wettelijke bepaling in een specifiek geval. Belanghebbende heeft een pleitbaar standpunt ingenomen. De boete dient te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/592
V-N 2015/26.1.2
FutD 2015-0755
NTFR 2015/1424 met annotatie van mr. M. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00042 en 14/00043

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van
26 november 2013, nummers AWB 13/4423 en AWB 13/4424, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2], over het tijdvak 21 februari 2013 respectievelijk 21 maart 2013 een tweetal naheffingsaanslagen krachtens de Wet belasting zware motorvoertuigen (hierna: de Wet BZM) opgelegd ten bedrage van telkens € 8 aan belasting, alsmede bij beschikking een verzuimboete van telkens € 246. De naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur, gedagtekend 16 augustus 2013 respectievelijk 20 augustus 2013, gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318.

De Rechtbank heeft de beroepen bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 478. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 januari 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer [A].
Belanghebbende is niet verschenen, waarvan zij vóór de zitting het Hof kennis heeft gegeven.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en hetgeen door de Inspecteur ter zitting geloofwaardig heeft verklaard, zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende exploiteert een laanbomenkwekerij en gebruikt in dat kader een vrachtauto (trekker) met kenteken [kenteken] (hierna: de vrachtauto). Belanghebbende is houder van de vrachtauto. De vrachtauto is uitgerust met een kraan, die wordt gebruikt bij het planten van laanbomen met een gewicht tussen 100 en 500 kg per stuk. Met de kraan wordt de boom in het plantgat gezet en op zijn plaats gehouden, waarna het gat gedicht wordt en palen ter ondersteuning van de boom geplaatst worden.

2.2.

De vrachtauto wordt tevens gebruikt voor het vervoeren van de bomen naar de plaats, waar de bomen worden geplant. Daartoe is de vrachtauto (de trekker) uitgerust met een schotel, bedoeld om een oplegger aan te koppelen. De toegestane maximum massa van de vrachtauto is 50.000 kg.

2.3.

Op 21 februari 2013 en 21 maart 2013 (hierna ook: de controledata) heeft belanghebbende met de vrachtauto gebruik gemaakt van de autosnelweg. Tot de stukken van het geding behoren onder meer de foto’s, gemaakt van de vrachtauto op de controledata en op 22 februari 2013, waarop te zien is, dat de vrachtauto op dat moment uitgerust is met de oplegger met het logo van belanghebbende. Omdat is vastgesteld, dat het weggebruik plaatsvond zonder dat vooraf op aangifte de BZM was voldaan, zijn de onderhavige naheffingsaanslagen met verzuimboeten opgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen met boeten terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.


Voor hetgeen hieraan door de Inspecteur ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen en de bijbehorende boetebeschikkingen.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De BZM wordt geheven van vrachtauto’s met een toegestane maximum massa van 12.000 kg of meer, die uitsluitend zijn bestemd voor goederenvervoer over de weg en die daarbij gebruik maken van de autosnelweg. Het tarief voor één dag bedraagt € 8.

4.2.

Belanghebbende stelt dat de vrachtauto niet uitsluitend bestemd is voor goederenvervoer, omdat de vrachtauto over een kraan beschikt, waarmee met de vrachtauto, naast een vervoerfunctie, ook een kraanfunctie wordt uitgeoefend. Volgens belanghebbende is de vrachtauto in hoofdzaak dienstbaar aan het planten van bomen en vindt het vervoer plaats uitsluitend ten dienste van het plantproces.

4.3.

De Rechtbank heeft overwogen:


“(…) 2.4. In zijn arrest van 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0249 (Hof: BNB 2010/128) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“3.3.1. Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt ter zake van het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig een belasting geheven onder de naam 'belasting zware motorrijtuigen'. In artikel 3, letter a, van de Wet wordt omschreven wat onder een zwaar motorrijtuig in de zin van de Wet moet worden verstaan. Eén van de in die omschrijving vermelde kenmerken is dat het motorrijtuig uitsluitend is bestemd voor goederenvervoer over de weg. De Wet dient ter uitvoering van de Richtlijn (Hof: Richtlijn 1999/62/EG van de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, Pb. 1999, L 187), die in artikel 2, letter d, de voertuigen omschrijft waarop de Richtlijn ziet, en wel - voor zover in dit geval van belang - als voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor het goederenvervoer over de weg. Op grond van dit een en ander dient artikel 3, letter a, van de Wet in zoverre uitgelegd te worden overeenkomstig de richtlijnbepaling.

3.3.2.

In het hiervoor in 3.2.1 vermelde arrest Pfennigmann (Hof: het arrest van het HvJ EG van 28 oktober 1999, C-193/98 Jurispr. Blz. I-7747) heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten over het begrip ‘uitsluitend bestemd voor goederenvervoer’ in Richtlijn 93/89/EEG, Pb. 1993, L 279. Uit punt 32 van dit arrest moet worden opgemaakt dat deze richtlijn het oog heeft op voertuigen die, gelet op hun kenmerkende eigenschappen, bestemd zijn om regelmatig en duurzaam, en niet slechts af en toe, aan de mededinging op het gebied van het vervoer deel te nemen. Buiten redelijke twijfel is dat artikel 3, letter a, van de Richtlijn (Hof: 1999/62/EG) in zoverre op dezelfde wijze moet worden uitgelegd (…).”

2.5.

Gelet op de kenmerkende eigenschappen die uit de foto’s van de vrachtauto blijken, is de rechtbank van oordeel dat deze is bestemd om regelmatig en duurzaam deel te nemen aan de mededinging op het gebied van het goederenvervoer. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat de vrachtauto beschikt over een kraan en het vervoer plaatsvindt ten dienste van het uitoefenen van de kraanfunctie c.q. de normale bedrijfsactiviteiten van belanghebbende. Het feitelijke gebruik van de vrachtauto is in deze namelijk niet beslissend, maar de wijze waarop het motorrijtuig is gebouwd en ingericht. De aanwezigheid van de kraan is niet van die aard dat dit de algemene bestemming wegneemt, te weten het vervoeren van goederen over de weg. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

(…)”

4.4.

Belanghebbende stelt in hoger beroep, dat de vrachtauto weliswaar, naast een hijsfunctie, in samenstelling met een oplegger ook een vervoersfunctie kent, doch dat door deze dubbelfunctie de vrachtauto juist niet “uitsluitend” bestemd is voor het goederenvervoer over de weg zoals de Wet BZM, in overeenstemming met de Richtlijn, bepaalt.

4.5.

De Inspecteur stelt daarentegen, dat niet relevant is of er naast de goederenvervoerfunctie ook nog sprake is van een nevenfunctie, zoals in dit geval het planten van bomen. Hij stelt zich op het standpunt dat de vrachtauto, gelet op de tot de gedingstukken behorende foto’s, bestemd is om regelmatig en duurzaam gebruikt te worden voor het goederenvervoer en derhalve aan de BZM is onderworpen indien ermee gebruik van de snelweg wordt gemaakt.

4.6.

Het Hof stelt voorop dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, aangehaald in de uitspraak van de Rechtbank (BNB 2010/128), het begrip “uitsluitend bestemd voor goederenvervoer” uitgelegd dient te worden aan de hand van de kenmerkende eigenschappen van de vrachtauto en niet, zoals belanghebbende kennelijk voorstaat, aan de hand van het specifiek gebruik van de vrachtauto door belanghebbende. Het Hof stelt aan de hand van de foto’s, die tot de gedingstukken behoren (zie 2.3), vast dat de vrachtauto uitgerust is met een hijskraan, die niet significant groter of zwaarder is dan kranen, die in het algemeen gebruikt worden bij het laden en lossen van zware goederen. Een soortgelijke trekker kan, naar het oordeel van het Hof, ook door andere ondernemingen dan die van belanghebbende worden gebruikt voor het vervoer van goederen, waarbij de kraan behulpzaam is bij het laden en lossen. Dat belanghebbende daarnaast de vrachtauto ook kan gebruiken bij het planten van de bomen uit haar kwekerij, doet daaraan niet af. Daarbij komt nog, dat op de trekker een schotel aanwezig is om een oplegger aan de trekker te koppelen, waardoor de vrachtauto ook door andersoortige ondernemingen dan die van belanghebbende kan worden gebruikt. Met andere woorden, de vrachtauto is geschikt voor meerdere toepassingen. Niet het specifieke gebruik van de vrachtauto door belanghebbende is doorslaggevend bij de vaststelling van de belastingplicht krachtens de Wet BZM, doch de algemene bestemming van de vrachtauto. Deze algemene bestemming wordt niet bepaald door het gebruik van de vrachtauto door belanghebbende, doch door de algemene geschiktheid van de vrachtauto. En die algemene geschiktheid is, zo stelt het Hof aan de hand van de foto’s vast, de goederenvervoersfunctie (hoofdfunctie) en niet de hijsfunctie (een nevenfunctie). Pas als deze hijsfunctie – anders dan hier het geval is – doorslaggevend zou zijn, zou die functie als de hoofdfunctie kunnen worden aangemerkt. Daar is evenwel, gelet op de vaststaande feiten, hier geen sprake van.
Het oordeel van de Rechtbank is derhalve juist.

4.7.

Met betrekking tot de boete overweegt het Hof als volgt. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof beaamd, dat er “grijze gebieden” zijn, dat voor dit specifieke soort vrachtauto’s nog geen jurisprudentie gewezen is (het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2009, nr. 08/03273, BNB 2010/128, behandelde een ander geval (een lijnrijder)) en dat er geen beleid ter zake van vrachtauto’s met kraan geformuleerd is. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur als voorbeeld van een vrachtauto, die niet met de BZM wordt belast, gegeven de betonmortelauto, terwijl volgens de beleidsregels van het Ministerie van Financiën, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort, dit soort auto juist wél onderworpen is aan de BZM. Ook bij de Inspecteur bestaat derhalve onduidelijkheid over de uitleg van de onderhavige wettelijke bepaling in een specifiek geval. Gelet op dit een en ander is het Hof, anders dan de Rechtbank, van oordeel, dat belanghebbende een pleitbaar standpunt heeft ingenomen en dat de boete dient te vervallen. Dat belanghebbende vooraf de Inspecteur had kunnen vragen om zijn standpunt, doet daaraan niet af.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor wat de boete betreft. De uitspraak van de Rechtbank dient in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigen en de boetebeschikking vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank

en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 318 respectievelijk € 478 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Belanghebbende heeft namelijk niet gesteld, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • -

    handhaaft de naheffingsaanslagen;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen; en

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 796 vergoedt.

Aldus gedaan op 5 maart 2015 door J. Swinkels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.