Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:634

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
200.163.948
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing van wrakingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek

Registratienummer: 200.163.948

Datum uitspraak: 20 februari 2015

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met klachtnummer K14/0525 van:

[verzoeker]

en

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: “de verzoekers”,

strekkende tot wraking van mrs. M. van Zinnen, R.M. Peters en H. Harmsen, raadsheren in de afdeling strafrecht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1 Het procesverloop

Het wrakingsverzoek is ingediend naar aanleiding van de behandeling van het klaagschrift ex artikel 12 Sv van verzoekers op 20 januari 2015.

De verzoekers hebben bij brief van 21 januari 2015 de wraking verzocht van de raadsheren die deel uitmaken van de beklagkamer.

Mr. Van Zinnen heeft mede namens mrs. Peters en Harmsen bij brief van 28 januari 2015 op het wrakingsverzoek gereageerd. De gewraakte raadsheren hebben niet in de wraking berust.

De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek behandeld op 13 februari 2015, in

aanwezigheid van de verzoekers.

Bij die gelegenheid hebben de verzoekers het wrakingsverzoek nog nader toegelicht, mede aan de hand van schriftelijke pleitaantekeningen.

Advocaat-generaal mr. A.W.A. Willemsen heeft schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het

wrakingsverzoek.

2 De beoordeling

2.1.

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan wraking van een bepaalde rechter worden verzocht op grond van feiten of omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2.

Bij de beoordeling van het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangpunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.3.

De verzoekers stellen zich op het standpunt dat de beklagkamer, door de wijze waarop de behandeling van hun klaagschrift ex artikel 12 Sv heeft plaatsgevonden, blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens hen, of in ieder geval de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

Hun bezwaren richten zich met name tegen de voorzitter mr. Van Zinnen en tegen de jongste raadsheer, mr. Harmsen, maar omdat de voorzitter optrad namens de hele beklagkamer is het wrakingsverzoek mede gericht tegen de oudste raadsheer, mr. Peters.

2.4.

De verzoekers hebben de volgende bezwaren aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:

a. a) de voorzitter heeft desgevraagd geweigerd de namen van de leden van de beklagkamer te noemen;

b) tijdens de mondelinge behandeling vond fluisterend overleg plaats tussen mr. Van Zinnen en

mr. Harmsen;

c) mr. Harmsen kondigde een denigrerende opmerking richting verzoekers aan met de woorden: “ik

zal me inhouden”;

d) door verzoekers nagezonden stukken die volgens verzoekers van belang zijn voor de beoordeling

van het klaagschrift zijn door de beklagkamer terzijde geschoven.

Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek is hieraan nog toegevoegd:

e) in eerste instantie werd het verzoekers niet toegestaan hun pleitnota voor te dragen.

2.5.

Met betrekking tot de bezwaren vermeld onder a), b), c) en e) overweegt de wrakingskamer dat die bezwaren neerkomen op klachten over de bejegening door (leden van) de beklagkamer. Aan de wrakingskamer komt echter geen oordeel toe over de vraag of verzoekers al dan niet correct zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling van hun klaagschrift. Weliswaar kan onder omstandigheden een door een justitiabele ervaren onjuiste bejegening door een rechter een aanwijzing opleveren dat sprake is van (een objectief gerechtvaardigde vrees van) vooringenomenheid jegens die justitiabele, maar naar het oordeel van de wrakingskamer is niet gebleken dat in de onderhavige zaak van dergelijke omstandigheden sprake is.

Van belang in dit verband is dat volgens de beklagkamer eerst bij het eind van de mondelinge behandeling is gevraagd naar de namen van de leden van de beklagkamer waarbij de voorzitter vervolgens verzoekers heeft verwezen naar de aanwezige deurwaarder; van een poging tot anonimiteit is volgens de beklagkamer geen sprake geweest.

De wrakingskamer is van oordeel dat het tijdens de behandeling niet noemen van de namen van de behandelende raadsheren ter terechtzitting, gegeven het feit dat deze steeds zijn te verkrijgen en de voorzitter daar ook op heeft gewezen, de gevolgtrekking van verzoekers dat de voorzitter anonimiteit zou hebben beoogd, geheel niet kan dragen.

Omtrent de opmerking van mr. Harmsen inhoudende “ik zal me inhouden” is in de reactie van de beklagkamer vermeld dat die opmerking is gemaakt in het kader van het beëindigen van een wisseling van vraag en antwoord tussen mr. Harmsen en [verzoeker] omtrent het verschil tussen vervalsen en valselijk opmaken.

Naar het oordeel van de wrakingskamer kan, in het licht van het voorgaande, de hiervoor bedoelde opmerking van mr. Harmsen redelijkerwijs niet worden gezien als een blijk van vooringenomenheid jegens verzoekers.

Dit laatste geldt evenzeer voor het fluisterend overleg tussen mr. Van Zinnen en mr. Harmsen en ten aanzien van het aanvankelijk niet toestaan van het voordragen van een pleitnota. Met betrekking tot dit laatste punt is van belang dat uit het verloop van de zitting, blijkend uit het opgemaakte proces-verbaal, niet kan worden afgeleid dat verzoekers onvoldoende in de gelegenheid zijn geweest om hun standpunt toe te lichten. Zij stellen dat ook niet. Van belang is ook nog dat het verzoekers uiteindelijk wel is toegestaan hun pleitnota voor te dragen.

2.6.

Het bezwaar, hiervoor vermeld in overweging 2.4 onder d) betreft de omstandigheid dat – in de visie van verzoekers – door de beklagkamer ten onrechte nagezonden stukken terzijde zouden zijn geschoven.

De beklagkamer heeft in haar schriftelijke reactie op dit punt aangevoerd dat de beklagkamer kennis heeft genomen van alle stukken, ook van de nagezonden stukken, en dat tijdens de mondelinge behandeling verzoekers slechts is gewezen op de mogelijkheden en onmogelijkheden die de artikel 12 Sv-procedure biedt.

In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is op dit punt het volgende vermeld (als mededeling van de voorzitter):

Ik houd u voor dat kwesties die niet in uw aangifte van 18 juli 2013 en de brief van

diezelfde datum, zoals eerder genoemd, staan vermeld, dan wel naderhand zijn

voorgevallen, buiten het bestek van deze klachtzaak vallen. Uw klaagschrift ziet op

de sepotbeslissing die naar aanleiding van de aangifte van 18 juli 2013 is genomen.

Tegen dat sepot bent u middels uw klaagschrift opgekomen. De aangifte van

18 juli 2013 is het kader voor de behandeling van uw klacht heden en zomede voor

de beslissing die het hof naar aanleiding daarvan zal geven. Daardoor valt een aantal

nieuwe kwesties die u (onder meer) in uw brief van 12 januari 2015 —die door het

hof in goede orde is ontvangen —- aan de orde stelt buiten eerdergenoemd kader. Op

die kwesties is niet de eerder genoemde sepotbeslissing genomen en derhalve vallen

die nieuwe kwesties niet binnen het kader van het klaagschrift ten aanzien van uw

aangifte van 18 juli 2013. Dit is de systematiek bij de behandeling van klachten als

bedoeld in artikel 12 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het volledige dossier en dus ook

van die brief van 12 januari 2015; deze is aan het dossier toegevoegd.

In het licht van het voorgaande kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van het “terzijde schuiven” van stukken zoals verzoekers stellen.

2.7.

De conclusie is dat geen van de door verzoekers genoemde feiten en omstandigheden, ook niet in onderling verband en samenhang bezien, kunnen leiden tot de conclusie dat in de onderhavige zaak sprake is van vooringenomenheid van (leden van) de beklagkamer dan wel van feiten of omstandigheden die de dienaangaande bij verzoekers bestaande vrees van vooringenomenheid objectief zouden kunnen rechtvaardigen.

2.8.

Het voorgaande betekent dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.

B E S L I S S I N G

De wrakingskamer:

Wijst het verzoek tot wraking af.

Bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoekers, de advocaat-generaal en de raadsheren mrs. M. van Zinnen, R.M. Peters en H. Harmsen.

Aldus gedaan in raadkamer door

mr. N.J.M. van Etten, voorzitter,

mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en mr. N. Ruyters,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.

mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.