Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:630

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
F 200.148.904_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 februari 2015

Zaaknummer: F 200.148.904/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/184998 / FA RK 13-2286

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. D.J.B. Loo

tegen

[de vrouw] en [kind 1],

beiden wonend te [woonplaats],

verweerders,

hierna te noemen: respectievelijk de vrouw en [kind 1],

advocaat: mr. M.J.M. van Vugt.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 februari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 mei 2014, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking, voor zover het betreft de alimentatie, de ingangsdatum en de vermeerdering van het alimentatiebedrag met iedere uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarige kinderen kan of zal worden verleend, te vernietigen als zijnde ongegrond, althans onbewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking van het hof, althans met ingang van de datum die het hof juist acht, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen dient te voldoen ter hoogte van in totaal € 50,- netto per maand, dan wel ter hoogte van het bedrag dat het hof juist acht. Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 juli 2014, heeft de vrouw verzocht het beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten en niet te vernietigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Bij die gelegenheid is gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Vugt en mevrouw S. van de Wijdeven als tolk.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van rechtbank Limburg, met de mededeling dat er geen zitting heeft plaatsgevonden in eerste aanleg en er dus geen proces-verbaal is;

  • -

    het V-formulier van de eerdere advocaat van de man, mr. D.J.B. Loo, d.d. 2 juni 2014;

  • -

    het V-formulier d.d. 4 juli 2014 met brief met bijlagen van mr. Loo;

  • -

    het V-formulier van mr. Loo d.d. 2 oktober 2014, waarin deze zich aan de zaak onttrekt;

  • -

    het V-formulier met brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 7 januari 2015;

  • -

    het V-formulier d.d. 19 januari 2015 van de advocaat van de vrouw met brief met bijgevoegd een machtiging van [kind 1] aan de vrouw en mr. Van Vugt om zijn belangen ter zitting van het hof te behartigen en een verklaring dat hij instemt met de inhoud van het verweerschrift.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit die relatie zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

- [kind 2] (hierna: [kind 2]), op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

- [kind 3] (hierna: [kind 3]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats].

De man heeft de kinderen erkend. De kinderen wonen bij de vrouw.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van 11 februari 2014 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] aan de vrouw zal hebben te betalen een bedrag van € 104,- per kind per maand, telkens vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend.

3.3.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ingangsdatum

3.4.

De man kan zich niet vinden in de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 11 februari 2014. Hij voert aan dat hij niet op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg. Hij heeft het verzoekschrift van de vrouw in eerste aanleg niet ontvangen. Van hem kan daarom niet worden verwacht dat hij vanaf 11 februari 2014 bedragen heeft gereserveerd om alimentatie te voldoen. Daarbij komt dat de man een dergelijk laag inkomen heeft dat hij onmogelijk geld had kunnen reserveren. Als de ingangsdatum van 11 februari 2014 in stand blijft zal de man, die al in een uiterst precaire financiële situatie verkeert, er financieel aan onderdoor gaan.

3.5.

De vrouw pleit voor handhaving van de ingangsdatum van 11 februari 2014. Zij voert aan dat niet aannemelijk is dat de man niet op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg en, voor zover het wel zo is dat de man niet op de hoogte was, dit voor rekening en risico komt van de man. Het verzoekschrift in eerste aanleg is zowel per aangetekende post als ook, omdat de man de aangetekende post niet heeft opgehaald, per gewone post aan de man verzonden.

3.6.

Het hof zal, evenals de rechtbank, 11 februari 2014 als ingangsdatum hanteren. Het hof overweegt daartoe dat het, daargelaten of de man zoals hij zelf stelt niet op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg, dit voor zijn rekening en risico komt, nu het hof – mede gezien het betoog van de vrouw – geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de man niet op juiste wijze in kennis is gesteld van de procedure in eerste aanleg. Ook hetgeen de man overigens heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding de ingangsdatum op een latere datum te bepalen.

Behoefte kinderen

3.7.

De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de behoefte van de kinderen vast te stellen, althans te toetsen. De vrouw heeft gesteld dat de behoefte € 314,- per maand bedraagt, hetgeen de rechtbank op 2 euro na heeft overgenomen. De man merkt op dat hij ter zitting van het hof nader in wenst te gaan op dit aspect. Thans is hij (nog) niet in de mogelijkheid geweest hierover een inhoudelijk standpunt in te nemen, althans de man in zijn beroepschrift.

3.8.

De vrouw voert aan dat de man geen grief heeft gericht tegen de hoogte van de behoefte, zodat deze in rechte vaststaat.

3.9.

Het hof overweegt dat de man enkel heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de behoefte van de kinderen vast te stellen, althans te toetsen. De man geeft niet aan wat volgens hem de behoefte zou moeten zijn. Hij heeft nagelaten hier na zijn beroepschrift nog een standpunt over in te nemen, zoals hij wel had aangekondigd. Het hof ziet in het – niet nader onderbouwde – betoog van de man geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefte van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof gaat er dan ook, evenals de rechtbank, van uit dat [kind 1], [kind 2] en [kind 3] behoefte hebben aan een bijdrage van in elk geval € 104,- per kind per maand.

Het hof overweegt hierbij nog dat de vrouw ter zitting bij het hof te kennen heeft gegeven dat zij met ingang van 1 januari 2015 niet in aanmerking komt voor een verhoging van het kindgebonden budget (de zogenoemde ouderkop). Zij komt naar eigen zeggen, evenals in 2014, niet in aanmerking voor kindgebonden budget, gezien de bedragen die zij ten behoeve van de kinderen van de Belgische overheid ontvangt. De man heeft zulks niet betwist. Hij merkt in zijn beroepschrift op dat, mochten deze bedragen op enig moment komen te vervallen, de vrouw vanuit de Nederlandse overheid kinderbijslag, kindgebonden budget en wellicht ook kinderopvangtoeslag kan ontvangen.

Draagkracht man

3.10.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft voor een bijdrage voor de kinderen, althans dat zijn draagkracht maximaal € 50,- totaal bedraagt. Hij merkt op dat hij sinds januari 2012 een Belgische uitkering ontvangt van ongeveer € 32,- netto per dag, waarmee hij een gemiddeld netto inkomen heeft van € 800,- per maand, hetgeen minder bedraagt dan de bijstandsnorm van € 1.250,- per maand. Na betaling van de huur van € 400,- per maand resteert slechts een minimaal bedrag waar de man van moet rondkomen.

Voor zover de man al draagkracht heeft, moet deze verdeeld worden over vijf kinderen, aldus de man verder. Hij wijst erop dat hij ook nog twee kinderen heeft uit een andere relatie, een tweeling, [kind 4] en [kind 5], geboren op [geboortedatum] 2008 te Angola, welke kinderen bij de moeder in Angola wonen.

3.11.

De vrouw voert aan dat de man over voldoende draagkracht beschikt om de vastgestelde bijdrage te voldoen dan wel dat hij een zodanige verdiencapaciteit heeft dat hij in staat moet worden geacht een zodanig inkomen te verwerven dat hij voldoende draagkracht heeft de vastgestelde bijdrage te voldoen. De vrouw merkt op dat de man ter onderbouwing van zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft slechts twee uitkeringsspecificaties heeft overgelegd, waarbij opvalt dat de man in 2013 een hoger inkomen genoot dan in 2014 en enige verklaring daarvoor ontbreekt. Dat de man een werkloosheidsuitkering ontvangt betekent verder dat de man op enig moment inkomen uit arbeid had. Beoordeeld zal moeten worden of de beëindiging van het dienstverband dat de man had hem verweten kan worden. Voor zover hem dit niet verweten kan worden, dient voor de bepaling van de draagkracht ook rekening te worden gehouden met het inkomen dat de man redelijkerwijs in de nabije toekomst kan en dient te verwerven. De man zal meer stukken dienen te overleggen om duidelijkheid te verschaffen over een en ander.

3.12.

Het hof ziet in het betoog van de man en de daarbij overgelegde stukken geen aanleiding voor het oordeel dat de draagkracht van de man onvoldoende is om de in de bestreden beschikking vastgelegde bijdrage te voldoen. Het hof overweegt in dit verband dat het hof geen acht slaat op de door de man bij zijn beroepschrift overgelegde stukken ter bepaling van zijn draagkracht, nu deze stukken in het Frans zijn opgesteld en er niet, conform het procesreglement, een vertaling van deze stukken is overgelegd, met dien verstande dat het hof uit de bij het beroepschrift als productie 3 overgelegde bescheiden begrijpt dat de man in 2014 tot en met maart een uitkering heeft ontvangen van zo’n € 830,- per maand. Onduidelijk is in hoeverre dit het totaal van de door de man genoten inkomsten betreft. Van zijn inkomen nadien ontbreekt elk gegeven. De door de man nader overgelegde stukken betreffen een jaaropgaaf van 2003 en een jaaropgaaf van 2005 en zijn niet relevant voor de beoordeling van de draagkracht in 2014. De man stelt het hof door geen, althans volstrekt onvoldoende inzicht te geven in zijn financiële situatie, niet in staat zijn draagkracht te beoordelen hetgeen geheel voor zijn rekening en risico komt.

Het hof komt nu de draagkracht van de man niet kan worden vastgesteld niet meer toe aan het betoog van de man dat zijn draagkracht over vijf kinderen dient te worden verdeeld. Ten overvloede overweegt het hof hieromtrent nog op dat enige onderbouwing van de stelling van de man dat hij nog twee kinderen heeft, ook ontbreekt.

Draagkracht vrouw

3.13.

De man stelt dat de vrouw voldoende draagkracht heeft voor een bijdrage ten behoeve van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] en deze draagkracht mede bepalend is voor de door de man te leveren bijdrage. Voor het geval het hof van oordeel is dat de vrouw toch onvoldoende draagkracht heeft voor een bijdrage, betekent zulks niet dat de volledige behoefte van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] op de man kan worden afgewenteld.

3.14.

De vrouw voert in haar beroepschrift, onder verwijzing naar de stukken, aan dat zij een aanvullende bijstandsuitkering heeft. Daarmee staat vast dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man ten behoeve van de kinderen. Ter zitting bij het hof heeft de vrouw desgevraagd een toelichting gegeven op haar financiële situatie.

3.15.

Het hof is gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een inkomen heeft rond bijstandsniveau, zodat zij geen bijdrage kan leveren in de kosten van de kinderen. Het betoog van de man dat mocht het hof van oordeel zijn dat de vrouw over onvoldoende draagkracht beschikt, zulks niet betekent dat de volledige behoefte van de kinderen op de man kan worden afgewenteld, strandt op het gegeven dat de man het hof niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn draagkracht vast te stellen, zodat het hof het ervoor houdt dat de van de man kan worden gevergd dat hij tot het gevorderde en door de rechtbank toegewezen bedrag van €104,-- per kind per maand in de behoefte van de kinderen voorziet.

Vermeerdering bijdrage man

3.16.

De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn bijdrage in de kosten van de kinderen vermeerderd dient te worden met het bedrag van iedere uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend. Hij merkt op dat hij zich hierin enkel kan vinden indien de rechtbank heeft bedoeld te zeggen dat hij aan de vrouw dient te betalen hetgeen hem in dat kader kan of zal worden verleend, maar niet voor zover het betreft de bedragen die de vrouw in dat kader kunnen of zullen worden verleend. De man merkt verder op dat de rechtbank door dit te bepalen de grenzen van de rechtsstrijd te buiten is gegaan, nu de vrouw enkel heeft verzocht om een bijdrage van € 104,- per kind per maand. De vrouw heeft ook geen enkel belang bij deze bepaling, nu zij de uitkeringen die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kunnen worden verleend, ontvangt, dan wel de vrouw zich zelf tot de betreffende instanties kan wenden teneinde deze uitkeringen te ontvangen.

3.17.

De vrouw betwist dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De strekking van de bepaling is inderdaad dat de bijdrage enkel wordt vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend aan de man.

3.18.

Het hof overweegt met de vrouw dat de strekking van de bepaling dat de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen dient te worden vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend, is dat het hierbij enkel gaat om bedragen die ten behoeve van de kinderen aan de man kunnen of zullen worden verleend. Het hof overweegt voorts dat het uiteraard zo dient te zijn dat in het geval aan de man bedragen kunnen of worden verleend ten behoeve van de kinderen deze bedragen voor de kinderen moeten worden aangewend, zodat de rechtbank niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Ook hetgeen de man overigens heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft kunnen bepalen dat de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen dient te worden vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die krachtens geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend.

Conclusie

3.19.

Gezien het bovenstaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 februari 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J.M Mertens-Steeghs, mr. C.D.M. Lamers en mr. M.A. Ossentjuk en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2015.