Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:625

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
13-00049
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4248, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 67c AWR. Passende en geboden verzuimboete. Belanghebbende schorst eind 2010 in verband met zijn werkloosheid het kenteken om geen motorrijtuigenbelasting te hoeven te voldoen. Voor het einde van de schorsing ontvangt belanghebbende een brief van de RDW met de mededeling, dat de schorsing binnenkort afloopt. In verband met de afweging of hij de schorsing wil verlengen maakt belanghebbende op 10 november 2011 een testrit met de auto om te zien of de auto van twintig jaar oud nog goed functioneert. Dit gebruik van de weg wordt geconstateerd en de Inspecteur heft motorrijtuigenbelasting na over 12 maanden. Anders dan belanghebbende stelt is voor de naheffingsaanslag niet van belang dat hij maar 1 dag heeft gereden (HR 25 oktober 2013, nr. 11/04730, ECLI:NL:HR:2013:973). Voor de verzuimboete acht het Hof echter ten gunste van belanghebbende wel van belang dat belanghebbende gedurende de schorsingsperiode maar 1 dag van de weg gebruik heeft gemaakt. Het Hof overweegt dat bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden met:

- de omstandigheden inzake de ernst van de overtreding,

- de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten,

- de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en

- de omstandigheden waarin de overtreder verkeert op het moment van de beslissing door de belastingrechter (HR 28 maart 2014, 13/00279, ECLI:NL:HR:2014:685).

In de door belanghebbende aangevoerde financiële omstandigheden ziet het Hof geen reden tot matiging: belanghebbende heeft een flinke overwaarde op zijn eigen woning. De omstandigheid, dat belanghebbende gedurende de schorsingsperiode niet meer dan 1 dag heeft gereden, dat belanghebbende geloofwaardig spijt heeft betuigd en inziet dat hij een fout heeft begaan, dat hij alleen maar beoogde een testrit te maken geven het Hof aanleiding de boete te matigen van € 1.055 tot € 250.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/607
V-N 2015/25.19.26
FutD 2015-0749
NTFR 2015/1425 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00049

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 december 2012, nummer AWB 12/3238, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] over de periode 16 december 2010 tot en met 15 december 2011 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.055. Tevens is bij beschikking een boete ten bedrage van € 1.055 opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij één uitspraak de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 januari 2015 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [A].

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is vanaf 12 mei 1998 houder van het motorrijtuig met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De datum van het kentekenbewijs deel I is 16 september 1992. Vanaf 8 december 2010 was het kenteken geschorst in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

2.2.

Blijkens een controle op de [a-straat] te [plaats] is op 10 november 2011 om 11.55 uur met de auto gebruik gemaakt van de weg. Omdat het kenteken van de auto op dat moment geschorst was, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode 16 december 2010 tot en met 15 december 2011. Tevens is een boete opgelegd van 100%. De naheffingsaanslag bedraagt, evenals de boete, € 1.055.

2.3.

Tijdens de periode van schorsing is, behalve op 10 november 2011, met de auto geen gebruik gemaakt van de weg, hetgeen mede blijkt uit de overgelegde facturen van de garage met kilometerstanden

2.4.

Bij brief van 6 november 2011 heeft de RDW belanghebbende, voor zover hier van belang, als volgt geïnformeerd:

“Geachte heer/mevrouw,

Uit de kentekenregistratie blijkt dat de schorsing van het (de) hierna vermelde kenteken(s) over enkele weken afloopt (zie datum op het Tenaamstellingsbewijs* (deel I B) bij de tekst “Geschorst tot en met”). Onderneemt u geen actie, dan bent u vanaf dan weer aansprakelijk voor de voertuigverplichtingen (motorrijtuigenbelasting, verzekering en APK). De schorsing wordt niet automatisch verlengd.

Het gaat om het (de) volgende kenteken(s):

[kenteken]

(…)”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is de vraag of terecht en tot het juiste bedrag een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is opgelegd en zo ja, of terecht en tot de juiste hoogte een boete is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft belanghebbende hieraan het volgende toegevoegd:

  • -

    Het was voor de eerste keer dat ik een schorsing had aangevraagd. Ik heb mij niet gerealiseerd dat de consequenties bij het maken van een testrit zo zwaar zouden zijn. Naar aanleiding van de brief van de RDW heb ik besloten de schorsing af te laten lopen. Ik moest dan wel weten of de auto nog goed functioneerde. Geheel onbewust heb ik toen een testrit met de auto gemaakt. Achteraf bezien is dat heel dom geweest; ik had achteraf bezien beter kunnen weten door naar het kentekenbewijs te kijken . Het doel van de schorsing was juist om kosten te besparen, gelet op mijn werkloosheid en slechte financiële situatie. Door de domme fout word ik geconfronteerd met de naheffing en dan ook nog eens zo’n hoge boete.

  • -

    Ik ben van mening dat de RDW de brief duidelijker had moeten formuleren. Ik had geen ervaring met schorsing en was niet goed op de hoogte van de consequenties. Het zou duidelijker zijn als in de aan mij gerichte brief ook de concrete datum van het einde van de schorsing zou worden vermeld. Ook verdient het aanbeveling een waarschuwing op te nemen dat tot de betreffende datum met de auto geen gebruik van de weg mag worden gemaakt, met vermelding van de consequenties ingeval iemand dat wél doet.

  • -

    Met betrekking tot mijn financiële omstandigheden: ik ben nog steeds werkloos; ik heb geen inkomen; ik leef van mijn reserves; ik kan op dit moment nog drie maanden vooruit; ik heb een eigen woning; deze staat reeds lange tijd te koop voor € 550.000, ik zal de vraagprijs moeten verlagen om deze te verkopen; mijn hypothecaire lening bedraagt € 300.000; verder heb ik geen schulden; over twee jaar gaat mijn prepensioen in; dat betreft ongeveer € 35.000 bruto per jaar.

De Inspecteur heeft ter zitting geen nieuwe argumenten aangedragen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken van de Inspecteur, van de naheffingsaanslag en van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

De naheffingsaanslag

4.1.

Op grond van artikel 1, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (tekst 2011; hierna: de Wet) is ter zake van het houden van een personenauto motorrijtuigenbelasting verschuldigd.

4.2.

Artikel 19, lid 1, van de Wet bepaalt dat voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is afgegeven, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, de belasting niet wordt geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Op grond van het in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW opgenomen eerste lid van artikel 67 wordt, op verzoek van de eigenaar of houder van het voertuig, de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt.

4.3.

Vanaf 8 december 2010 is op aanvraag van belanghebbende de geldigheid van het voor de auto afgegeven kentekenbewijs geschorst. Op grond daarvan was belanghebbende geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd.

4.4.

Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als genoemd onder 4.2 kan de belasting, ingevolge artikel 35, lid 1, van de Wet worden nageheven. Niet in geschil is dat op 10 november 2011 is geconstateerd dat met de auto van de openbare weg is gebruik gemaakt en dat dit een omstandigheid als bedoeld in artikel 35, lid 1, van de Wet oplevert.

4.5.

Ingevolge artikel 35, lid 2, van de Wet wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd.

4.6.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2013, nr. 11/04730, ECLI:NL:HR:2013:973, als volgt geoordeeld:

“3.3.3. De bevoegdheid van de inspecteur om in een voorkomend geval motorrijtuigenbelasting na te heffen, berust op artikel 20 van de AWR. Voor een aantal specifieke situaties kent de Wet een (deels) van artikel 20 van de AWR afwijkende regeling. Een van die situaties betreft die welke is omschreven in artikel 35, lid 1, van de Wet. De afwijking in die situatie van het bepaalde in artikel 20 van de AWR bestaat hierin dat de mogelijkheid van naheffen is gekoppeld aan een anders geformuleerde omstandigheid dan het niet betaald zijn van de in een of meer bepaalde tijdvakken verschuldigde belasting, te weten de omstandigheid dat wordt geconstateerd dat met een motorrijtuig gebruik is gemaakt van de weg tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW. Artikel 35, lid 2, van de Wet bevat een bijzondere regel voor de berekening van de na te heffen belasting die in essentie hierop neerkomt dat de naheffingsaanslag wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het tot naheffing aanleiding gevende feit (het gebruik van de weg) is geconstateerd. Een vergelijkbare afwijking van artikel 20 van de AWR kwam voor in artikel 16 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet (Kamerstukken II 1965/66, 8445, nr. 3, blz. 7) is af te leiden dat de strekking van deze afwijking was een praktische regeling te treffen voor de bewijsmoeilijkheden waarvoor de inspecteur zich ziet gesteld indien hij wil naheffen in situaties waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald, zonder dat kan worden vastgesteld sinds wanneer dat het geval is (vgl. HR 5 oktober 2001, nr. 35493, ECLI:NL:HR:2001:AD4060, BNB 2001/420, en HR 26 november 2010, nr. 09/00749, ECLI:NL:HR:2010:BL6471, BNB 2011/53). Aangenomen moet worden dat – zoals het Hof in 4.10 van zijn uitspraak heeft overwogen - dit ook de strekking is van de thans geldende, in artikel 35 van de Wet opgenomen afwijking van artikel 20 van de AWR.

3.3.4.

Het hiervoor in 3.3.3 overwogene brengt mee dat – anders dan waarvan het Hof in de eerste plaats is uitgegaan - artikel 35, lid 2, van de Wet niet is gestoeld op de fictie dat gedurende de desbetreffende drie tijdvakken met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de weg en vanwege dat belastbare feit over alle vier tijdvakken motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. Het is voor het berekende bedrag niet van belang of gedurende een gedeelte van de periode met de personenauto geen gebruik van de weg is gemaakt. Het oordeel van het Hof getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee ontvalt de grond aan het oordeel van het Hof dat het bepaalde in artikel 35 van de Wet een inbreuk maakt op artikel 1 Eerste Protocol EVRM. In dit kader heeft te gelden dat de wetgever, in aanmerking genomen de hem in belastingzaken toekomende ruime beoordelingsvrijheid, de bijzondere heffingsbepaling van artikel 35 van de Wet heeft kunnen rechtvaardigen met de hiervoor in 3.3.3 omschreven strekking van de regeling.”.

4.7.

Uit het hiervoor aangehaalde arrest volgt dat, anders dan belanghebbende kennelijk meent, het voor het berekende bedrag niet van belang is of gedurende een gedeelte van de periode met de auto geen gebruik van de weg is gemaakt.

4.8.

Belanghebbende heeft gesteld dat de overtreding is veroorzaakt door de onder 2.4 vermelde brief van de RDW; de brief heeft hem op het verkeerde been gezet. Bovendien werd in de brief geen concrete datum genoemd waarop de schorsing zou verlopen. Belanghebbende heeft vervolgens op 10 november 2011 de twintig jaar oude auto getest of alles nog naar behoren functioneerde, na een klein jaar stil te hebben gestaan.

4.9.

De omstandigheid dat in de brief van de RDW geen concrete datum wordt genoemd, neemt niet weg dat het op de weg van belanghebbende ligt om nader onderzoek te doen naar de exacte einddatum van de schorsing. In de brief wordt verwezen naar het Tenaamstellingsbewijs (deel I B) waarop de einddatum van de schorsing staat vermeld. Het gebruiken van de auto voor een testrit is niet toegestaan tijdens een schorsing. Wel mag met de auto op de dag van de APK-keuring gebruik worden gemaakt van de weg (artikel 72, lid 1, aanhef en letter m, van de Wet in samenhang met artikel 22 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994). Van een APK-keuring was echter geen sprake op 10 november 2011.

4.10.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

De boete

4.11.

Vaststaat dat belanghebbende niet aan de voorwaarden van de schorsingsregeling heeft voldaan. De Inspecteur heeft, op grond van artikel 37 van de Wet, in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en met inachtneming van paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het BBBB), een verzuimboete van 100% opgelegd.

4.12.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet is af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om in die gevallen waarin bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing en waarbij de verschuldigde motorrijtuigenbelasting wordt nageheven, als uitgangspunt te nemen dat 100% van het bedrag van deze belasting als verzuimboete dient te worden opgelegd, tenzij het wettelijk maximum zou worden overschreden (Kamerstukken II 1990/1991, 22238, nr. 3, blz. 36-37).

4.13.

Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) het opleggen ervan achterwege behoort te blijven. Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die leiden tot de conclusie dat sprake is van avas. Daarin is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. Belanghebbende wist, dan wel hij had moeten weten, dat de geldigheid van het voor de auto afgegeven kentekenbewijs op 10 november 2011 geschorst was. Nu belanghebbende desondanks op die dag een testrit met de auto is gaan maken, kan niet worden gezegd dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Er is geen sprake van omstandigheden die zijn ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en waarop hij geen invloed kon uitoefenen.

4.14.

Zulks neemt evenwel niet weg dat het Hof, mede gelet op artikel 5:46, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tot taak heeft te onderzoeken of, gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden, de Inspecteur met het vaststellen van de verzuimboete een passende en geboden boete heeft opgelegd.

4.15.

Bij de beoordeling hiervan wordt voorop gesteld dat de inspecteur de hoogte van de boete moet afstemmen op:

- de ernst van de overtreding; en

- de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.

Bij de beoordeling van de mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden verweten moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Voor het bepalen van een passende en geboden boete moet eveneens rekening worden gehouden met de omstandigheden van de overtreder op het moment waarop (in de bezwaarfase) de inspecteur of (in de rechterlijke fase) de belastingrechter over de hoogte van de boete heeft te oordelen (Hoge Raad 28 maart 2014, 13/00279, ECLI:NL:HR:2014:685).

4.16.

De Inspecteur kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid zich houden aan het BBBB en het BBBB toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Bij de toepassing van dat beleid dient de inspecteur echter in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de zojuist genoemde eisen en, zo dat niet het geval is, de boete in aanvulling of in afwijking van dat beleid vaststellen op een bedrag dat passend en geboden is. De belastingrechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de inspecteur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen, en dus leidt tot een evenredige sanctie. De hoogte van de boete dient dan ook ten volle door de belastingrechter te worden getoetst. De belastingrechter dient zijn oordeel over de boete te vormen met inachtneming van de voor hem aannemelijk geworden omstandigheden over de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en de omstandigheden waarin de overtreder verkeert op het moment van de beslissing door de belastingrechter.

4.17.

Belanghebbende heeft verzocht om matiging van de boete, gezien zijn financiële situatie ten tijde van het onderzoek ter zitting. Belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting met betrekking tot zijn financiële situatie, onbetwist door de Inspecteur, het volgende aangevoerd:

- belanghebbende is (sinds 2010) werkloos;

- belanghebbende heeft geen inkomen: hij leeft van zijn reserves en hij kan op dit moment nog drie maanden vooruit;

- belanghebbende heeft een eigen woning, die reeds lange tijd te koop staat voor € 550.000 en waarop een hypothecaire schuld rust van € 300.000;

- belanghebbende heeft verder geen schulden; en

- over twee jaar gaat belanghebbendes prepensioen in: dat zal ongeveer € 35.000 bruto per jaar zijn.

4.18.

Gelet op de door belanghebbende aangevoerde financiële omstandigheden is het Hof van oordeel dat deze geen reden geven tot matiging van de verzuimboete. Belanghebbende bezit in de vorm van de overwaarde van de eigen woning vermogen, zelfs indien aangenomen moet worden, zoals belanghebbende stelt, dat hij de vraagprijs van de eigen woning zal moeten verlagen, en hij heeft zicht op het genot van een prepensioen. Weliswaar ontbreekt het belanghebbende op dit moment aan liquiditeiten, maar dat weegt niet op tegen het bezit aan vermogen.

4.19.

Voorts heeft belanghebbende verzocht om matiging wegens de feiten en omstandigheden van zijn geval. Belanghebbende heeft, in de stukken van het geding en mede tijdens het onderzoek ter zitting en onbetwist door de Inspecteur, het volgende aangevoerd:

- belanghebbende heeft het kenteken van de auto per 8 december 2010 geschorst, omdat hij in 2010 werkloos is geworden;

- het was de eerste keer dat belanghebbende gebruik maakte van de schorsingsregeling en hij was dientengevolge niet goed op de hoogte van deze regeling;

- na ontvangst van de brief van de RDW van 6 november 2011 (zie onder 2.4) heeft belanghebbende op 10 november 2011 slechts willen testen of de twintig jaar oude auto nog naar behoren functioneerde, na een klein jaar stil te hebben gestaan; en

- afgezien van de testrit op 10 november 2011 heeft belanghebbende gedurende de schorsingsperiode niet met de auto gereden, hetgeen mede blijkt uit de overgelegde facturen van de garage met kilometerstanden.

Voorts heeft belanghebbende spijt betuigd van de door hem gemaakte fout om tijdens de schorsing met de auto te gaan rijden en erkend, dat hij, achteraf bezien, beter had moeten weten.

4.20.

Anders dan voor de naheffingsaanslag acht het Hof voor de bepaling van een passende en geboden boete ten gunste van belanghebbende van belang, dat, afgezien van de testrit op 10 november 2011, belanghebbende gedurende de schorsingsperiode niet met de auto heeft gereden en acht op grond hiervan een matiging van de opgelegde boete geboden. Voorts neemt het Hof ten gunste van belanghebbende in aanmerking, dat hij geloofwaardig spijt heeft betuigd en geloofwaardig heeft verklaard zelf in te zien dat hij een fout heeft begaan, die hij niet nog een keer zal begaan. Gelet op het vorenstaande en gelet op de door belanghebbende aangedragen omstandigheden zoals verwoord in de van hem afkomstige stukken alsmede zijn geloofwaardige toelichting tijdens het onderzoek ter zitting dienaangaande (zie 4.19), is er naar het oordeel van het Hof reden om de opgelegde verzuimboete te matigen. Het Hof acht in de gegeven omstandigheden een boete van € 250 een passende en geboden sanctie.

Slotsom

4.21.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.22.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 42 respectievelijk € 115, in totaal derhalve € 157, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.23.

Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de naheffingsaanslag ongegrond;

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot € 250; en

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 157 vergoedt.

Aldus gedaan op 26 februari 2015 door P. Fortuin, voorzitter, P.A.G.M. Cools en H.W.M. van Kesteren, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.