Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:588

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
14-00052
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8706, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur is op grond van de dossiergegevens afgeweken van de aangifte van belanghebbende. Voorafgaande aan het opleggen van de aanslag heeft hij belanghebbende geen afwijkingsbrief gestuurd en hem niet in de gelegenheid gesteld om zijn reactie hierop te geven. Deze werkwijze vormt een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Rechtbank heeft belanghebbende terecht een vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase toegekend en voor de bezwaarfase terecht de wegingsfactor 1 in plaats van 0,5 toegepast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/575
V-N 2015/25.19.7
Belastingadvies 2015/11.2
FutD 2015-0741
NTFR 2015/1015
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00052

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 november 2013, nummer AWB 13/2711 in het geding tussen

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de beslissing van de Inspecteur op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.580, waarbij het bedrag aan heffingskorting is vastgesteld op € 2.740. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.580, waarbij het bedrag aan heffingskorting is vastgesteld op € 3.561. Inhoudelijk heeft de Inspecteur aldus het bezwaar van belanghebbende volledig gehonoreerd. Het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de kosten van bezwaar heeft de Inspecteur echter afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de kosten van bezwaar en de proceskosten in beroep van belanghebbende ten bedrage van, in totaal, € 589 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 7 januari 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer [A].

Belanghebbende noch zijn gemachtigde zijn verschenen, waarvan de gemachtigde voor de zitting het Hof kennisgeving heeft gegeven.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft op 27 maart 2012 op elektronische wijze voor het jaar 2011 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan. Zij heeft in deze aangifte onder de rubriek “Loon of uitkering Ziektewet” de volgende gegevens vermeld:

  1. [B], loon € 11.735, ingehouden loonheffing € 3.315;

  2. [C], loon € 2.367, loonheffing € 781;

  3. [bedrijf 1] BV, loon € 10.610, loonheffing € 2.566.

2.2.

Bij de Inspecteur zijn, voortkomende uit de door de inhoudingsplichtigen ingezonden loongegevens, de volgende loongegevens geregistreerd op naam van belanghebbende:

1. [B], loon € 11.735, ingehouden loonheffing € 3.315;

toegepaste loonbelastingtabel: wit, maandtabel;

2. [C], loon € 2.367, ingehouden loonheffing € 781, toegepaste loonbelastingtabel: wit, maandtabel;

3. [bedrijf 2] BV, loon € 10.610, ingehouden loonheffing € 2.566, toegepaste loonbelastingtabel: groen, maandtabel.

2.3.

Bij brief van 15 februari 2013 is aan belanghebbende medegedeeld dat van haar aangifte is afgeweken. De aangifte is gecorrigeerd ter zake van de door belanghebbende genoten inkomsten van [bedrijf 1] BV. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Ik heb de aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2011 van u beoordeeld. Bij de aangifte hebt u de vooraf ingevulde gegevens gebruikt. Maar deze aangifte wijkt af van onze actuele gegevens. Dit kan zijn ontstaan doordat u de vooraf ingevulde gegevens hebt veranderd, of doordat wij later nieuwe gegevens ontvingen. Ik heb deze aangifte gewijzigd.

Wat heb ik gewijzigd in de aangifte?

Eén of meer bedragen zijn in de aangifte in de verkeerde rubriek ingevuld. Ik heb deze bedragen verplaatst van de rubriek ‘Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking’ naar de rubriek ‘Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking’.

(…)

Wat kunt u doen?

Wacht op de definitieve aanslag. Als u het daar niet mee eens bent, kunt u bezwaar maken. Hoe u dit kunt doen, leest u in de definitieve aanslag.”

2.4.

De Inspecteur heeft als bijlage 9 bij het verweerschrift bij de Rechtbank de fiscale loongegevens uit de FIBASE overgelegd, waarop onder meer het volgende is vermeld:

“LBnummer :[aanslagnummer]

(...)

Loonbelastingtabel : groen/ma.

(...)

Naam inhoudingsplichtige : [bedrijf 2]”

2.5.

Afgezien van de naam van de inhoudingsplichtige stemmen deze gegevens overeen met de door belanghebbende ontvangen jaaropgave. Het LB-nummer dat op de jaaropgave is vermeld is van [bedrijf 2] BV. Deze BV is enig aandeelhouder van [bedrijf 1] BV. Blijkens de jaaropgave en de door de inhoudingsplichtige aan de Inspecteur verstrekte loongegevens is op het loon de groene maandtabel toegepast.

2.6.

Met dagtekening 27 februari 2013 is aan belanghebbende de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.580. Daarbij is een arbeidskorting van € 753 verleend. De hoogte van de arbeidskorting houdt verband met de onder 2.3. genoemde correctie.

2.7.

Na ontvangst van de aanslag heeft belanghebbende telefonisch contact gezocht met de belastingdienst. De medewerker van de belastingdienst deelde haar mede dat hij niets voor haar kon betekenen en dat zij schriftelijk bezwaar diende te maken. Belanghebbende heeft daarop een beroepsmatige rechtsbijstandsverlener ingeschakeld.

2.8.

Door belanghebbende is tijdig bezwaar aangetekend tegen de aanslag. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende vermeld dat het bedrag van € 10.610 dat aanvankelijk vermeld stond in de rubriek “inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking” verplaatst is naar de rubriek “inkomsten uit vroegere dienstbetrekking”, maar dat dit bedrag is verkregen uit arbeid welke in 2011 door belanghebbende is verricht bij [bedrijf 1] BV, zodat het dan ook pertinent geen inkomsten uit vroegere dienstbetrekking betreft. Belanghebbende heeft tevens in het bezwaarschrift verzocht om een vergoeding van de proceskosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht.

2.9.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de Inspecteur geoordeeld dat de door de inhoudingsplichtige verstrekte loongegevens onjuist zijn op het onderdeel van de vermelding van de toegepaste loonbelastingtabel en is aan belanghebbende over de inkomsten van [bedrijf 1] BV alsnog de arbeidskorting toegekend. Bij de uitspraak heeft de Inspecteur de aanslag verminderd, waarbij het bedrag aan arbeidskorting nader is vastgesteld op € 1.574.

Het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de gemaakte kosten is afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Rechtbank aan belanghebbende terecht een vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase toegekend, en, bij bevestigende beantwoording van deze vraag,

2. Heeft de Rechtbank voor de bezwaarfase terecht de wegingsfactor 1 toegepast?

De Inspecteur is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

De Inspecteur concludeert, primair, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de beslissing op het verzoek tot vergoeding van de proceskosten. Subsidiair is de Inspecteur van mening dat bij de bepaling van de hoogte van de kostenvergoeding een wegingsfactor licht (0,5) dient te worden toegepast. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.2.

Voor de beantwoording van vraag 1 gaat het er dus om of sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, lid 2, van de Awb.

4.3.

Anders dan voor de vergoeding van kosten in verband met het voeren van een procedure voor de belastingrechter, waarbij niet de eis wordt gesteld dat sprake moet zijn van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, kan niet worden uitgegaan van de regel dat bij herroeping van het bestreden besluit reeds recht bestaat op vergoeding van die kosten, tenzij de noodzaak tot het maken van bezwaar uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belastingplichtige (Hoge Raad 18 juni 2010, nr. 09/00370, ECLI:NL:HR:2010:BM7705, BNB 2010/301).

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag of de Inspecteur onrechtmatig handelt in gevallen waarin hij afwijkt van de aangifte van belanghebbende, hanteert het Hof de volgende rechtsregel. Bij discrepantie tussen de aangifte en de in het dossier van belanghebbende ter inspectie aanwezige gegevens, dient de Inspecteur, indien hij op grond van de dossier-gegevens voornemens is van de aangifte af te wijken, aan belanghebbende voorafgaande aan het opleggen van de aanslag een afwijkingsbrief te sturen. In deze brief dient niet alleen te zijn vermeld wat de Inspecteur voornemens is te wijzigen ten opzichte van de aangifte, maar moet belanghebbende ook in de gelegenheid worden gesteld om, voordat de aanslag wordt vastgesteld, zijn reactie hierop te geven. Indien de Inspecteur belanghebbende hiertoe niet in de gelegenheid stelt, aanvaardt hij de niet te verwaarlozen kans dat de aanslag onjuist is en dat de aanslag tot een te hoog bedrag wordt opgelegd.

4.5.

Door het ten onrechte niet bieden van een gelegenheid voor reactie vooraf heeft de Inspecteur belanghebbende geen andere keuze gelaten dan in bezwaar te gaan en daarbij kosten te maken. Deze werkwijze van de Inspecteur vormt naar het oordeel van het Hof een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Awb. Niet relevant is of de onjuistheid van de dossier-gegevens is te wijten aan de Inspecteur.

4.6.

Gelet op het vorenstaande dient vraag 1 bevestigend te worden beantwoord. Het primaire standpunt van de Inspecteur is ongegrond.

4.7.

De Inspecteur heeft, subsidiair, gesteld dat de door de Rechtbank gehanteerde wegingsfactor te hoog is en heeft verzocht deze op licht (0,5) te stellen.

De Inspecteur heeft het bezwaar materieel beoordeeld en is aan het bezwaar tegemoet gekomen. Het Hof ziet geen reden om van de door de Rechtbank gehanteerde factoren (1 voor bezwaar, 0,5 voor beroep) af te wijken en beantwoordt vraag 2 bevestigend.

Het subsidiaire standpunt van de Inspecteur is eveneens ongegrond.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 493.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof acht in hoger beroep een factor 1 voor het gewicht van de zaak gerechtvaardigd. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 punt x € 487 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 487.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 487, en

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 493.

Aldus gedaan op 19 februari 2015 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.