Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:581

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
20-003211-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het omkatten van een auto en aan oplichting. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte valselijk het originele chassisnummer/VIN-nummer van de Mercedes uit 1995 heeft vervangen door het chassisnummer/VIN-nummer dat behoorde bij de Mercedes uit 1986. De verdachte heeft aldus de identiteit van de Mercedes uit 1995 veranderd en gewijzigd in die van de Mercedes uit 1986, waardoor er geen wegenbelasting meer verschuldigd was.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 219
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003211-13

Uitspraak : 19 februari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie [woonplaats], van 27 september 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-212495-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te[woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

  1. oplichting en

  2. andere dan de in artikel 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen moeten worden geplaatst, daarop valselijk plaatsen, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een geldboete van € 1.000,--, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Voorts heeft de politierechter beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter, onder aanvulling van de bewijsmiddelen, zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 6.000,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door verdachte is vrijspraak bepleit en is verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in de periode van 2 maart 2012 tot en met 4 april 2012 te 's-Hertogenbosch en/of (elders) in Nederland met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (€ 8.000,--), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een auto (laten) voorzien van (een) ander(e), niet bij de auto behorend(e), VIN-nummer en/of kenteken en/of kentekenplaten en/of kentekenbewijs en/of (aldus) (laten) voorzien van een valse/andere identiteit, waardoor [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.
hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2011 tot en met 2 maart 2012 te

's-Hertogenbosch en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) identificatienummer(s)/chassisnummer(s)/VIN-nummer, (zijnde - telkens - een ander merk dan de in artikel 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken) dat/die krachtens wettelijk voorschrift op een motorvoertuig moet(en) worden aangebracht, (telkens) valselijk heeft geplaatst, althans het/de echte identificatienummer(s)/chassisnummer(s)/VIN-nummer (telkens) heeft vervalst, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk valselijk het/de identificatienummer(s)/

chassisnummer(s)/VIN-nummer [nummer x] geplaatst op een/de motorvoertuig(en), althans het/de echte identificatienummer(s)/chassisnummer(s)/VIN-nummer [nummer y] van een/de motorvoertuig(en) een auto van het merk Mercedes vervangen door een/de identificatienummer(s)/chassisnummer(s)/VIN-nummer [nummer x], (telkens) met het oogmerk om dat/die motorvoertuig(en) te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof laatstbedoeld(e) identificatienummer(s)/chassisnummer(s)/VIN-nummer krachtens genoemd artikel, althans krachtens genoemd wettelijk voorschrift, echt en onvervalst was/waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 2 maart 2012 tot en met 4 april 2012 te 's-Hertogenbosch of elders in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (€ 8.000,--), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk een auto voorzien van een ander, niet bij de auto behorend, VIN-nummer en aldus voorzien van een valse identiteit, waardoor [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.
hij in de periode van 2 augustus 2011 tot en met 2 maart 2012 te 's-Hertogenbosch een chassisnummer/VIN-nummer, (zijnde een ander merk dan de in artikel 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken) dat krachtens wettelijk voorschrift op een motorvoertuig moet worden aangebracht, valselijk heeft geplaatst, immers heeft verdachte opzettelijk valselijk het echte chassisnummer/VIN-nummer [nummer y] van een motorvoertuig, een auto van het merk Mercedes, vervangen door een chassisnummer/VIN-nummer [nummer x], met het oogmerk om dat motorvoertuig te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof laatstbedoeld chassisnummer/VIN-nummer krachtens genoemd wettelijk voorschrift, echt en onvervalst was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De hierna opgesomde bewijsmiddelen zijn opgenomen – tenzij anders vermeld – in het in

de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politieregio Brabant-Noord, District Meierij, D1 - Districtelijke opsporing, registratienummer PL21XO 2012041815, sluitingsdatum 27 juni 2012, bestaande uit in de wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 21.

1. Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 4 april 2012, doorgenummerde dossierpagina’s 4-7, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [benadeelde]:

Via internet, de site van “Markplaats.nl”, zag mijn man (het hof begrijpt: [man van benadeelde]) een personenauto, merk Mercedes-Benz, type 250 model, staan. De vraagprijs was € 8.000,--. Mijn man belde de verkoper en kreeg er een goed gevoel bij. Ik gaf mijn fiat om deze auto te kopen. Een dag later nam mijn man weer telefonisch contact op met de verkopende partij en vertelde de man dat de verkoop definitief werd. Daarnaast vroeg mijn man of deze auto niet omgekat of omgekloond was. De verkopende partij vertelde dat het wel om een omgebouwde Mercedes-Benz ging en dat hij er alles nieuw opgezet had. De verkopende partij stelde zich voor als [verdachte] (het hof leest telkens: [verdachte]), adres [adres] te [woonplaats]. We hebben de auto ongezien gekocht. Op 2 maart 2012 zijn we naar de verkopende partij gereden. Ik zag dat de auto, een Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 1], bij de verkopende partij klaarstond. De verkopende partij liet ons aan de achterzijde van zijn woning hoe hij een auto veranderde, dus wat zijn werkplek was. Op 2 maart 2012 lieten we de auto overschrijven in [woonplaats]. We hadden cash geld bij ons om de auto te kopen. Er is een bedrag betaald van € 8.200,--, waarvan € 200,-- voor een bankje.

Op 8 maart 2012 kwam de verkopende partij bij ons langs omdat er mogelijk iets lekte. Wat mij direct opviel was dat hij onze auto direct startte, in plaats van deze eerst voor te gloeien, zoals dat behoort bij deze “oudere” modellen.

Mijn man is later, omdat de auto niet goed schakelde, met de auto naar [getuige], een Mercedes-Benz garage op [woonplaats] gegaan. [getuige] heeft de auto bekeken. Hij vertelde ons dat onze auto omgekat was. Op 20 maart 2012 verscheen de politie bij mij aan de deur met de mededeling dat wij een omgekatte Mercedes-Benz met het kenteken [kenteken 1] zouden hebben. Op verzoek van de politie is de auto voor onderzoek meegenomen. Na onderzoek bleek, dat de auto inderdaad omgekat was. Omdat de verkopende partij, de heer [verdachte], ons een auto heeft verkocht waarbij door hem werd verteld dat de auto geheel goed was en betrouwbaar was en wij er ook van uitgingen dat de auto goed was, hebben wij de koop gesloten. De man heeft ons bedrogen/opgelicht door ons deze Mercedes-Benz, kenteken

[kenteken 1] te verkopen als zijnde een echte, omgebouwde en (naar het hof begrijpt in verband met de ouderdom van de auto) wegenbelastingvrije auto. Dit bleek dus achteraf niet zo te zijn.

2. Een proces-verbaal betreffende het resultaat identiteitsonderzoek, d.d. 3 april 2012, doorgenummerde dossierpagina 13, opgemaakt door [verbalisant/getuige/deskundige], voor zover inhoudende:

Op 27 maart 2012 werd een onderzoek ingesteld naar de juiste identiteit van het volgende voertuig:

Soort voertuig : Personenauto

Merk : Mercedes Benz

Type : 250 TD

Kenteken : [kenteken 1]

VIN : [nummer x]

Uit het onderzoek is gebleken dat deze personenauto niet akkoord is v.w.b. identiteit.

Het voertuig staat op naam van [man van benadeelde], [woonplaats].

Een deel van het schutbord met daarin het VIN-nummer is ingelast.

De vastgestelde identiteit van dit voertuig is:

VIN : [nummer y]

Kenteken : [kenteken 2]

3. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 juni 2012, doorgenummerde dossierpagina 12, voor zover inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2], brigadier van politie:

Op 4 april 2012 werd door [benadeelde] aangifte gedaan van oplichting. [benadeelde] had een personenauto, merk Mercedes-Benz, voorzien van kenteken [kenteken 1], gekocht van ene [verdachte] te [woonplaats]. Uit een onderzoek van het Regiokorps Flevoland, Permanent Auto Team, bleek dat van de gekochte auto het chassisnummer was verwisseld.

Uit onderzoek kwam vast te staan dat:

- de personenauto, merk Mercedes, voorzien van kenteken [kenteken 2] (het hof leest verbeterd: [kenteken 2]) met het chassis(VIN)nummer [nummer y], gedurende de periode tussen 28 juli 2011 en 29 mei 2012 op naam stond van [verdachte], [adres] te [woonplaats];

- de personenauto, merk Mercedes, voorzien van kenteken [kenteken 1] met het chassis(VIN)nummer [nummer x], gedurende de periode tussen 2 augustus 2011 en 2 maart 2012 op naam stond van [verdachte], [adres] te [woonplaats].

4. Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen, nummer 2012017516-BVH-FVL, op 31 augustus 2014 opgemaakt door [verbalisant/getuige/deskundige], brigadier van politie Midden-Nederland, verkeersongevallenanalist en lid van het Permanent Auto Team, voor zover inhoudende:

In maart 2012 kwam informatie beschikbaar met betrekking tot de mogelijke valse identiteit van een personenauto van een inwoner van [woonplaats]. Het betrof een grijze Mercedes Benz met het kenteken [kenteken 1]. Deze auto heeft als productiedatum [productiedatum 1].

Uit onderzoek bleek dat de motor van deze auto voorzien was van het nummer [nummer]. Uit de verkregen informatie bleek deze motor door de fabrikant te zijn ingebouwd in een Mercedes E250D combi met het chassisnummer (V.I.N.) [nummer y]. Deze auto heeft als productiedatum [productiedatum 2] en is nieuw afgeleverd in Nederland met kenteken [kenteken 2].

Op 27 maart 2012 stelde ik een onderzoek in naar de identiteit van de auto [kenteken 1]. Het V.I.N. werd door mij aangetroffen op de in het RDW register vermelde plaats. Bij het betreffende model is dat op een metalen plaat die tussen het schutbord en het binnenscherm/ wielkast van het rechtervoorwiel is gelast. Deze plaat werd van fabriekswege over de volle lengte van de betreffende zijden vast gelast op het schutbord en het binnenscherm/wielkast van het rechtervoorwiel, waarna de lasnaad ter bescherming werd afgedekt met een kitlaag. Ik zag tijdens het onderzoek dat de kitlaag over deze lasnaad in vergelijking met kitlagen over de andere lasnaden, een afwijkende structuur had.

Nadat ik op een aantal plaatsen het kit had verwijderd zag ik dat de aansluitende zijden van de betreffende plaat niet over de volle lengte was vast gelast doordat er op meerdere plaatsen ruimte zat tussen de plaat en het schutbord dan wel binnenscherm/wielkast. Hieruit kon ik concluderen dat de plaat met het originele bij deze auto horende V.I.N. was verwijderd.

Op dezelfde wijze is de plaat met het V.I.N. uit een andere auto verwijderd waarna deze in het door mij onderzochte voertuig is vast gelast. Aangezien het nagenoeg niet mogelijk is om beide platen te verwijderen zodanig dat de platen qua rand identiek zijn, ontstonden bij het aanbrengen van de plaat in het door mij onderzochte voertuig, de ruimtes tussen de plaat en het schutbord/binnenscherm/wielkast.

Gelet op het bovenstaande concludeerde ik dat in het door mij onderzochte voertuig de plaat is gelast met het V.I.N. dat hoorde bij het kenteken [kenteken 1] enkel alleen met het doel dit voertuig de identiteit te geven van de auto [kenteken 1].

Tevens waren door de fabrikant unieke kenmerken in het door mij onderzochte voertuig aangebracht die verwijzen naar de leeftijd en in een enkel geval rechtstreeks naar de identiteit van dit voertuig. Uit deze kenmerken bleek dat het voertuig van het bouwjaar 1995 was en dat deze nieuw is afgeleverd in Nederland met kenteken [kenteken 2]. Tijdens het technische onderzoek aan bovengenoemd voertuig werden door mij dergelijke unieke kenmerken aangetroffen die hebben geleid tot vaststellen van de juiste identiteit/herkomst van dit voertuig.

5. De verklaring van de getuige/deskundige [verbalisant/getuige/deskundige], forensisch rechercheur Verkeersongevallenanalyse en lid van het Permanent Auto Team, ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 februari 2015, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Ik heb de auto, een grijze Mercedes Benz met het kenteken [kenteken 1], zelf gezien en ik heb het onderzoek aan de auto in 2012 zelf gedaan. De kitrand waar het om gaat was afwijkend van de rest van de kitranden. Deze waren gladder aangestreken, terwijl er profiel zichtbaar was op het specifieke stuk kitrand. De structuur zag er op het oog anders uit. Hoe het verschil in structuur er precies uitzag weet ik niet meer, maar als de structuur bij de andere kitnaden verticaal liep, liep de structuur op het specifieke stuk kitrand horizontaal. Op een armlengte afstand was te zien dat het er anders uit zag. De plaat van 40 centimeter lang was in zijn geheel vervangen. Ik heb vastgesteld dat in de door mij onderzochte auto een andere plaat zat dan die er in hoorde.

Tevens heb ik bij deze auto minimaal 15 unieke kenmerken aangetroffen. De informatie over de unieke kenmerken krijgen we van de fabrikanten. Deze kenmerken verwijzen naar het bouwjaar van de auto en soms naar de specifieke identiteit van een auto. In de meeste gevallen verwijzen de kenmerken naar het bouwjaar en in een enkel geval verwijst het naar de originele identiteit van het betreffende voertuig. Dat was in deze casus ook zo. Ik heb bij deze auto een aantal kenmerken aangetroffen die horen bij het bouwjaar 1995 en nog één kenmerk die bij deze specifieke auto met het specifieke chassisnummer [nummer y] hoorde. Het in de auto aangetroffen VIN-nummer [nummer x] hoorde niet bij deze specifieke auto. Op de auto zaten alleen onderdelen die afkomstig waren van een auto uit 1995. Er zaten geen onderdelen op die afkomstig waren uit 1986. Alleen de plaat met het VIN-nummer uit 1986 zat er op.

Een plaat met daarop het VIN-nummer past precies in een auto en die wordt dan rondom vast gelast. In de auto die ik heb onderzocht was de originele plaat er uit geslepen en daardoor is rondom ruimte ontstaan. Vervolgens is er een andere plaat in gelast. Deze paste echter niet meer precies vanwege het slijpen en de ruimte die daardoor is ontstaan.

6. De verklaring van de deskundige [deskundige], forensisch voertuigonderzoeker bij het LIV (Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit), ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 februari 2015, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Ik onderzoek auto’s op hun identiteit. Iedere auto heeft een uniek chassisnummer. Chassisnummer en VIN-nummer zijn hetzelfde. Ook aan andere kenmerken kun je de identiteit van een auto herkennen. Dat zijn bijzondere kenmerken die door een fabrikant zijn aangebracht en die gerelateerd zijn aan die specifieke auto met dat chassisnummer. Het chassisnummer maakt onderdeel uit van de carrosserie. Als je het chassisnummer er uit haalt en je zet er nieuwe onderdelen omheen, ben je bezig met merkvervalsing. Daar gaat een fabrikant niet mee akkoord. Dat is omkatten. Dan gaat het om het omzetten van de identiteit van de ene auto naar de andere auto.

Wanneer de Rijksdienst voor het wegverkeer (hof: RDW) een auto een nieuw kenteken toekent, wordt die auto eerst onderzocht op echtheid. Er wordt onderzocht of het chassisnummer correspondeert met het kentekenbewijs en de RDW bekijkt of het originele chassisnummer nog deel uit maakt van het voertuig. Pas ingeval van akkoord wordt er een nieuw kenteken afgegeven.

7. Een - alleen in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen tot bewijs gebruikt – keuringsrapport van de RDW, doorgenummerde dossierpagina 9, voor zover deze - zakelijk weergegeven - inhoudt:

Gegevens voertuig en resultaat keuring

Kenteken : [kenteken 1]

Identificatienummer : [nummer x]

Resultaat keuring : goedgekeurd na reparatie

Datum afgifte rapport : 2 september 2011

8. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 juli 2014, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Het kan kloppen dat ik een Mercedes met het kenteken [kenteken 2] (het hof leest verbeterd: [kenteken 2]) en het VIN-nummer eindigend op [y] op mijn naam heb gehad van 28 juli 2011 tot 29 mei 2012. Het zou ook kunnen kloppen dat ik een Mercedes met het kenteken [kenteken 1] en het VIN-nummer eindigend op [x] op mijn naam heb gehad van 2 augustus 2011 tot 2 maart 2012. Ik heb een auto verkocht aan de familie [benadeelde] uit [woonplaats]. Ik ben met meneer [man van benadeelde] op 2 maart 2012 naar het postkantoor geweest om het kenteken [kenteken 1] over te schrijven. Dit kenteken is afgegeven door de RDW. Dat kan de RDW doen voordat de auto af is. [man van benadeelde] wilde een oude auto rijden waarvoor hij geen wegenbelasting hoefde te betalen. Ik heb er € 8.200,-- voor ontvangen. Ik weet waar het schutbord zich bevindt. Dat is een brandplaat.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Uit bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat de verdachte valselijk het originele chassisnummer/VIN-nummer [nummer y] van de Mercedes uit 1995 heeft vervangen door het chassisnummer/VIN-nummer [nummer x], dat behoorde bij de Mercedes uit 1986. De verdachte heeft aldus de identiteit van de Mercedes uit 1995 veranderd en gewijzigd in die van de Mercedes uit 1986, waardoor er geen wegenbelasting meer verschuldigd was. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan het omkatten van een auto.

De stelling van de verdachte dat hij van 4 of 5 auto’s een nieuwe auto heeft gemaakt, acht het hof, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, niet aannemelijk.

Immers, niet alleen aan de hand van het nummer van het motorblok kon de werkelijke identiteit van het voertuig worden vastgesteld, maar ook uit een aantal heel specifieke kenmerken die de fabrikant aan de auto heeft aangebracht. Hieruit bleek dat de auto gefabriceerd was in 1995 en niet in 1986, zoals de verdachte heeft doen voorkomen. Bovendien bleek uit onderzoek dat de plaat met het originele chassisnummer er uit geslepen was en dat vervolgens een andere plaat met het chassisnummer dat behoorde bij de auto uit 1986, er voor in de plaats was ingelast. Dit past niet in de stelling van de verdachte dat hij uit onderdelen afkomstig van meerdere auto’s één nieuwe heeft opgebouwd.

Uit het keuringsrapport van de RDW van 2 september 2011 blijkt ook dat de auto met het kenteken [kenteken 1], dat sinds 2 augustus 2011 op naam van verdachte stond, ten tijde van de keuring nog het bij dat kenteken behorende chassisnummer [nummer x] had. Verdachte heeft derhalve na die keuring het chassisnummer van deze auto vervangen door het chassisnummer van de auto met het kenteken [kenteken 2], welke auto sinds 28 juli 2011 op naam van verdachte stond.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

oplichting.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

andere dan de in artikel 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen moeten worden geplaatst, daarop valselijk plaatsen, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,--, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging geschaard.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij geen straf verdient omdat hij onschuldig is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de politierechter komt het hof tot een bewezenverklaring van – kort gezegd – oplichting en overtreding van het bepaalde in artikel 219 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft valselijk het echte chassisnummer/VIN-nummer [nummer y] van de Mercedes uit 1995 vervangen door een chassisnummer/VIN-nummer [nummer x], behorend bij een Mercedes uit 1986, waardoor de plicht om wegenbelasting te betalen verviel en de auto voor een hogere prijs kon worden verkocht omdat deze voor kopers (i.c. familie [benadeelde]) aantrekkelijker werd. Door het vervangen van het VIN-nummer in de te verkopen auto heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het zogeheten “omkatten” van een auto.

Met zijn handelwijze heeft de verdachte het maatschappelijk vertrouwen in de echtheid van merken geschaad en afbreuk gedaan aan de bepalingen die strekken tot bestrijding van dergelijke misdrijven. De verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn financieel gewin en heeft zich op geen enkel moment bekommerd om het financiële nadeel dat hij door zijn handelen heeft veroorzaakt.

In het nadeel van de verdachte weegt tevens dat hij recidive heeft op het gebied van vermogensdelicten. Blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2015 werd hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van gekwalificeerde diefstallen en in een verder verleden poging tot oplichting.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, acht het hof het opleggen van een geldboete van € 1.000,-- passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de ter terechtzitting in hoger beroep gebleken geringe draagkracht van de verdachte. Aangezien de verdachte een AOW-uitkering ontvangt, met daarnaast een klein pensioen, zal het hof bepalen dat de verdachte de geldboete in termijnen mag betalen.

Met oplegging van daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van de materiële schade tot een bedrag van € 6.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De auto is door de benadeelde partij en haar echtgenoot gekocht voor een bedrag van € 8.000,-- van de verdachte en is weer verkocht dan wel ingeruild tegen een andere auto voor een bedrag van € 2.000,--. Het hof stelt de geleden schade aldus op een bedrag van € 6.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Anders dan verdachte heeft gesteld, is het hof van oordeel dat geen sprake is van enige eigen schuld bij de benadeelde partij. Verdachte is dan ook tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld of de overige gevorderde schade voor toewijzing in aanmerking komt en, zo ja, tot welke hoogte. Een nadere bewijsopdracht aan de benadeelde partij zou echter leiden tot schorsing van het onderzoek voor langere tijd. De omvang van de resterende vordering afwegende tegen het belang van een spoedige afwikkeling van de zaak, gelet op de op te leggen maatregel aan verdachte, zou zulks naar oordeel van het hof een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in het restant van haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 36f, 57, 219 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,00 (zesduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 19 februari 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.