Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:580

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
F 200.158.628_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 februari 2015

Zaaknummer : HV 200.158.628/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/283020 FA RK 14-3882

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Haaglanden, locatie Den Haag,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (hierna te noemen: de stichting);

- de heer en mevrouw [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat zij recht heeft op omgang met de hierna te noemen [de dochter] gedurende vier uur per twee weken.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Segeren-Krijnen;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger raad];

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger stichting].

2.3.1.

De pleegouders hebben het hof bericht dat zij niet ter zitting zullen verschijnen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen (stukken 1e aanleg) van de advocaat van de moeder d.d.

4 november 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 juli 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 29 december 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 14 januari 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] [de dochter] (hierna te noemen: [de dochter]) geboren.

De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de dochter] belast.

3.2.

[de dochter] staat sinds 20 december 2011 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 19 december 2014.

[de dochter] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 13 november 2012 uit huis geplaatst.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [de dochter] en haar (zelfstandig) verzoek een contactregeling gedurende vier uur per twee weken vast te stellen en daarnaast de stichting dan wel de raad te verplichten haar eenmaal per maand per e-mail te informeren over belangrijke aangelegenheden in het leven van [de dochter] afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - aan dat zij niet blijvend ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en dat haar onvoldoende hulp is verleend door de stichting. De moeder erkent dat haar huidige situatie niet ideaal is, maar stelt dat zij bezig is om haar leven weer op orde te krijgen. Zodra zij haar middelengebruik onder controle heeft - sinds 17 oktober 2014 is zij “clean” -, hulpverlening blijft aanvaarden en een eigen woning heeft, zijn er goede vooruitzichten dat de dreiging als genoemd in artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet meer aanwezig zal zijn, zo stelt zij.

De moeder betwist dat zij voor de gezinsvoogd niet bereikbaar is. Volgens haar verloopt de communicatie tussen haar en de gezinsvoogd niet goed, waardoor het niet mogelijk is duidelijke afspraken te maken over een contactregeling tussen haar en [de dochter].

De moeder mist [de dochter] en wenst op regelmatige basis omgang met haar te hebben, hetgeen, zo stelt de moeder, ook in het belang is van [de dochter].

3.6.

De raad stelt ter zitting dat de gronden voor de ontheffing nog onverkort aanwezig zijn. De ontheffing is in het belang van [de dochter]. Zij verblijft al geruime tijd in het pleeggezin en haar perspectief ligt ook daar, aldus de raad.

3.7.

De stichting voert ter zitting aan dat het goed gaat met [de dochter]. [de dochter] is aangewezen op veel medische zorg en door de ontheffing kan er heel snel en adequaat worden gehandeld.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (wet HKBM) in werking getreden.

Op grond van artikel 28 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake de ontheffing van het gezag waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de wet HKBM volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 6 juni 2014 is derhalve artikel 1:266 BW (oud) van toepassing op de onderhavige zaak.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden de moeder van het gezag over [de dochter] heeft ontheven. Dat de moeder thans, zoals gesteld, een positieve ontwikkeling doormaakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Niet alleen is deze ontwikkeling in het licht van de ernst van de bij de moeder uit het verleden bekende problematiek nog pril en de uitkomst ervan onzeker, [de dochter] van haar kant heeft belang bij de continuering van haar huidige opvoedingssituatie. In het pleeggezin wordt haar een stabiele opvoedingssituatie geboden met alle opvoedkundige en medische zorg die zij nodig heeft. Zij ontwikkelt zich goed en zij is inmiddels gehecht aan de pleegouders. Een ongestoord verder verloop van deze opvoedingssituatie acht het hof van groot en doorslaggevend belang voor het welzijn en de verdere ontwikkeling van [de dochter]. Gelet hierop zal het hof (ook) het verzoek van de moeder om met het oog op de door haar ingezette positieve ontwikkelingen, de beslissing in de onderhavige zaak aan te houden, afwijzen.

3.8.4.

Het hof overweegt dat het voorgaande niet weg neemt dat [de dochter] er belang bij heeft dat de moeder de door haar ingezette positieve ontwikkeling doorzet. De maatregel van ontheffing betekent immers niet dat de band tussen de moeder en kind wordt verbroken. Regelmatig en goed contact met de moeder blijft belangrijk voor [de dochter]. Evenals de rechtbank acht het hof van belang dat de stichting in samenspraak met de moeder een contactregeling opstelt waarbij het belang van [de dochter] voorop dient te staan. Overleg tussen de stichting en de moeder is nodig alvorens een vaste regeling inzake omgang wordt opgelegd. Gelet hierop zal het hof het verzoek van de moeder te bepalen dat zij recht heeft op omgang met de hierna te noemen [de dochter] gedurende vier uur per twee weken, afwijzen. Ter zitting heeft de moeder ermee ingestemd na afloop van de zitting haar gegevens aan de heer [vertegenwoordiger stichting] voornoemd te verstrekken, zodat zij voor de stichting bereikbaar is.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Al hetgeen door de moeder in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Het hof merkt daarbij op dat met ingang van 1 januari 2015 de beschikking waarin de ontheffing is uitgesproken wordt aangemerkt als een beschikking waarin het gezag is beëindigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2014;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, O.G.H. Milar en

P. Vlaardingerbroek en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2015.