Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5695

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
20-000460-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:3445, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verstek
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000460-15

Uitspraak : 28 augustus 2015

VERSTEK DNIP

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 februari 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-254762-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) [in het jaar] 1996,

wonende te [adres 1] (Roemenië), [adres 1] ,

laatst opgegeven woon- of verblijfplaats in Nederland (21 april 2015): [adres 2] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het plegen van diefstal door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het tezamen en in vereniging met anderen plegen van het ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 21 dagen met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 november 2014, te Breda (Karrestraat), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kledingstukken, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 november 2014 te Breda, Karrestraat, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kledingstukken toebehorende aan [benadeelde] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierna genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

1. De [aangever] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard (dossierpagina’s 29-31):

Ik doe aangifte namens de [benadeelde] , Karrestraat, Breda.

Op 12 november 2014 was ik werkzaam bij [benadeelde] en niet herkenbaar als beveiligingsbeambte. Omstreeks 15.45 uur zag ik een vrouw staan op de afdeling damesmode van het merk Desigual. Ik zag dat deze vrouw een grote zwarte tas om haar schouder droeg. Ik zag dat de vrouw drie à vier kledingstukken van het hangertje aftrok. Ik zag dat de vrouw de kleding oprolde en daarna in de tas stopte. Ik zag dat de vrouw richting de uitgang liep en daarna de winkel verliet zonder de kleding af te rekenen aan de kassa.

Ik zag dat de vrouw naar een man met een paarse trolley toe liep. De man had een fors postuur. Ik zag dat de man en de vrouw samen opliepen en na ongeveer 25 meter stopten met lopen. Ik zag dat de vrouw de kleding waarvan ik had gezien dat zij deze had weggenomen bij [benadeelde] uit haar zwarte schoudertas pakte en in de paarse trolley, die de man bij zich had, stopte.

Ik zag dat er een man met een witte schoudertas naar de man en de vrouw toe kwam gelopen en met hen ging praten. Ik zag dat kort daarna de man met de witte schoudertas en de vrouw wegliepen. Ik zag dat de (het hof begrijpt: forse) man met de paarse trolley ondertussen de Ginnekenstraat en daarna de Akkerstraat was ingelopen en op de hoek stond te wachten.

Enkele minuten later zag ik dat de eerder genoemde vrouw en de man met de witte schoudertas de Ginnekenstraat kwamen ingelopen. Zij liepen richting de Akkerstraat en gingen naar de man met de paarse trolley toe. Ik zag dat de man met de witte schoudertas de paarse trolley overnam. Ik zag dat de forse man en de vrouw wegliepen.

Korte tijd later kwam de politie eraan en die heeft de man met de paarse trolley aangehouden. Korte tijd later kwamen de forse man en de vrouw aangelopen en ook zij zijn door de politie aangehouden.

2. De [verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – bevonden (dossierpagina’s 9-10):

Op 12 november 2014 omstreeks 16.15 uur was ik belast met toezicht en handhaving in het centrum van Breda. Ik hoorde van de centralist dat winkelbeveiligers achter drie personen aanliepen die zojuist spullen uit de [benadeelde] zouden hebben gestolen. Ik hoorde dat één van hen op de hoek van de Akkerstraat en de Ginnekenstraat met een paarse koffer zou staan met daarin de gestolen spullen.

Aangekomen in de Akkerstraat zag ik op de hoek met de Ginnekenstraat een man staan met een paarse koffer. Ik vroeg hem naar zijn naam waarop hij mij zijn identiteitskaart toonde. Ik zag dat op deze kaart de naam [verdachte] stond. Ik vroeg aan [verdachte] of ik in de koffer mocht kijken waarop hij deze opende. Ik zag in de koffer meerdere kledingstukken met daaraan de beveiligingslabels en prijskaartjes nog bevestigd. In een zijvak zag ik meerdere velletjes aluminiumfolie zitten. Ik besloot [verdachte] aan te houden. In de koffer zaten 1 kinderbroek en 4 truitjes van het merk Desigual.

3. De [verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – bevonden (dossierpagina 12):

Op 12 november 2014 omstreeks 16.30 uur hield ik als verdachte aan [verdachte] .

4. De [verbalisant 2] heeft – zakelijk weergegeven – bevonden (dossierpagina 11):

Op 12 november 2014 was ik samen met collega [verbalisant 1] belast met een dienst toezicht en handhaven. Omstreeks 16.20 uur werden wij gestuurd naar de Karrestraat te Breda. Hier zouden beveiligers achter drie personen aanlopen met tassen. Er waren zojuist spullen gestolen in de [benadeelde] . Er zou een man in de Akkerstraat staan met een paarse koffer.

Omstreeks 16.25 uur kwamen wij aan op de Akkerstraat. Ik zag op de hoek met de Ginnekenstraat een jongeman staan met een paarse koffer. Collega [verbalisant 1] heeft deze man, later bleek verdachte [verdachte] , aangehouden. Ik heb de vrouwelijke verdachte, later bleek [medeverdachte 1] , aangehouden. De andere verdachte genaamd [medeverdachte 2] was al aangehouden door [aangever] .

Ik zag dat de paarse koffer, die verdachte [verdachte] bij zich had, vol zat met goederen met prijskaartjes er nog aan. Ik zag ook dat [medeverdachte 1] een geprepareerde tas bij zich droeg.

5. De [medeverdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard (dossierpagina’s 61-66):

V: Hoe lang ben je al in Nederland?

A: Al 2 weken.

V: Waar verblijf je in Nederland?

A: In Den Haag.

V: Met wie verblijf je daar?

A: Ik was samen met mijn lief [medeverdachte 2] .

A: Ik ben vanuit Roemenië gekomen.

A: Het geld dat ik had, is nu op.

A: Toen ik aangehouden werd, was ik met [medeverdachte 2] .

A: Ik ben samen met [medeverdachte 2] naar Breda gegaan en [verdachte] tegen gekomen.

V: Wat voor spullen had jij bij je bij jouw aanhouding?

A: Een geprepareerde tas met folie. Die heb ik gekocht.

A: Hij was al geprepareerd.

V: Waarom heb je die tas gekocht?

A: Ik wou stelen.

A: Ik wilde geld maken om terug te gaan naar huis.

A: In de trolley bevonden zich spullen die ik heb gestolen van Desigual.

V: Dus jij hebt gestolen in het centrum van Breda?

A: Ja in de [benadeelde] .

V: En was de afspraak dat jij ze in de koffer zou stoppen?

A: Ja.

V: Wat zat er in de trolley?

A: De kleding van Desigual heb ik erin gegooid en die zouden wij terug krijgen in Den Haag.

6. De [medeverdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard (dossierpagina’s 68-70):

V: Beschrijf jouw vriend eens.

A: Hij is gezet.

V: Kun jij [verdachte] eens beschrijven, hij met de trolley.

A: [verdachte] is tenger.

7. De [medeverdachte 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard (dossierpagina’s 74-76):

V: Jouw vriendin verklaart dat zij gestolen heeft, wist je daarvan?

A: Als zij zegt dat ze spullen gestolen heeft dan is dat misschien wel zo. De koffer is van mij.

V: Wat is het aandeel van [verdachte] ?

A: Hij is aangehouden met de koffer die ik hem gegeven heb.

V: Heeft [medeverdachte 1] de gestolen spullen aan u gegeven?

A: Ja.

V: Wist u van te voren dat zij ging stelen?

A: Ja, dat wist ik.

V: Wist [verdachte] van de diefstallen?

A: Ja, hij wist van de diefstal.

V: Ben je naar Breda gegaan om te stelen?

A: Nee, we waren er al en onderweg kregen we het idee.

V: Wie kreeg het idee dan om te gaan stelen?

A: Wij allemaal, iedereen had een aandeel.

V: Wat is je aandeel geweest?

A: Ik heb de koffer vastgehad.

V: Maar u heeft ook de kleding aangenomen?

A: Ja.

V: Wat is [verdachte] zijn aandeel geweest?

A: Hij heeft de trolley bijgehouden.

V: Wist [verdachte] dat daar gestolen spullen in zaten?

A: Dat wist hij.

V: Wat is [medeverdachte 1] haar aandeel geweest?

A: Zij heeft de kleding weggenomen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen naar Breda zijn gegaan. Ergens zijn zij [verdachte] tegengekomen. Zij hebben toen gedrieën het plan opgevat om in Breda te gaan stelen. [medeverdachte 1] is vervolgens in Breda de [benadeelde] binnen gegaan, heeft kleding in haar geprepareerde tas gestopt en heeft de winkel verlaten zonder die kledingstukken te betalen. Hierna heeft zij de kleding in de – kennelijk daartoe meegenomen – paarse koffer gestopt die zich op dat moment bij [medeverdachte 2] – zijnde de man met het forse postuur – bevond. Toen heeft [verdachte] - zijnde de man met de witte schoudertas - zich bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gevoegd en hebben zij met elkaar gesproken. Kort daarna zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] samen weggelopen. [medeverdachte 2] is toen met de paarse trolley via de Ginnekenstraat de Akkerstraat ingelopen. Daar heeft hij op de hoek gewacht totdat enkele minuten later [verdachte] en [medeverdachte 1] naar hem toe kwamen gelopen. [verdachte] heeft toen de paarse trolley overgenomen en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn weggelopen. Vervolgens is [verdachte] in het bezit van de koffer met de gestolen kledingstukken aangehouden door de politie. Korte tijd later kwamen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangelopen en zijn ook zij door de politie aangehouden.

Tijdens de diefstal door [medeverdachte 1] in de [benadeelde] heeft [medeverdachte 2] dus buiten op haar gewacht met de paarse koffer, waar [medeverdachte 1] direct na de diefstal in het bijzijn van [medeverdachte 2] de gestolen kleding in heeft gestopt. Meteen daarna heeft [verdachte] zich bij hen gevoegd en even later heeft hij de koffer bij overgenomen. [verdachte] wist ook dat er gestolen spullen in die koffer zaten. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zouden de gestolen kleding van [verdachte] terugkrijgen in Den Haag.

Uit de omstandigheid dat de verdachten zich tevoren hadden voorzien van een geprepareerde tas en een koffer, gezien in samenhang met de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , leidt het hof af dat het de bedoeling was om meerdere diefstallen te plegen, en dat het slechts aan de tijdige ontdekking van de eerste diefstal te danken is geweest dat het niet verder is gekomen.

Naar het oordeel van het hof is sprake is geweest van een zo nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten dat van medeplegen dient te worden gesproken, in die zin dat zij de winkeldiefstal tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Het hof acht ieders bijdrage aan die diefstal van voldoende gewicht om tot die conclusie te komen.

Zij hebben gedrieën bedacht en afgesproken om de diefstal te plegen en zich daartoe in de richting van het winkelpand van [benadeelde] begeven. [medeverdachte 1] is daar naar binnen gegaan en de beide anderen bleven in de omgeving. Er is sprake geweest van een onderlinge taakverdeling. [medeverdachte 1] is degene geweest die de diefstal feitelijk heeft uitgevoerd en [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben allebei een rol gehad bij het verzamelen en veiligstellen van de buit. [medeverdachte 2] was direct na de diefstal aanwezig om de gestolen kleding van [medeverdachte 1] in ontvangst te nemen, kort waarna [verdachte] ‘het stokje’ heeft overgenomen. Hij zou de gestolen waar verder veilig stellen en naar Den Haag brengen. Zij hebben aldus willens en wetens gezamenlijk gehandeld en alle drie een wezenlijke bijdrage geleverd aan de diefstal.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de volgende omstandigheden:

- verdachte heeft zich weloverwogen schuldig gemaakt aan het medeplegen van een winkeldiefstal die op geraffineerde wijze heeft plaatsgevonden door gebruikmaking van een geprepareerde tas en het vervolgens overpakken van de gestolen waar in een koffer, teneinde de buit veilig te stellen en deze om te kunnen zetten in geld;

  • -

    het bewezen verklaarde heeft overlast veroorzaakt voor de gedupeerde [benadeelde] ;

  • -

    het was kennelijk de bedoeling om op deze wijze meer diefstallen te plegen.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met de oplegging van een straf zoals door de politierechter is opgelegd of door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 28 augustus 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.C.J.E. Meeuwis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voor zover hierna niet anders is vermeld, zijn de bewijsmiddelen afkomstig uit het einddossier van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, MWB District Breda, MWB Opvanggroep 2, registratienummer PL2000-2014269939, doorgenummerde dossierpagina’s 1-126.