Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5649

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
20-001691-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:3416
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; en eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001691-15

Uitspraak : 11 november 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 21 mei 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-261690-14 en 01-264285-14, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 2000,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – diefstal in vereniging (parketnummer 01-261690-14) en belediging van een politieambtenaar (parketnummer 01-264285-14) veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met een ad informandum gevoegde feit dat eveneens onder parketnummer 01-264285-14 op de dagvaarding staat vermeld (het opgeven van een valse naam). Voorts heeft de eerste rechter beslist op de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] .

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte ten aanzien van het onder parketnummers 01-261690-14 (te weten, diefstal in vereniging) en 01-264285-14 (te weten belediging van een politieambtenaar) ten laste gelegde, rekening houdend met het ad informandum gevoegde feit, zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Jeugdreclassering. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de [benadeelde partij] gedeeltelijk zal toewijzen tot een bedrag van EUR 105,31, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.

De raadsvrouwe heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 01-261690-14 ten laste gelegde. De verdediging heeft zich ten aanzien van het ad informandum gevoegde feit en een bewezenverklaring van het onder parketnummer 01-264285-14 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Door de verdediging is subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof in de zaak met parketnummer

01-261690-14 tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 01-261690-14:

hij op of omstreeks 15 november 2014 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee playstation spellen (te weten Gran Turismo en/of Need for Speed Shift), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een (stanley)mes aan die [benadeelde partij] heeft getoond en/of voorgehouden en/of (daarbij) die [benadeelde partij] dreigend de woorden “ik ben niet bang om hem te gebruiken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, toe te voegen;

Zaak met parketnummer 01-264285-14 (gevoegd):
hij op of omstreeks 25 november 2014 te Helmond opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer] , gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid meermalen, althans éénmaal, mondeling heeft toegevoegd de woorden “ik vind jou een kankersjappie”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-261690-14 en in de zaak met parketnummer 01-264285-14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 01-261690-14:

hij op 15 november 2014 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee playstation spellen (te weten Gran Turismo en Need for Speed Shift), toebehorende aan [benadeelde partij] , welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een (stanley)mes aan die [benadeelde partij] heeft getoond en voorgehouden en (daarbij) die [benadeelde partij] dreigend de woorden “ik ben niet bang om hem te gebruiken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, toe te voegen;

Zaak met parketnummer 01-264285-14 (gevoegd):
hij op 25 november 2014 te Helmond opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid meermalen mondeling heeft toegevoegd de woorden “ik vind jou een kankersjappie”.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Zaak met parketnummer 01-261690-14:

De verdachte heeft bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep iedere betrokkenheid bij de ten laste gelegde diefstal ontkend.

De raadsvrouwe heeft primair vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verklaring van de [medeverdachte] onbetrouwbaar is en derhalve, althans zo begrijpt het hof, niet tot bewijs dient te worden gebezigd.

Voorts heeft de raadsvrouwe in hoger beroep het standpunt betrokken, dat het positieve resultaat van de met de aangever [benadeelde partij] gehouden fotoconfrontatie niet tot het bewijs mag worden gebezigd, nu deze niet overeenkomstig de bepalingen van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek danwel het “Handboek Confrontatie” van Van Amelsfoort heeft plaatsgevonden, aangezien de getoonde foto’s niet in het dossier zijn gevoegd, zodat niet valt te controleren of de juiste selectie is gemaakt. Daarnaast is de fotoselectie gemaakt op basis van het signalement “blank, 14-20 jaar, kort haar”, welk signalement niet overeenkomt met het signalement dat door de aangever is gegeven. Voorts heeft de raadsvrouwe gewezen op het tijdsverloop tussen het incident en de fotoconfrontatie, zodat niet kan worden uitgesloten dat aangever [benadeelde partij] in de tussentijd bewust of onbewust is geconfronteerd met een foto van verdachte (bijvoorbeeld via Facebook) en de herkenning hierop berust.

Door de raadsvrouwe is voorts aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde bedreiging met geweld, nu alleen aangever hierover heeft verklaard en er geen mes bij verdachte is aangetroffen.

Het hof overweegt het volgende.

Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte] .
[medeverdachte] heeft bij de politie verklaringen afgelegd over de diefstal van de twee Playstation spellen. [medeverdachte] heeft daarbij niet alleen voor de verdachte, maar ook voor zichzelf belastend verklaard. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] neemt het hof tevens in aanmerking dat diens verklaringen over de diefstal en de betrokkenheid van de verdachte daarbij, in belangrijke mate worden ondersteund door de aangifte van [benadeelde partij] alsmede door andere (objectieve) bewijsmiddelen, zoals het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden waarop het weggooien van de hoesjes is te zien, het aantreffen van de spellen in de auto van [medeverdachte] en het aantreffen van de hoesjes in de container, het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de whats-app berichten tussen [medeverdachte] en verdachte en de herkenning van verdachte bij de fotoconfrontatie.

Bij deze stand van zaken acht het hof niet aannemelijk dat [medeverdachte] de betrokkenheid van verdachte bij de straatroof heeft verzonnen. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte] een motief zouden hebben gehad om verdachte ten onrechte te beschuldigen. Verdachte heeft in dit verband aangevoerd dat [medeverdachte] in een woordenwisseling zou hebben geroepen “ik pak jou nog wel”. Het hof acht het door de verdachte veronderstellenderwijs opgeworpen motief, dat geen steun vindt in andere feiten of omstandigheden, niet aannemelijk.

Alles overziende is het hof, anders dan de raadsvrouwe, van oordeel dat de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen – waarin [medeverdachte] eveneens zichzelf belast – als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Het hof bezigt deze verklaringen voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de fotoconfrontatie

Het hof gaat voor het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het bewezen verklaarde feit ook uit van herkenning van verdachte bij de fotoconfrontatie.

De raadsvrouwe heeft betoogd dat bij het uitvoeren van de meervoudige fotoconfrontatie niet conform de regels zoals gesteld in het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek, Staatsblad 2002, 46 (hierna: Besluit), is gehandeld. Echter, uit het Besluit, de bijbehorende Nota van toelichting en jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt, dat de regels zoals gesteld in het Besluit, alleen betrekking hebben op een confrontatie in persoon. In casu was er sprake van een meervoudige fotoconfrontatie. Dit maakt, dat de regels in het Besluit in dit geval niet van toepassing zijn.

Het hof merkt verder op dat het proces-verbaal van de gehouden fotoconfrontatie een voldoende gedetailleerde beschrijving geeft van de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden, zodat de fotoconfrontatie als voldoende toetsbaar is aan te merken. De foto’s zijn geselecteerd door [betrokkene 1] , die als confrontatieleider van de foto(bewijs)confrontaties is aangewezen, en de fotoselectie is getoond aan twee testobservatoren. Beide testobservatoren hadden geen op- of aanmerkingen op de getoonde selectie. De omstandigheid dat de getoonde foto’s nadien niet aan het dossier zijn gevoegd, doet hier niet aan af.

De stelling van de raadsvrouwe, dat de fotoselectie is samengesteld op basis van het verkeerde signalement, berust op een verkeerde lezing van het dossier. Immers, uit het politiedossier volgt dat de fotoconfrontatie met aangever is gehouden naar aanleiding van de belastende verklaring van [medeverdachte] . Uit het proces-verbaal van politie betreffende de meervoudige fotoconfrontatie d.d. 26 januari 2015 (pag. 75 e.v. van het dossier) volgt ook dat aan [benadeelde partij] een fotosamenstelling is getoond, bestaande uit een foto van verdachte met daarbij 11 foto’s van figuranten, die qua etnische afkomst, huidskleur, geslacht, leeftijd, gelaatskenmerken, haarkleur en haardracht gelijkenis vertoonden met de foto van de verdachte, zodat van een fotoselectie op grond van het verkeerde signalement geen sprake is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het door [benadeelde partij] gegeven signalement van de dader die hij aanduidt als “persoon 2” voor wat betreft kleding en postuur overeenkomt met het signalement van de verdachte.

Voor wat betreft de herkenning van de verdachte door aangever [benadeelde partij] overweegt het hof dat uit het proces-verbaal van het tonen van de fotoconfrontatie d.d. 8 januari 2015 blijkt dat de aangever ondubbelzinnig is in zijn herkenning. Blijkens voornoemd proces-verbaal keek [benadeelde partij] aandachtig naar de selectie terwijl deze werd getoond. Vervolgens werd een foto van verdachte getoond. [verbalisant 1] zag dat [benadeelde partij] direct, binnen 1 seconde reageerde door met zijn rechter wijsvinger naar het scherm te wijzen waarop hij direct zei: “dat is ie”. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende de meervoudige fotoconfrontatie dat [verbalisant 2] voorafgaand aan de procedure aan [benadeelde partij] heeft gevraagd of hij de door hem bedoelde persoon (het hof begrijpt: de dader van de straatroof) tussen het voorval en heden nog had gezien of op andere wijze informatie over zijn uiterlijk had verkregen. [benadeelde partij] antwoordde hierop ontkennend. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat van beïnvloeding voor de fotoconfrontatie, geen sprake is geweest. Ook in het tijdsverloop ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning.

Gelet daarop – terwijl ook overigens niet van aanwijzingen is gebleken op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van deze herkenning behoort te worden getwijfeld – is het hof van oordeel dat de uitkomst van deze fotoconfrontatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt en tot het bewijs kan worden gebezigd.

Ten aanzien van de bedreiging met geweld

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouwe. Het hof overweegt hieromtrent dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet alle onderdelen van een tenlastelegging onderbouwd moeten worden met twee bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof biedt het gebezigde bewijs, waaronder de verklaring van aangever dat verdachte hem met een (stanley)mes heeft bedreigd, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien voldoende steun aan de bewezenverklaring. Het is het hof niet gebleken dat aangever [benadeelde partij] op enig moment zijn verklaring heeft aangedikt. Over de bedreiging met geweld heeft aangever gedetailleerd verklaard. Het hof acht die verklaring, mede bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, dan ook voldoende betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs.

Op grond hiervan, alsmede op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de ten laste gelegde diefstal voorafgegaan van bedreiging met geweld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-261690-14 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 01-264285-14 bewezen verklaarde levert op:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met bedreiging met geweld, gepleegd op de openbare weg. Daarbij hebben verdachte en zijn mededader het slachtoffer twee Playstation spellen afhandig gemaakt onder bedreiging van een (stanley)mes. Met deze handelwijze heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van een ander. Bovendien is algemeen bekend dat een dergelijk feit gevoelens van angst en onrust veroorzaakt in de maatschappij.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening door meermalen “ik vind jou een kankersjappie” te roepen. Daarmee heeft hij blijkt gegeven van gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Het hof heeft bij de straftoemeting tevens rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit op de inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 01-264285-14 (het opgeven van een valse naam), welk feit door de verdachte is erkend en dat hiermee is afgedaan.

Voorts heeft het hof in strafmatigende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat uit een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 25 september 2015 blijkt dat verdachte voorafgaand aan de in deze zaak bewezen verklaarde feiten niet eerder is veroordeeld door een strafrechter.

Het hof heeft tevens gelet op hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouwe ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens uit het strafdossier is gebleken, met name uit de over de verdachte opgemaakte rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 26 oktober 2015, 13 mei 2015 en 6 juni 2014.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 26 oktober 2015 blijkt dat er op de gebieden van vrijetijdsbesteding, school, geestelijke en lichamelijke gezondheid en gezin zorgen zijn over de verdachte. Met name de zorgen rondom verdachtes gewetensontwikkeling maken de kans op herhaling aanzienlijk. De Raad vindt dat er bij verdachte sprake is van een zeer ernstige ontwikkelingsbedreiging. Om deze bedreiging te verminderen is het nodig dat de ouders en verdachte blijven meewerken aan hulpverlening. De ouders van de verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat zij mee willen werken aan hulpverlening van Bijzonder Jeugdwerk Brabant en het ingezette MDFT traject, maar dat zij geen bemoeienis wensen van de Jeugdreclassering. Er is al genoeg hulp, aldus de ouders van de verdachte.

De Raad voor de Kinderbescherming is echter van mening dat verdachte actief begeleid dient te worden door de Jeugdreclassering. De vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2015 de rapportage nader toegelicht en heeft aanvullend opgemerkt dat de begeleiding van de Jeugdreclassering zich voornamelijk dient te richten op het houden van toezicht op het gezin en de hulp en het coördineren van de ingezette hulp welke in eerste instantie gericht is op de opvoedingsomgeving.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de volgende beoordeling. Gezien de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de zeer jeugdige leeftijd van de verdachte, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand passend en geboden. Het hof zal, ter voorkoming van recidive, als bijzondere voorwaarde bepalen dat verdachte gedurende de proeftijd zal worden begeleid door de Jeugdreclassering, en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens de Jeugdreclassering te geven, ook indien dit inhoudt het volgen van het thans ingezette MDFT traject bij Bijzonder Jeugdwerk Brabant. Het hof acht het noodzakelijk dat nu optimaal wordt ingezet op het voorkomen van recidive bij deze jonge verdachte en dat op bovenstaande wijze de uitvoering van het thans uitgezette traject wordt gewaarborgd.

Het hof ziet daarbij geen aanleiding om de duur van de proeftijd te beperken tot een jaar als door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof zal aan de voorwaardelijke veroordeling een proeftijd verbinden van twee jaren.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met oplegging van enkel een werkstraf als door de eerste rechter is opgelegd, omdat daarin de ernst van het in de zaak met parketnummer 01-261690-14 bewezen verklaarde feit onvoldoende tot uitdrukking komt.

Vordering van de [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 455,31, bestaande uit materiële schade ad EUR 55,31 en immateriële schade ad EUR 400,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 105,31 (bestaande uit EUR 55,31 ter zake van materiële schade en EUR 50,-- ter zake van immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van EUR 155,31, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadsvrouwe heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. De raadsvrouwe heeft bepleit om de vordering van de benadeelde partij, uit een oogpunt van rechtsgelijkheid nu de zaak tegen de medeverdachte is geseponeerd, niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht om de hoogte van de vordering te matigen.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder parketnummer 01-261690-14 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof acht de gevorderde materiële schade geheel toewijsbaar. Voorts is het hof van oordeel dat de gevorderde immateriële schade, naar maatstaven van billijkheid, gelet op de bovenomschreven ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer, gedeeltelijk toewijsbaar is tot een bedrag van EUR 100,--. In hetgeen de raadsvrouwe heeft aangevoerd ziet het hof geen redenen om tot een andere beslissing te komen.

De ouders van de verdachte zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof zal de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering betreffende de immateriële schadevergoeding, voor zover deze het bedrag van EUR 100,-- te boven gaat, omdat het hof van oordeel is dat behandeling van dat onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De ouders van de verdachte zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof ter zake het toegewezen bedrag niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Ingevolge artikel 36f, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht kan de schadevergoedingsmaatregel enkel worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar civielrechtelijke criteria aansprakelijk is voor de door het strafbare feit toegebrachte schade. Nu verdachte ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van 14 jaren nog niet had bereikt en verdachte naar burgerlijk recht, ex artikel 6:164 van het Burgerlijk Wetboek, niet aansprakelijk is voor de schade ontstaan door het bewezenverklaarde feit, kan geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 266, 267 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-261690-14 en in de zaak met parketnummer 01-264285-14 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-261690-14 en in de zaak met parketnummer 01-264285-14 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de volledige proeftijd stelt onder toezicht van de Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook indien dit inhoudt het volgen van het thans ingezette MDFT traject bij Bijzonder Jeugdwerk Brabant.

Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Vordering van de [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-261690-14 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 155,31 (honderdvijfenvijftig euro en eenendertig cent) bestaande uit

EUR 55,31 (vijfenvijftig euro en eenendertig cent) materiële schade en EUR 100,00 (honderd euro) immateriële schade en veroordeelt de ouders van de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de ouders van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. J.H. Wesselink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. van der Linden, griffier,

en op 11 november 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.H. Wesselink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.