Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:564

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
HD 200.161.856_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incident ex artikel 351 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.161.856/01

arrest van 17 februari 2015

gewezen in het incident ex art. 351 in de zaak van

1 Maatschap [maatschap],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats],

3. [appellante 3],
wonende te [woonplaats],

appellanten in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. R.Ph.E.M. Cratsborn te Meerssen,

tegen

Loon en Transportbedrijf [loon en transportbedrijf] V.O.F. ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. A.N. Gras te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 december 2014 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant gewezen vonnis van 4 december 2014 tussen appellanten – hierna in enkelvoud [appellant] – als gedaagden en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2519880 13-14839)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 24 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het procesdossier in eerste aanleg;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 25 maart 2014.

Van de zijde van [appellant] is geen memorie van antwoord in het incident genomen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] betaling van facturen van in totaal € 13.078,39 met rente alsmede betaling van een bedrag van € 905,78 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten van [appellant] gevorderd, alsmede een proceskostenveroordeling. [appellant] heeft gevorderd, voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] worden toegewezen, zijn vordering op [geïntimeerde] met de vordering van [geïntimeerde] te mogen verrekenen.

3.2.

Bij het bestreden vonnis is [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 13.711,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over 12.808,39 vanaf 5 november 2013. Tevens is [appellant] veroordeeld in de proceskosten en nakosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft het beroep van [appellant] op verrekening afgewezen.

3.3.

[appellant] vordert, naar het hof begrijpt, op grond van artikel 351 Rv schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat in hoger beroep einduitspraak is gedaan.

3.4.

Voor toewijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv is plaats in geval van misbruik van recht, dan wel in het geval een afweging van de belangen van partijen in het licht van nieuwe – door eiseressen in het incident te stellen – omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Als nieuwe omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven.

3.5.

[appellant] heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat het bestreden vonnis op een kennelijke juridische en feitelijk misslag berust omdat de kantonrechter de verklaringen van [appellant] over de foto’s op de comparitie van partijen op 24 maart 2014 en het verweer dat niet alle grond door [geïntimeerde] is gezeefd, niet mee heeft genomen in zijn oordeel over de bewijsopdracht van [geïntimeerde] en omdat de kantonrechter ten aanzien van de bewijsopdracht van [appellant] een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de verklaring van [getuige]. De kantonrechter had, mede gelet op het voorgaande, niet tot het oordeel kunnen komen dat [geïntimeerde] wel en [appellant] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd.

3.6.

Het hof stelt voorop dat indien vast zou komen te staan dat het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijk misslag berust, zoals [appellant] stelt, executie van dat vonnis misbruik van recht zou kunnen opleveren zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.4 bedoeld. Van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag is evenwel pas sprake wanneer evident is dat het bestreden vonnis op een vergissing berust. In het geval dat ook een andere beslissing mogelijk was geweest, is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag.

Van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen sprake. Mede gelet op de door [geïntimeerde] gevoerde verweren en het door [geïntimeerde] geleverde bewijs kan niet worden gezegd dat de kantonrechter klaarblijkelijk de plank heeft misgeslagen door te oordelen dat [geïntimeerde] in haar bewijsopdracht is geslaagd, te overwegen dat voldoende is komen vast te staan dat de grond na levering door [geïntimeerde] is gezeefd en te overwogen dat niet is komen vast te staan dat [appellant] met [geïntimeerde] is overeengekomen dat gecomposteerde zeefgrond geleverd zou worden. De bezwaren van [appellant] tegen de desbetreffende overwegingen en oordelen zullen aan de orde kunnen komen in de hoofdzaak. Met hetgeen [appellant] aanvoert over de bewijsopdracht van [appellant] (in het bijzonder de verklaring van [getuige]) stelt zij wederom de bewijswaardering door de kantonrechter aan de orde, maar voor een echte inhoudelijk beoordeling daarvan is, zoals hiervoor reeds is overwogen, in het kader van dit incident geen plaats. Bovendien dient de kans van slagen van het door [appellant] ingestelde hoger beroep in dit stadium buiten beschouwing te blijven.

3.7.

[appellant] heeft geen nieuwe, na het vonnis voorgevallen omstandigheden aangevoerd, die niet al in eerste aanleg zijn aangevoerd en ook niet hadden kunnen worden aangevoerd. Dergelijke omstandigheden zijn het hof ook niet anderszins gebleken. Een belangenafweging kan daarom niet in het voordeel van [appellant] uitvallen. De vordering moet worden afgewezen.

3.8.

De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.9.

De zaak is door de rolraadsheer naar de rol van 10 maart 2015 verwezen voor het nemen van de memorie van grieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verstaat dat de zaak naar de rol van 10 maart 2015 is verwezen voor memorie van grieven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 februari 2015.