Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5421

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
19-01-2016
Zaaknummer
HD 200.128.482_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:1197, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.482/01

arrest van 29 december 2015

in de zaak van

[appellant],

hierna “ [appellant] ”,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. A. Schmidt te Roermond,

tegen

1 [geïntimeerde 1] , h.o.d.n. " [geïntimeerde 1] Advocatuur",
hierna “ [geïntimeerde 1] ”,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. De maatschap Maatschap [geïntimeerde 2] Advocaten,
hierna “ [geïntimeerde 2] Advocaten”,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tri Toga II B.V.,
hierna “Tri Toga II”,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden,

hierna ook gezamenlijk aan te duiden als “ [geïntimeerden] ”,

advocaat: mr. V.J.N. van Oijen te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 december 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg onder zaaknummer C/03/174050/HA ZA 12-334 gewezen vonnis van 20 maart 2013.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 30 december 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 2 april 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête van 9 juni 2015;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] ;

  • -

    de memorie na enquête van [geïntimeerden]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest van 30 december 2014 heeft het hof geoordeeld dat de vordering van [appellant] jegens [geïntimeerde 2] Advocaten en jegens Tri Toga II dient te worden verworpen. Het hof volhardt bij dit oordeel.

6.2.

Voorts is [appellant] toegelaten te bewijzen dat

(i) hij met [geïntimeerde 1] is overeengekomen dat zij hem zou adviseren aangaande de mogelijkheden inzake de afbouw door een derde en de afbouwgarantie van de garantieregeling van BouwGarant;

(ii) [geïntimeerde 1] in januari 2001 aan [appellant] heeft meegedeeld dat er geen overleg met of toestemming van BouwGarant vereist was voor het op eigen gelegenheid inschakelen van een derde;
en/of dat

(iii) [geïntimeerde 1] [appellant] heeft geadviseerd de bouwwerkzaamheden door een derde te laten uitvoeren.

[appellant] heeft daartoe als getuigen doen horen zichzelf en zijn echtgenote, [echtgenote appellant] (hierna “ [echtgenote appellant] ”). In contra-enquête is [geïntimeerde 1] als getuige voorgebracht.

6.3.

[appellant] heeft als getuige onder meer verklaard dat op 8 december 2000 een gesprek is gevoerd tussen G-Bouw en mr. [advocaat 2] en [appellant] , [echtgenote appellant] en [geïntimeerde 1] over een aantal tussen G-Bouw en Heinen spelende kwesties. [appellant] , [echtgenote appellant] en [geïntimeerde 1] hebben dit gesprek nog nabesproken op het kantoor van [geïntimeerde 1] . [appellant] heeft tijdens dit gesprek aan [geïntimeerde 1] gevraagd hoe het nu verder ging met BouwGarant en daarbij gezegd dat er gewacht moest worden op het faillissement van G-Bouw. [geïntimeerde 1] heeft hierop gezegd dat dit faillissement eraan zat te komen. Voorts heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] gevraagd welke problemen hij met BouwGarant kon verwachten en of [appellant] mocht afbouwen. [appellant] denkt althans dat de naam BouwGarant is gevallen, zo heeft hij verklaard, omdat hij dit afleidt uit de inhoud van de brief die hij na dit gesprek meteen heeft geschreven. Deze brief is in de procedure gebracht (als productie 13 bij inleidende dagvaarding, zo begrijpt het hof). [appellant] gaat er vanuit dat hij heeft gezegd dat er moest worden uitgekeken dat het bij BouwGarant niet werd verpest. Volgens [appellant] is toen ook besproken of [appellant] G-Bouw failliet moest laten gaan of dat hij daarmee zijn vordering jegens G-Bouw juist zou laten lopen, waarmee [appellant] heeft bedoeld dat er voor hem na een faillissement van G-Bouw niets meer te vorderen was. [appellant] wilde G-Bouw behouden als partij zodat hij daar zijn vordering neer kon leggen en met G-Bouw een regeling kon treffen. Op 13 december 2000 heeft [geïntimeerde 1] volgens [appellant] aan hem bevestigd dat G-bouw formeel ging stoppen per 1 januari 2001en dat het vrijwel zeker was dat het faillissement eraan kwam. [appellant] heeft [geïntimeerde 1] toen gevraagd hoe het verder zou gaan en of er zou moeten worden gewacht op het faillissement. [appellant] had inmiddels contact met aannemer [vertegenwoordiger aannemer] van [aannemer] die de bouw graag wilde afmaken. [geïntimeerde 1] heeft hierop naar de verklaring van [appellant] gezegd dat [appellant] in een storm zat met zijn gezin en dat niemand bij BouwGarant er bezwaar tegen kon hebben als [appellant] de werkzaamheden weer op zou pakken. Niemand kon redelijkerwijs van [appellant] verwachten dat [appellant] en zijn gezin nog langer in hun noodonderkomen zouden blijven en dat [appellant] gerust de werkzaamheden kon hervatten. Ook heeft [geïntimeerde 1] volgens [appellant] gezegd dat BouwGarant blij moest zijn dat kosten bespaard bleven betreffende de uitkering van de claim zoals renteverlies en dergelijke. BouwGarant zou het oppakken van de werkzaamheden alleen maar toejuichten. [appellant] moest zich geen zorgen maken. Ten slotte heeft [geïntimeerde 1] tegen [appellant] in dit gesprek gezegd dat zij de aanvraag en de afhandeling bij BouwGarant zou doen, omdat zij dan toch nog iets voor [appellant] kon betekenen. [appellant] heeft nog nader verklaard dat [geïntimeerde 1] hem de toezegging heeft gedaan dat [geïntimeerde 1] het zou regelen als er een faillissement zou komen en [appellant] op haar verantwoording kon beginnen met de afbouw en dat het goed zou komen, waarbij [geïntimeerde 1] heeft gerefereerd aan het feit dat [appellant] al lang in zijn noodverblijf zat. [appellant] heeft [geïntimeerde 1] de voorwaarden van BouwGarant overhandigd, althans haar een map gegeven met alle informatie. [appellant] gaat er naar zijn verklaring vanuit daarbij expliciet op de voorwaarden van BouwGarant te hebben gewezen, omdat hij erg gedetailleerd is, maar zegt ook dat niet meer te weten. [geïntimeerde 1] heeft [appellant] gezegd bouwkwesties te behandelen en de betreffende kennis in haar hoofd te hebben, aldus [appellant] toto slot.

6.4.

[echtgenote appellant] heeft verklaard dat zij aanwezig is geweest bij alle gesprekken die [appellant] met [geïntimeerde 1] heeft gevoerd. Volgens [echtgenote appellant] heeft [geïntimeerde 1] bij het eerste gesprek gezegd dat [appellant] goed verzekerd was bij BouwGarant. Na een eerder gesprek op 8 december 2000 hebben [appellant] en [echtgenote appellant] nogmaals gesproken met [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 1] heeft toen gezegd dat zij konden kijken naar een andere aannemer om de woning af te bouwen en dat [geïntimeerde 1] er achteraan zou gaan bij BouwGarant voor de verzekering, zodat kon worden gestart met het afmaken van de bouw. [geïntimeerde 1] zou de kwestie met BouwGarant in orde maken en dat was volgens [geïntimeerde 1] , zo heeft [echtgenote appellant] voorts verklaard, nog maar een formaliteit. [appellant] , die bedenkingen daarover had, heeft [geïntimeerde 1] gevraagd of het verantwoord was een andere aannemer te raadplegen om verder te gaan met de bouw. [geïntimeerde 1] heeft hierop gezegd dat zij zou zorgen voor de afhandeling met BouwGarant en dat [appellant] en [echtgenote appellant] moesten zorgen voor een andere aannemer, zodat de bouw zo spoedig mogelijk van start zou gaan. [geïntimeerde 1] heeft volgens [echtgenote appellant] ook gezegd dat [appellant] en [echtgenote appellant] een andere aannemer konden contracteren en dat BouwGarant dat alleen maar zou toejuichen, omdat anders de kosten steeds hoger op zouden lopen. [echtgenote appellant] staat verder nog bij dat [appellant] en [echtgenote appellant] [geïntimeerde 1] voor de kerstvakantie nog een keer op haar kantoor hebben gesproken en dat [geïntimeerde 1] toen heeft gezegd dat BouwGarant haar pakkie an was, zo heeft [echtgenote appellant] ook nog verklaard.

6.5.

[geïntimeerde 1] heeft verklaard dat haar bijstand is verzocht ter zake van het geschil dat tussen [appellant] en BouwGarant was ontstaan. In dat kader hebben meerdere besprekingen plaatsgevonden. De vraag of door [appellant] een beroep op de garantieregeling moest worden gedaan kwam volgens [geïntimeerde 1] pas na het faillissement van G-Bouw aan de orde. [appellant] had [geïntimeerde 1] hiervoor naar haar verklaring eigenlijk niet ingeschakeld. Tijdens een eerdere bespreking over een voorstel van de advocaat van G-Bouw was al wel over deze garantieregeling gesproken. [appellant] heeft [geïntimeerde 1] toen gezegd dat hij contact had gehad met het garantie-instituut Woningbouw (het hof begrijpt: BouwGarant) en dat [appellant] van de zijde van het garantie-instituut Woningbouw was meegedeeld dat de afbouwgarantieregeling pas in werking zou treden in geval van faillissement. Omdat een faillissement van G-Bouw nog niet speelde, is toen verder alleen over een tegenvoorstel aan G-Bouw of het aanspannen van een arbitrageprocedure tegen G-Bouw gesproken. [geïntimeerde 1] was op het moment waarop na het faillissement van G-Bouw de garantieregeling weer aan de orde kwam niet op de hoogte van het feit dat [appellant] al met de bouw was doorgegaan. [geïntimeerde 1] heeft het Garantie-instituut Woningbouw vervolgens aangeschreven , waarop de claim werd afgewezen, omdat de kwestie niet tijdig was gemeld. [geïntimeerde 1] had eerder, nadat zij uit een brief van 17 oktober 2000 van ARAG aan mr. [geïntimeerde 2] (productie 1 bij inleidende dagvaarding) had begrepen dat [appellant] een andere aannemer op bezoek zou krijgen, die de werkzaamheden mogelijk zou afmaken, aan [appellant] gezegd dat hij best een offerte mocht laten uitbrengen – die zou zelfs kunnen bijdragen aan een schadevaststelling – , maar absoluut geen opdracht mocht geven, omdat de eerste overeenkomst nog niet rechtsgeldig was beëindigd en ter voorkoming van perikelen over de financiële verplichtingen. [appellant] heeft [geïntimeerde 1] naar haar verklaring niet gezegd dat hij toch doorging met het gunnen van de opdracht. [geïntimeerde 1] heeft tijdens het getuigenverhoor na confrontatie met de stellingen en verklaring van [appellant] stellig ontkend te hebben gezegd dat een andere aannemer aan de slag kon en in januari 2001 te hebben meegedeeld dat er geen overleg met of toestemming van BouwGarant vereist was voor het op eigen gelegenheid inschakelen van een derde. Naar haar stellingen hield [appellant] zelf contact met garantie-instituut Woningbouw en lag ter zake geen vraag voor.

6.6.

[appellant] is belast met het leveren van bewijs van voormelde probanda. Omdat [appellant] partij is in onderhavig geschil, kan de door [appellant] als getuige afgelegde verklaring alleen bewijs in zijn voordeel opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt. Dit aanvullend bewijs kan voorhanden zijn met de verklaring van [echtgenote appellant] , zij het dat [echtgenote appellant] de echtgenote van [appellant] is en daarmee belanghebbende, zodat haar verklaring in dit licht gewogen moet worden. Daar [geïntimeerde 1] geen bewijslast draagt, geldt voormelde voor de verklaring van [appellant] geldende waarderingsregel niet voor haar verklaring. Daarvan uitgaande overweegt het hof dat van de zijde van [appellant] onvoldoende naar voren is gebracht om de eerste twee probanda bewezen te oordelen. Hetgeen van de zijde van [appellant] naar voren is gebracht ten aanzien van het derde probandum is weliswaar geloofwaardig en ter zake dienend, maar is zodanig tegengesproken door de op zich eveneens geloofwaardige verklaring van [geïntimeerde 1] , dat dit probandum evenmin bewezen wordt geoordeeld.

6.7.

Omdat [appellant] niet is geslaagd in voormelde bewijsopdracht, komt zijn vordering jegens [geïntimeerde 1] niet voor toewijzing in aanmerking. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt.

6.8.

Het betreden vonnis van 20 maart 2013 zal, zij het op andere gronden, worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 1.862,- aan verschotten (griffierecht) en € 4.077,50 aan kosten advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op
€ 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, E.K. Veldhuijzen van Zanten en J.J. Verhoeven is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 december 2015.

griffier rolraadsheer