Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5416

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
HD 200 157 892_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2361
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is sprake geweest van verkoop softdrugs vanuit huurwoning? Alvorens die vraag te beantwoorden, wil het hof beschikken over de processen-verbaal van de politieverhoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.157.892/01

arrest van 29 december 2015

in de zaak van

Woningstichting Heemwonen,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Heemwonen,

advocaat: mr. C.J.P. Schellekens te Best,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. J.P.H. Timmermans te Beek, Limburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het mondeling tussenvonnis van 15 augustus 2013 en het eindvonnis van 16 juli 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen Heemwonen als eiseres en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 526151 CV EXPL 13-3970)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met vier grieven en 15 producties (waarvan de producties 2 tot en met 15 het processtukken van het geding in eerste aanleg zijn);

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Heemwonen heeft met ingang van 1 augustus 1991 de woning aan de [adres ] te [plaats] verhuurd aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Artikel 6.1 van de huurovereenkomst luidt als volgt:

“De woning is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte voor huurder en zijn/jaar gezin. Huurder verplicht zich de woning waarin begrepen alle aanhorigheden, overeenkomstig de bestemming te gebruiken en deze bestemming niet te veranderen.”

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in de loop van 2012 een huurachterstand laten ontstaan. In verband daarmee hebben zij op 7 december 2012 een betalingsregeling getroffen met Heemwonen. De betalingsachterstand hebben zij in de daarop volgende maanden ingelopen.

Heemwonen heeft een rapport van de politie van 19 maart 2013 overgelegd. In dat rapport staat onder meer het volgende:

“Op maandag 18 maart 2013 is door ambtenaren van de politie basiseenheid [basiseenheid] een onderzoek ingesteld naar de mogelijke handel in verdovende middelen vanuit perceel [adres ] te [plaats] .

(…)

Op maandag 18 maart 2013 werd de woning, gelegen aan de [adres ] te [plaats] , onder observatie genomen.

Klant 1

Naar aanleiding van deze observatie werd een “klant” van perceel [adres ] te [plaats] aangehouden als verdachte terzake bezit soft-drugs.

De aangehouden verdachte gaf op te zijn:

Achternaam :

[verdachte 1]

(…)

[verdachte 1] bleek in het bezit van 1 gripzakje, inhoudende 1,32 gram (netto) hennep.

Verdachte [verdachte 1] verklaarde tijdens het politieverhoor onder andere dat:

- de woning in de straat van [adres ] ligt.

- hij het huisnummer niet weet.

- hij een omschrijving van de woning geeft.

- hij voor 10 Euro wiet gekocht had.

- hij schat dat het gewicht 1 a 2 gram was.

- hij al ongeveer een half jaar koopt op dit adres.

- de vader en de moeder de wiet verkopen.

- de vader [roepnaam geintimeerde 1] en de moeder [roepnaam geintimeerde 2] heet.

- de signalementen van [roepnaam geintimeerde 1] en [roepnaam geintimeerde 2] .

- hij vandaag hij [roepnaam geintimeerde 1] gekocht had.

- de wiet uit een keukenkastje komt. Het kastje boven de afzuigkap.

- hij er 1 a 2 keer per week wiet koopt.

Opmerking rapporteur:

De verdachte gaf een omschrijving van perceel [adres ] te

[plaats] .

De opgegeven signalementen van de verkopers van de hennep komen overeen met die van de hoofdbewoners [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

Klant 2

Naar aanleiding van deze observatie werd een “klant” van perceel [adres ]

te [plaats] aangehouden als verdachte terzake bezit soft-drugs.

De aangehouden verdachte gaf op te zijn:

Achternaam : [verdachte 2]

(…)

[verdachte 2] bleek in het bezit van 1 gripzakje, inhoudende 1,26 gram (netto) hennep.

Verdachte [verdachte 2] verklaarde tijdens het politieverhoor onder andere dat

- de woning in de straat van [adres ] ligt.

- hij het huisnummer niet weet.

- hij een omschrijving van de woning geeft.

- hij voor 10 Euro wiet gekocht had bij een vrouw.

- hij als signalement van de verkoopster opgaf, blond, midden 40, korte haren tot op

de schouder, normaal postuur.

- hij al ongeveer sedert een half jaar dan wel driekwart jaar wiet koopt op genoemd

adres.

- hij ongeveer 2 keer per week wiet koopt.

- hij normaal altijd bij de vrouw of de man wiet koopt.

- de man als signalement heeft, ongeveer 1.70 meter, korte haren, stevig postuur,

ongeveer 40 a 50 jaar oud, mogelijk rode haren.

- de vrouw de hennep pakt uit een bovenkastje boven een afwasmachine.

Opwerking rapporteur:

De verdachte gaf een omschrijving van perceel [adres ] te

[plaats] .

De opgegeven signalementen van de verkopers van de hennep komen overeen met die van de hoofdbewoners [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

Binnenreden [adres ] te [plaats]

Op maandag 18 maart 2013 te 19:50 uur werd de woning [adres ] te [plaats] betreden en werden aansluitend de hoofdbewoners [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aangehouden terzake overtreding van de Opiumwet, namelijk handel soft-drugs.

In de woning werd een zoeking verricht. Tijdens deze zoeking werd inbeslaggenomen:

- 4 gripzakjes, inhoudende totaal 0,28 gram hennep.

Verhoor bewoner [geïntimeerde 1]

Tijdens het politieverhoor verklaarde [geïntimeerde 1] onder andere dat:

- hij wel eens enkele zakjes hennep verkocht had aan bekenden.

- de prijs per zakje vijf Euro of 10 Euro was.

- dit lag aan de hoeveelheid hennep per zakje.

- hij die enkele zakjes over de afgelopen maand verkocht heeft.

- hij niet wenst te verklaren van wie hij zelf de hennep koopt.

- als iemand koopt dat het dan uit een zak gehaald wordt.

- deze zak ligt in een aanrechtkastje of dressoir.

Verhoor bewoner [geïntimeerde 2]

- [geïntimeerde 2] beriep zich op haar zwijgrecht.

Opmerking rapporteur:

Hennep is een stof als genoemd op lijst II behorende tot de Opiumwet.”

De Officier van Justitie heeft op 19 maart 2013 aan [geïntimeerde 1] en aan [geïntimeerde 2] elk een strafbeschikking (geldboete) ten bedrage van € 150,-- opgelegd ter zake: “Tweemaal verkoop soft drugs, gepleegd op 18-03-2013 te [plaats] ”. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben deze strafbeschikkingen op of omstreeks 19 maart 2013 voldaan door betaling van de twee bedragen van € 150,--.

Bij brief van 23 april 2013 heeft de advocaat van Heemwonen aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] meegedeeld dat de politie op 18 maart 2013 heeft geconstateerd dat vanuit de woning in softdrugs wordt gehandeld en dat Heemwonen vanwege die handel in softdrugs de huurovereenkomst wil beëindigen. De advocaat van Heemwonen heeft [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de brief de gelegenheid gegeven om de huurovereenkomst zelf op te zeggen, om zo een gerechtelijke procedure te voorkomen.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde Heemwonen in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot ontruiming van de woning.

Aan deze vordering heeft Heemwonen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nakoming van de huurovereenkomst tekort geschoten zijn door vanuit de woning in softdrugs te handelen. Volgens Heemwonen is gelet op die tekortkoming niet van haar te vergen de huurovereenkomst nog te laten voortduren.

3.2.2.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.

Bij gelegenheid van de in het geding in eerste aanleg gehouden comparitie na antwoord van 15 augustus 2013, heeft de kantonrechter een mondeling tussenvonnis gewezen. Bij dat mondeling tussenvonnis heeft de kantonrechter Heemwonen opgedragen om te bewijzen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tekort zijn geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door vanuit het gehuurde in softdrugs te handelen.

3.2.4.

In het eindvonnis van 16 juli 2014 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Heemwonen slechts in beperkte mate in de bewijslevering geslaagd is en dat de tekortkoming van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nakoming van de huurovereenkomst, gelet op haar geringe betekenis, de ontbinding van de huurovereenkomst en de daaraan verbonden veroordeling tot ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigt.

Op grond van dit oordeel heeft de kantonrechter de vordering van Heemwonen afgewezen en Heemwonen in de proceskosten veroordeeld.

3.3.1.

Heemwonen heeft in principaal hoger beroep vier grieven aangevoerd. Heemwonen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot ontruiming van de woning, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten.

3.3.2.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot, zakelijk weergegeven, bekrachtiging van de beroepen vonnissen met veroordeling van Heemwonen in de proceskosten.

Naar aanleiding van grief I in principaal hoger beroep

3.4.1.

Grief I in principaal hoger beroep is gericht tegen het mondeling tussenvonnis van 15 augustus 2013. Volgens Heemwonen heeft de kantonrechter bij dat vonnis ten onrechte een bewijsopdracht aan Heemwonen gegeven. In de toelichting op de grief voert Heemwonen naar de kern genomen aan dat zij met het door haar bij de inleidende dagvaarding overgelegde politierapport al bewijs had geleverd voor haar stelling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nakoming van de huurovereenkomst tekort zijn geschoten door vanuit het gehuurde softdrugs te verkopen. Volgens Heemwonen hadden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ten tijde van het wijzen van het mondeling tussenvonnis de stelling van Heemwonen onvoldoende gemotiveerd betwist. Heemwonen concludeert dat de kantonrechter de vorderingen van Heemwonen meteen had moeten toewijzen of [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] had moeten opdragen om tegenbewijs te leveren.

3.4.2.

Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter de vorderingen van Heemwonen op goede gronden niet meteen na de comparitie van partijen toegewezen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in de conclusie van antwoord en tijdens de comparitie van partijen immers gemotiveerd betwist dat zij (anders dan bij gelegenheid van een eenmalig niet relevant geval) vanuit het gehuurde softdrugs hebben verkocht. Daarnaast hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan het slot van de conclusie van antwoord bewijs aangeboden van hun stellingen. De kantonrechter had de vorderingen van Heemwonen dus in elk geval niet meteen kunnen toewijzen zonder [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot de levering van tegenbewijs toe te laten.

3.4.3.

Bij een antwoord op de vraag of de kantonrechter bij gelegenheid van het tussenvonnis Heemwonen had moeten opdragen om nader bewijs te leveren, dan wel de stellingen van Heemwonen voorshands bewezen had moeten achten en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] had moeten opdragen om tegenbewijs te leveren, heeft Heemwonen naar het oordeel van het hof geen belang. In de onderhavige zaak is immers beslissend of Heemwonen, mede gelet op de getuigenverhoren die na het mondeling tussenvonnis hebben plaatsgevonden, wel of niet geslaagd kan worden geacht in het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nakoming van de huurovereenkomst tekort zijn geschoten door vanuit het gehuurde (vaker dan het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] erkende eenmalige geval) softdrugs te verkopen. Hoe het voorlopig bewijsoordeel ten tijde van het tussenvonnis had moeten luiden, is niet relevant meer. Grief I is hiermee voldoende besproken.

Naar aanleiding van grief II in principaal hoger beroep

3.5.1.

De kantonrechter heeft in rov. 2.1 van het eindvonnis de overweging uit het mondelinge tussenvonnis, waarin de bewijsopdracht aan Heemwonen was opgenomen, geciteerd. In rov. 2.2 van het eindvonnis heeft de kantonrechter daar het volgende op laten volgen:

“In deze overweging ligt besloten dat, indien omtrent de omvang van de verkoop van softdrugs door gedaagden vanuit het gehuurde niet meer komt vast te staan dan waarvoor op 15 augustus 2013 reeds aanwijzingen bestonden, de vordering dient te worden afgewezen.”

3.5.2.

Heemwonen is tegen deze overweging opgekomen met grief II in principaal hoger beroep. Door deze grief wordt de vraag aan de orde gesteld welke feiten moeten komen vast te staan om toewijzing van de vordering te rechtvaardigen. Mede gelet op het feit dat Heemwonen uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof wil voorleggen (punt 9 van de dagvaarding in hoger beroep), moet deze grief geacht worden mede gericht te zijn tegen de wijze waarop de bewijsopdracht in het proces-verbaal van de comparitie van partijen is geformuleerd, althans tegen de uitleg die de kantonrechter in het eindvonnis aan de bewijsopdracht heeft gegeven.

3.5.3.

Naar het oordeel van het hof moet de door Heemwonen te bewijzen stelling aldus worden geformuleerd: dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de periode voorafgaand aan de politie-inval van 18 maart 2013 regelmatig (derhalve vaker dan het eenmalige geval waarover [geïntimeerde 1] bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft verklaard) vanuit de woning in softdrugs hebben gehandeld. Grief II in principaal hoger beroep is hiermee voldoende besproken.

Naar aanleiding van grief III in principaal hoger beroep

3.6.1.

Grief III in principaal hoger beroep is gericht tegen rov. 2.3 van het eindvonnis. In die rechtsoverweging heeft de kantonrechter:

 bewezen geacht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] “enkele malen een zakje met 1 à 2 gram wiet voor een prijs van € 5 à € 10 hebben verkocht”;

 geoordeeld dat dit een tekortkoming van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert;

 geoordeeld dat die tekortkoming, gelet op haar geringe betekenis, de ontbinding van de huurovereenkomst met het daaraan verbonden gevolg van ontruiming van de woning niet rechtvaardigt.

3.6.2.

In de toelichting op de grief betoogt Heemwonen, samengevat:

 dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet slechts “enkele malen” softdrugs hebben verkocht vanuit de woning, maar structureel meerdere malen per week gedurende minimaal zes maanden;

 dat de daarin besloten liggende tekortkoming van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nakoming van de huurovereenkomst van groter gewicht is dan door de kantonrechter is aangenomen;

 dat niet geoordeeld kan worden dat de tekortkoming van zodanig geringe aard is dat zij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigt.

3.6.3.

In hun reactie op de grief hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gesteld dat zij vanuit de woning nimmer softdrugs hebben verkocht, afgeleverd of verstrekt, behoudens dan één keer, waarbij zij in de woning aan een vriend van hun zoon tegen betaling een kleine gebruikershoeveelheid hebben verstrekt. Zij concluderen dat van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst geen sprake is althans, voor zover in die ene handeling een tekortkoming besloten ligt, die tekortkoming gezien haar geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

3.6.4.

Ter beantwoording van de vraag of [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vaker dan het door hen erkende geval softdrugs hebben verkocht vanuit de woning, en zo ja in welke frequentie dat dan het geval is geweest, moet het door Heemwonen geleverde bewijs en het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geleverde tegenbewijs worden beoordeeld. Bewijs voor de door Heemwonen gestelde handel in softdrugs ligt allereerst besloten in het politierapport 19 maart 2013 (zie hiervoor, rov. 3.1 sub c). Ter levering van nader bewijs heeft Heemwonen twee getuigen laten horen, te weten [brigadier van politie] , brigadier van politie, en [politieagent in opleiding] , politieagent in opleiding. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben ter levering van tegenbewijs zelf als partijgetuigen verklaringen afgelegd en nog zes andere getuigen laten horen, te weten:

 [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), zoon van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;

 [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), zoon van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;

 [getuige 3] , vriend van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;

 [getuige 4] , vriendin van en samenwonend met [getuige 1] ;

 [getuige 5] , vriend van [geïntimeerde 1] ;

 [getuige 6] , vriendin van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

3.6.5.

Alvorens het geleverde bewijs en tegenbewijs te waarderen, wenst het hof te beschikken over:

 het proces-verbaal van het verhoor van de in het politierapport van 19 maart 2013 genoemde verdachte [verdachte 1] , welk verhoor op 18 maart 2013 heeft plaatsgevonden;

 het proces-verbaal van het verhoor van de in het politierapport van 19 maart 2013 genoemde verdachte [verdachte 2] , welk verhoor op 18 maart 2013 heeft plaatsgevonden;

 het proces-verbaal dat de politie heeft opgemaakt van het verhoor van [geïntimeerde 1] op 18 en/of 19 maart 2013.

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om Heemwonen in de gelegenheid te stellen deze processen-verbaal bij de politie op te vragen en bij akte na tussenarrest in het geding te brengen. Heemwonen kan in de door haar te nemen akte desgewenst nog een korte toelichting geven op de inhoud van de processen-verbaal. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] kunnen daarna bij antwoordakte kort reageren.

3.6.6.

Het hof zal elk verder oordeel over grief 3 nu aanhouden.

Naar aanleiding van de grief in incidenteel hoger beroep

3.7.

Het hof zal elk oordeel over de grief in incidenteel hoger beroep aanhouden.

Naar aanleiding van grief IV in principaal hoger beroep

3.8.

Het hof zal elk oordeel over grief IV in principaal hoger beroep aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 26 januari 2016 voor een akte na tussenarrest aan de zijde van Heemwonen, met het hiervoor in rov. 3.6.5 omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, O.G.H. Milar en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 december 2015.

griffier rolraadsheer