Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5335

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
HD 200.168.344_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:7414, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verstrekken onjuiste gegevens ten behoeve van hypotheekaanvraag. Registratie in incidentenregister en externe verwijzingsregister SFH.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.168.344/01

arrest van 22 december 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.M.P.M. Lousberg te Amsterdam,

tegen

Obvion N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Obvion,

advocaat: mr. B. Lynen te Kerkrade,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 december 2014 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis in kort geding van 14 november 2014 tussen [appellante] als eiseres en Obvion als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/284588/KG ZA 14-632)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties 11 t/m 19;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 21 t/m 25;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door mr. Lousberg bij brief van 23 oktober 2015 op voorhand toegezonden producties 20 t/m 24, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan voorshands worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellante] is op 1 november 2013 in dienst getreden van Reldair B.V. (hierna: Reldair). De heer [directeur Reldair] is (enig) aandeelhouder en statutair directeur van Reldair. [appellante] en [directeur Reldair] hebben een affectieve relatie met elkaar. Zij wonen niet samen.

  2. In mei 2014 heeft [appellante] een woning in [woonplaats] gekocht voor een koopprijs van

€ 410.000,- kosten koper (prod. 20 Obvion).

Op 9 mei 2014 heeft Obvion een elektronisch aanvraagformulier (prod. 1 Obvion) ontvangen van de voor [appellante] optredende tussenpersoon [tussenpersoon] van HypotheekNet/ [bedrijf tussenpersoon] (hierna: de tussenpersoon). Daarmee wordt een aanvraag gedaan voor een hypothecaire geldlening van € 421.553,- ter zake de door [appellante] gekochte woning.

Op 12 mei 2014 heeft Obvion een offerte aan [appellante] uitgebracht voor de verzochte hypothecaire geldlening van € 421.553,- (prod. 2 Obvion). In de offerte staat vermeld dat [appellante] Obvion in het bezit moet stellen van een aantal bescheiden, waaronder een werkgeversverklaring, een recente salarisstrook en een kopie van de arbeidsovereenkomst. Verder staat op bladzijde 11 van de offerte onder meer vermeld:

‘Deze offerte wordt gedaan onder voorhoud dat alle door ons opgevraagde en overige relevante informatie aangaande het onderpand en de aanvrager(s) geheel tot ons genoegen is. Hieronder is mede begrepen alle informatie uit openbare bron of informatie met betrekking tot het onderpand en de aanvrager(s) die ons op welke wijze dan ook bereikt.

Daaronder wordt tevens begrepen (...) de opgevraagde/op te vragen informatie uit het systeem van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH) (...). Indien blijkt dat de aanvrager(s), in welke vorm dan ook, fraude pleegt (plegen) of tracht(en) te plegen, al dan niet in samenwerking met meerdere personen, worden de gegevens van de aanvrager/fraudeur(s) (...) in het SFH-systeem (...) geregistreerd als een zogenaamde persoonsregistratie, mede ten behoeve van derden.

(...)

Deze offerte wordt tevens gedaan onder het voorbehoud dat aanvrager(s) alle informatie die van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag voor onderhavige hypothecaire lening aan ons bekend heeft (hebben) gemaakt.’

Op 22 mei 2014 heeft [appellante] de offerte voor akkoord ondertekend.

Daarnaast heeft [appellante] stukken naar de tussenpersoon gestuurd waarom Obvion had verzocht. Bij e-mail van 2 juni 2014 (prod. 21 mva) heeft de tussenpersoon deze stukken doorgestuurd naar Obvion. Aldus ontving Obvion onder meer de eerste bladzijde van de tussen [appellante] en Reldair gesloten arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring van Reldair en de salarisstrook van [appellante] over mei 2014 (prod. 3 t/m 5 Obvion).

Bij e-mail van 12 juni 2014 (prod. 6 Obvion) heeft Obvion de tussenpersoon verzocht om aanvullende stukken, te weten:

- de volledige bankafschriften van [appellante] vanaf 1 november 2013 t/m 12 juni 2014;

- haar salarisstroken over de afgelopen zes maanden.

Daarop heeft [appellante] haar salarisstroken over de maanden november 2013 t/m april 2014 (prod. 8 Obvion) aan de tussenpersoon verstrekt.

Daarnaast heeft [directeur Reldair] op 16 juni 2014 een e-mail met bijlagen naar de tussenpersoon gestuurd, die cc naar [appellante] is verzonden (prod. 7 Obvion). In de e-mail staat:

‘In de bijlage tref je aan alle bankafschriften. Deze zijn door elena [hof: [appellante] ] gescand.

Mei is nog niet te downloaden, vandaar een pdf download van bij en afschrijvingen.

In de brievenbus tref [je] de geprinte versie originelen aan. (...)

Gelukkig heeft onze controller altijd de declaraties en salaris correct behandeld. Elena heeft alle pagina’s geparagrafeerd.’

De volgende bijlagen zijn bij de e-mail van [directeur Reldair] gevoegd (prod. 8 Obvion):

- acht bankafschriften van een bankrekening van [appellante] bij ABN Amro waarop bij- en afschrijvingen staan vermeld over de periode van 17 oktober 2013 t/m 16 mei 2014;

- een overzicht van ABN Amro van bij- en afschrijvingen op deze bankrekening over de periode van 17 mei 2014 t/m 10 juni 2014.

Op de bankafschriften en het overzicht zijn de saldi van de bankrekening telkens onleesbaar gemaakt.

[directeur Reldair] heeft exact dezelfde stukken in de brievenbus van de tussenpersoon gestopt.

Bij e-mail van 16 juni 2014 (prod. 8 Obvion) heeft de tussenpersoon de van [appellante] ontvangen salarisstroken (zie h) en de van [directeur Reldair] ontvangen bankafschriften en het van hem ontvangen overzicht (zie i) doorgestuurd naar Obvion.

Obvion heeft de ontvangen bankafschriften ter verificatie naar ABN Amro gestuurd. Bij e-mail van 20 juni 2014 (prod. 9 Obvion) heeft ABN Amro Obvion bericht dat het afschrift van april/mei 2014 niet conform de administratie van de bank is.

Op de bankafschriften en het overzicht die door [directeur Reldair] aan de tussenpersoon zijn verstrekt staan salarisbetalingen vermeld die niet overeenkomen met het salaris dat volgens de administratie van ABN Amro daadwerkelijk is bijgeschreven op de bankrekening van [appellante] .

De bedragen die daadwerkelijk op de bankrekening van [appellante] zijn bijgeschreven ter zake salaris komen niet overeen met haar salarisstroken.

Op de salarisstroken over januari t/m april 2014 staat een bruto salaris van € 4.000,- vermeld. Dit wijkt af van de aan Obvion verstrekte arbeidsovereenkomst waaruit volgt dat het salaris van [appellante] t/m 31 december 2013 € 4.000,- bruto per maand bedraagt en per 1 januari 2014 wordt verhoogd naar € 6.200,- bruto per maand. Op de salarisstrook over de maand mei 2014 staat wel een salaris van € 6.200,- bruto vermeld.

Bij brief van 23 juni 2014 (abusievelijk gedateerd op 23 juli 2014) heeft Obvion [appellante] uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek (prod. 10 Obvion). In de brief staat vermeld:

‘Wij hebben aanvullende stukken opgevraagd met betrekking tot uw inkomen. Deze stukken hebben wij ontvangen en laten verifiëren door ABN. Wij hebben bericht ontvangen dat de door u aangeleverde stukken niet overeenkomen met de werkelijkheid.’

Vervolgens heeft [directeur Reldair] op 26 juni 2014 telefonisch contact opgenomen met Obvion. Hij heeft aangegeven dat hij een grove fout heeft gemaakt. Hij heeft medegedeeld dat hij de bankafschriften zonder medeweten van [appellante] heeft aangepast met de bedoeling om ‘interne awareness’ te creëren bij zijn boekhouder, omdat de betalingen niet altijd goed zouden gaan. Daarnaast heeft [directeur Reldair] medegedeeld dat hij de aangepaste bankafschriften per abuis per e-mail naar de tussenpersoon heeft gestuurd in plaats van naar de boekhouder.

Bij brief van 30 juni 2014 (prod. 11 Obvion) heeft Obvion onder meer aan [appellante] geschreven:

‘Naar aanleiding van de door uw tussenpersoon aangeleverde inkomensgegevens zijn er twijfels ontstaan over de inkomensgegevens bij Reldair bv. Op basis van deze twijfels zijn er aanvullende gegevens opgevraagd. Uit de aangeleverde bankafschriften blijkt dat deze valselijk zijn opgesteld. De verklaring van dhr. [directeur Reldair] is dat hij de bankafschriften heeft vervalst omdat hij hiermee interne awareness wilde creëren bij Reldair bv.

Wij hebben u reeds eerder uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek. Hier heeft u geen gehoor aan gegeven.

Op basis hiervan is bij Obvion het vermoeden gerezen dat u bij de aanvraag onjuiste gegeven[s] heeft verstrekt en/of valsheid in geschrifte heeft gepleegd en daarmee gepoogd heeft Obvion op te lichten.

Gelet op de ons thans ter beschikking staande feiten en omstandigheden zijn wij voornemens aangifte te doen bij de justitiële autoriteiten en uw gegevens te registreren in de database Stichting Fraudebestrijding Hypotheken.

Mocht u van mening zijn dat de bovenstaande door ons geschetste feiten niet volledig en of niet juist zijn, verzoeken wij u om ons dit binnen 5 werkdagen na dagtekening schriftelijk te melden, en te onderbouwen met bewijsstukken. (...) Indien wij van u binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen, dan zullen wij overgaan tot het doen van aangifte en het melden bij de SFH.’

Bij brief van 11 juli 2014 (prod. 2 inl. dagv) heeft de advocaat van [appellante] aan Obvion onder andere bericht, onder verwijzing naar de brief van 30 juni 2014, dat [appellante] betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen van rekeningoverzichten.

Bij brief van 21 juli 2014 (prod. 3 inl. dagv) heeft Obvion aan de advocaat van [appellante] onder meer geschreven:

‘Na verificatie van meerdere bankafschriften op naam van uw cliënte bij ABN AMRO hebben wij de melding gekregen: “Het bijgevoegde overzicht met bij- en afschrijvingen is niet conform de administratie van de bank”. Met andere woorden meer dan één afschrift was niet conform de administratie van ABN Amro. (...) De heer [directeur Reldair] , haar werkgever, heeft zowel schriftelijk als telefonisch aan ons bevestigd haar bankafschriften te hebben vervalst (...) Obvion heeft uw cliënte per aangetekende brief van 23 juni 2014 uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek waar zij in de gelegenheid is gesteld om te reageren op onze vaststelling. Ondanks herhaaldelijk verzoek van onze zijde zowel rechtstreeks als via de tussenpersoon als via haar werkgever c.q. partner, heeft uw cliënte hier geen gebruik van gemaakt. Ook reageerde uw cliënte nooit op ontvangen e-mails. (...) We zijn bereid uw cliënte opnieuw in de gelegenheid te stellen in gesprek te gaan met ons.’

Op 22 juli 2014 heeft [appellante] , via een andere tussenpersoon, bij Nationale Nederlanden een hypothecaire geldlening aangevraagd voor de door haar gekochte woning. Op 25 augustus 2014 is de hypotheekakte gepasseerd waarbij Nationale Nederlanden de lening aan [appellante] heeft verstrekt.

Op 28 augustus 2014 heeft er tussen partijen een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van Obvion.

Bij brief van 8 september 2014 (prod. 12 Obvion) heeft Obvion aan de advocaat van [appellante] geschreven:

‘Wij hebben u en uw cliënte tijdens het gesprek op vrijdag [28] augustus 2014 verzocht om ons een kopie van een email te doen toekomen. Namelijk de email die zij verstuurd heeft naar haar werkgever, de heer [directeur Reldair] , waarin zij de bankafschriften had opgenomen die hij moest blanken en welke naar Obvion moest worden gestuurd. Hiervoor hebben wij uw cliënte tot vrijdag

5 september 2014 in de gelegenheid gesteld. Wij hebben die email echter niet ontvangen. (...) Aangezien de inhoud van het gesprek met uw cliënte ons vermoeden van fraude niet heeft weerlegd, heeft Obvion besloten uw cliënten te melden bij de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken en om hiervan strafrechtelijk aangifte te doen.’

Bij brief van 8 september 2014 (prod. 13 Obvion) heeft Obvion aan [appellante] geschreven dat Obvion heeft besloten om de gegevens van [appellante] op te nemen in het Incidentenregister van Obvion en in het incidentenwaarschuwingssysteem van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (hierna: SFH). In de brief staat dat de reden voor registratie is het aanleveren van vervalste bankafschriften. Verder staat in de brief vermeld:

‘Het Incidentenregister is een register waarin gegevens over incidenten en de bij die incidenten betrokken personen wordt vastgelegd. (…)

Het incidentenwaarschuwingssysteem van de SFH bevat de personalia van personen en bedrijven die bij een incident betrokken zijn geweest. Het incidentenwaarschuwingssysteem kan ook door andere financiële instellingen worden bekeken. Komen uw gegevens in het incidentenwaarschuwingssysteem van SFH voor, dan kan een bank of financiële instelling weigeren met u een relatie aan te gaan of een hypothecaire lening aan u te verstrekken.

De registratie is voor de duur van maximaal 8 jaar.(…)’

Op 15 oktober 2014 heeft Obvion aangifte gedaan tegen [appellante] en [directeur Reldair] van valsheid in geschrifte en poging tot oplichting (prod. 15 Obvion).

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] , samengevat:

I. Obvion te bevelen alle op [appellante] betrekking hebbende persoonsgegevens uit het incidentenregister, extern verwijzingsregister en eventueel ander register, daaronder begrepen het IVR, binnen 48 uur na betekening van de uitspraak te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;

II. Obvion te bevelen de aanmelding bij de SFH binnen 48 uur na betekening van de uitspraak te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;

III. Obvion te veroordelen tot het staken van executiemaatregelen voor het innen van de aan [appellante] opgelegde boete,

met veroordeling van Obvion in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.2.

Aan de vorderingen onder I en II heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] gaat ervan uit dat haar gegevens in ieder geval zijn opgenomen in het incidentenregister van Obvion en in het externe verwijzingsregister van SFH zoals bedoeld in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (prod. 9 inl. dagv, hierna te noemen: ‘het protocol’). De gegevens van [appellante] zijn ten onrechte opgenomen in deze registers, omdat zij niet betrokken is geweest bij het aanleveren van de door [directeur Reldair] aangepaste bankafschriften. Daarbij komt dat Obvion het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Verder weegt het belang van [appellante] bij verwijdering van haar gegevens uit de registers zwaarder dan het belang van Obvion bij registratie.

3.2.3.

Obvion heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Daartoe oordeelde de voorzieningenrechter, kort samengevat, als volgt. Voorshands moet het ervoor worden gehouden dat de (persoons)gegevens van [appellante] alleen zijn opgenomen in het (interne) incidentenregister van Obvion en het (externe) ‘incidentenwaarschuwingsregister’ van SFH. Obvion heeft daarbij niet gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Voldoende aannemelijk is dat [appellante] bij haar hypotheekaanvraag heeft gefraudeerd door valse/onjuiste bankafschriften te laten aanleveren. Verder heeft Obvion terecht een punt gemaakt van de discrepantie tussen het in de arbeidsovereenkomst genoemde salaris en het ontvangen salaris. De verdenkingen van Obvion jegens [appellante] zijn voldoende concreet en zodanig van aard dat opname in genoemde registers gerechtvaardigd is, ook nu dat mogelijk nadelige gevolgen voor [appellante] heeft. De verdenkingen zien op misleiding van de hypotheekverstrekker ten aanzien van het wezenlijke punt van het salaris van de aanvrager.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van dit vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van Obvion in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

3.5.

Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.16 van het bestreden vonnis, welk oordeel ten grondslag ligt aan de afwijzing van vordering III (zie hierboven r.o. 3.2.1). Deze vordering is in hoger beroep daarom niet meer aan de orde. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat grief 6 geen zelfstandige betekenis heeft naast de overige grieven.

3.6.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] nog steeds voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen onder I en II. Dit volgt uit de aard van de gevraagde voorzieningen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat als onbetwist vaststaat dat de registratie van de persoonsgegevens van [appellante] in de hierna in r.o. 3.7.3 vermelde registers tot gevolg kan hebben dat de huidige relaties van [appellante] met financiële instellingen, waaronder Nationale Nederlanden, worden beëindigd. Verder is van belang dat als onbetwist vaststaat dat [appellante] door de registratie in deze registers wordt beperkt in haar mogelijkheden om relaties met andere financiële instellingen aan te gaan. Zo kan [appellante] door de registratie geen bankrekening openen voor haar onlangs geboren kind.

3.7.

De voorzieningenrechter heeft onder meer geoordeeld dat de (persoons)gegevens van [appellante] alleen zijn geregistreerd in het (interne) incidentenregister van Obvion en in het (externe) incidentenwaarschuwingsregister van SFH. Kennelijk heeft de voorzieningenrechter hier mee het externe verwijzingsregister van SFH bedoeld. De voorzieningenrechter heeft immers ook beoordeeld of voldaan is aan de in het protocol gestelde vereisten voor het opnemen van gegevens in het externe verwijzingsregister.

3.8.

Met grief 5 stelt [appellante] in de kern de vraag aan de orde of voldaan is aan de in artikel 5.2.1 van het protocol gestelde vereisten voor het opnemen van gegevens in het externe verwijzingsregister van SFH. In dit artikel is het volgende bepaald:

‘De Deelnemer [hof: in dit geval Obvion] dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

  1. De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

  2. In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

  3. Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.’

3.9.

[appellante] stelt dat niet is voldaan aan de vereisten onder a en b, kort gezegd omdat zij geen fraude heeft gepleegd en omdat zij niet betrokken is geweest bij het aanleveren van onjuiste bankafschriften door [directeur Reldair] . De grieven 1 t/m 3 hebben hier ook betrekking op. Verder stelt [appellante] dat niet is voldaan aan het bepaalde onder c, omdat opname van haar gegevens in het externe verwijzingsregister disproportioneel is. Het hof overweegt over dit een en ander als volgt.

3.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] ten behoeve van de hypotheekaanvraag zelf de stukken naar de tussenpersoon heeft gestuurd, die hij bij e-mail van 2 juni 2014 heeft doorgestuurd naar Obvion. Het betreft hier onder meer de werkgeversverklaring, de (gedeeltelijke) arbeidsovereenkomst en de salarisstrook van [appellante] over mei 2014.

3.11.1.

Met betrekking tot de door [appellante] aangeleverde werkgeversverklaring en de (gedeeltelijke) arbeidsovereenkomst staat als niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat deze onjuiste althans misleidende gegevens bevatten over haar bruto salaris. Daartoe overweegt het hof als volgt.

3.11.2

In de (gedeeltelijke) arbeidsovereenkomst is bepaald dat het salaris van [appellante] vanaf januari – waarmee volgens partijen is bedoeld: 1 januari 2014 – wordt verhoogd van

€ 4.000,- naar € 6.200,- bruto per maand. Op de salarisstroken van [appellante] over januari t/m april 2014 staat echter een salaris van € 4.000,- bruto per maand vermeld.

3.11.3.

Verder vermeldt de werkgeversverklaring een bruto jaarsalaris over 2014 van

€ 74.400,- (exclusief vakantiegeld). Dit salaris zou [appellante] hebben genoten als zij in 2014 iedere maand een salaris van € 6.200,- bruto zou hebben gehad. Op de salarisstroken over januari t/m april 2014 staat echter geen salaris van € 6.200,- maar van € 4.000,- bruto per maand vermeld. Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] verder aldus dat zij over de maanden mei t/m december 2014 een salaris van € 6.200,- bruto per maand heeft genoten. Als daarvan zou worden uitgegaan, bedroeg het bruto jaarsalaris van [appellante] (exclusief vakantiegeld) in 2014 € 65.600,- (4 x € 4.000,- en 8 x € 6.200,-) en niet het in de werkgeversverklaring genoemde bedrag van € 74.400,-. De werkgeversverklaring bevat dus onjuiste informatie.

3.11.4.

Obvion stelt dat [appellante] tot mei 2014 kennelijk een salaris van € 4.000,- bruto per maand heeft genoten. Verder stelt Obvion dat uit de salarisstrook van [appellante] over mei 2014 volgt dat haar salaris pas in die maand werd verhoogd naar € 6.200,- bruto per maand (met dien verstande dat volgens Obvion in werkelijkheid geen sprake was van een verhoging). [appellante] heeft deze stellingen van Obvion niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] gesteld dat zij recht had op het salaris dat volgde uit de arbeidsovereenkomst en dat zij dat salaris ook ontving. [appellante] heeft echter niet duidelijk gesteld, laat staan voldoende feitelijk onderbouwd, dat zij al vanaf 1 januari 2014 een bruto salaris van € 6.200,- bruto per maand ontving. Integendeel, [appellante] heeft bij memorie van grieven zelf gesteld dat het salaris dat zij daadwerkelijk ontving volgt uit haar originele bankafschriften en de salarisstroken (mvg, nr. 27) en dat de door haar ingediende salarisstroken correct zijn (mvg, nr. 29). Dat laatste geldt dan dus ook voor de salarisstroken over de maanden januari t/m april 2014 waarop een salaris van € 4.000,- bruto per maand staat vermeld. Nu [appellante] voorts geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat op laatstbedoelde salarisstroken een lager bruto maandsalaris staat vermeld dan waarop zij volgens de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2014 recht zou hebben, moet het er naar het voorlopig oordeel van het hof voor worden gehouden dat het salaris van [appellante] over de maanden januari t/m april 2014 nog steeds € 4.000,- bruto per maand bedroeg. De enkele verwijzing door [appellante] naar een e-mail van de accountant van Reldair (prod. 17 mvg) waaruit volgens [appellante] blijkt hoe haar salaris in 2014 maandelijks is opgebouwd, maakt dit niet anders. Het hof betrekt hierbij dat gesteld noch gebleken is dat [appellante] in de maanden januari t/m april 2014 het netto-equivalent van een bruto maandsalaris van

€ 6.200,- bruto heeft ontvangen, integendeel.

3.11.5.

Bij het voorgaande merkt het hof nog het volgende op. [appellante] stelt dat Reldair aankopen voor [appellante] heeft gedaan die vervolgens zijn verrekend met haar salaris. Voor zover [appellante] hiermee al zou hebben bedoeld te stellen dat zij al vanaf 1 januari 2014 een bruto maandsalaris van € 6.200,- heeft genoten maar dat door de verrekeningen een lager bruto maandsalaris op haar salarisstroken over januari t/m april 2014 staat vermeld, gaat het hof hieraan bij gebreke van een voldoende feitelijke onderbouwing voorbij. Bovendien acht het hof deze stelling voorshands ook ongeloofwaardig. Indien Reldair een verrekenbare vordering op [appellante] zou hebben, ligt het voor de hand om deze netto vordering te verrekenen met haar netto salaris en niet met haar bruto salaris. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof in ieder geval niet in hoe de vermeende netto vordering van Reldair op [appellante] één op één kan worden verrekend met het bruto salaris dat Reldair aan [appellante] is verschuldigd.

3.11.6.

Op grond van het bovenstaande acht het hof de door [appellante] , via de tussenpersoon, aan Obvion verstrekte informatie over haar bruto salaris voorshands bepaald misleidend. Met de werkgeversverklaring en de (gedeeltelijke) arbeidsovereenkomst die Obvion op 2 juni 2014 ontving wordt immers verhuld dat het bruto maandsalaris van [appellante] over de maanden januari t/m april 2014, derhalve tot zeer kort vóór de hypotheekaanvraag, € 4.000,- bruto per maand bedroeg en niet € 6.200,- bruto per maand. Hierbij verdient opmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat Obvion pas op 16 januari 2014, nadat zij de om aanvullende stukken had verzocht, de salarisstroken over januari t/m april 2014 heeft ontvangen waaruit het veel lagere bruto maandsalaris van [appellante] bleek.

Overigens heeft [appellante] met de werkgeversverklaring en de (gedeeltelijke) arbeidsovereenkomst ook misleidende informatie verstrekt over het bruto maandsalaris dat zij genoot in mei 2014, zijnde de maand waarin de hypotheekaanvraag werd gedaan. Met die stukken heeft [appellante] het tegenover Obvion doen voorkomen dat zij in 2014 iedere maand een salaris van € 6.200,- bruto had, dus ook in mei 2014. Zoals hierna zal blijken, genoot [appellante] in mei 2014 feitelijk echter een veel lager salaris.

3.12.1.

Ten aanzien van de door [appellante] aangeleverde salarisstrook over mei 2014 heeft het volgende te gelden.

3.12.2.

Op deze salarisstrook staat een bruto maandsalaris van € 6.200,- vermeld en een bruto vakantietoeslag. Daarnaast vermeldt de salarisstrook een aan [appellante] uit te betalen (netto) bedrag van € 5.090,26. Het hof acht de informatie die [appellante] hiermee heeft verstrekt over het salaris dat zij in mei 2014 genoot, voorshands onjuist en bepaald misleidend. Daartoe overweegt het hof het volgende.

3.12.3.

Als onbetwist staat vast dat Reldair in mei 2014 niet het op de salarisstrook vermelde netto bedrag van € 5.090,26 ter zake salaris en vakantiegeld naar [appellante] heeft overgemaakt, maar een veel lager bedrag, te weten € 3.000,-.

3.12.4.

Obvion stelt zich op het standpunt dat uit deze betaling blijkt dat [appellante] in mei 2014 feitelijk geen bruto maandsalaris van € 6.200,- heeft genoten en dat er in die maand geen salarisverhoging heeft plaatsgevonden.

[appellante] heeft hiertegen als verweer gevoerd dat Reldair aankopen voor [appellante] heeft gedaan die zijn verrekend met haar salaris. Ter onderbouwing van dit verweer verwijst [appellante] naar een overzicht dat is opgesteld door een bij Reldair werkzame boekhouder (prod. 15 mvg). Hierin staat vermeld dat voor in totaal € 10.885,74 aan declaraties is verrekend. Het hof begrijpt hieruit dat [appellante] stelt dat dit bedrag is verrekend met een deel van het salaris dat Reldair over de periode van 1 november 2013 t/m 31 mei 2014 aan [appellante] is verschuldigd. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat uit het overzicht van de boekhouder blijkt dat, indien de verrekening wordt weggedacht, alleen in de periode van

1 november 2013 t/m 31 mei 2014 te weinig salaris naar [appellante] is overgemaakt.

3.12.5.

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat er in de periode t/m mei 2014 verrekeningen met haar netto salaris hebben plaatsgevonden, reeds omdat [appellante] deze stelling onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Voor alle in het overzicht van de boekhouder genoemde declaraties geldt immers dat [appellante] heeft nagelaten om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat Reldair deze declaraties heeft betaald. Daar komt nog bij dat [appellante] ook heeft nagelaten om de declaraties over te leggen die zien op de volgens het overzicht verrekende bedragen van in totaal € 1.100,- ter zake Louis Vuitton en van € 2.500,- ter zake onderhoud Cayenne. In het licht van het verweer dat Obvion op dit punt heeft gevoerd (mva, p. 5, nr. 7) had het echter wel op de weg van [appellante] gelegen om bedoelde betalingsbewijzen en declaraties over te leggen.

Los van het voorgaande heeft overigens ook nog het volgende te gelden. In het overzicht van de boekhouder worden bedragen van € 44,77 en € 2.473,- verrekend ter zake [Autoservice] . Ter onderbouwing hiervan heeft [appellante] tijdens het pleidooi in hoger beroep declaraties van Autoservice [Autoservice] overgelegd van € 44,77 en € 2.473,72 (prod. 21 [appellante] ). Nog daargelaten dat deze declaraties niet op naam van [appellante] maar op naam van Reldair zijn gesteld, gaat het hier om declaraties die dateren uit december 2014. Dat valt echter niet te rijmen met de stelling van [appellante] dat de verrekeningen met haar salaris al eerder, namelijk in de periode tot en met mei 2014, hebben plaatsgevonden. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] hierover desgevraagd verklaard dat abusievelijk de verkeerde facturen van [Autoservice] zijn overgelegd, maar dat er nog andere facturen van [Autoservice] zijn. Wat hier verder van ook zij, in de onderhavige procedure ontbreekt een voldoende feitelijke onderbouwing van de gestelde verrekeningen met declaraties van [Autoservice] .

3.12.6.

Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Het hof acht de stelling van [appellante] dat Reldair declaraties voor haar heeft betaald en vervolgens heeft verrekend met het verschuldigde salaris over de periode tot en met mei 2014, voorshands ook ongeloofwaardig. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op de salarisstroken over de maanden november 2013 t/m mei 2014 niets staat vermeld over verrekeningen. Verder heeft het hof hierboven al geoordeeld dat het niet voor de hand ligt en ook niet geloofwaardig is dat de vermeende vordering van Reldair op [appellante] is verrekend met het verschuldigde bruto salaris in plaats van met het netto salaris. Uitgaande van het netto salaris waarop [appellante] volgens de salarisstroken recht had, had Reldair over november 2013 t/m mei 2014 in totaal € 21.118,14 netto aan [appellante] moeten betalen. Uit de niet vervalste bankafschriften van [appellante] (prod. 12 mvg) blijkt echter dat Reldair over die periode in totaal € 18.473,- aan salaris naar [appellante] heeft overgemaakt. Dat betekent dat [appellante] vanaf haar indiensttreding bij Reldair op 1 november 2013 tot en met mei 2014 netto in totaal € 2.645,14 minder aan salaris van Reldair heeft ontvangen dan waarop zij volgens de salarisstroken recht had. Reeds gelet daarop en kan de stelling van [appellante] dat in de periode van 1 november 2013 t/m 31 mei 2014 in totaal € 10.885,74 is verrekend met haar salaris, niet kloppen.

3.12.7.

Het in r.o. 3.12.3 t/m 3.12.5 overwogene leidt er al toe dat het er voorshands voor moet worden gehouden dat [appellante] in mei 2014 feitelijk geen salaris van € 6.200,- bruto heeft genoten en dat er in die maand geen salarisverhoging heeft plaatsgevonden. Dat brengt mee dat er niet van kan worden uitgegaan dat [appellante] in mei 2014 een hoger salaris had dan het salaris van € 4.000,- bruto dat zij in april 2014 genoot.

3.12.8.

Reeds op grond van wat hierboven in r.o. 3.10 t/m 3.12.5 en 3.12.7 is overwogen is naar het voorlopig oordeel van het hof voldaan aan de in artikel 5.2.1 onder a en b van het protocol gestelde vereisten voor het opnemen van de gegevens van [appellante] in het externe verwijzingsregister van SFH. Ten behoeve van de hypotheekaanvraag heeft [appellante] immers zelf stukken naar de tussenpersoon gestuurd waarmee zij, zo staat in voldoende mate vast, onjuiste en misleidende informatie heeft verstrekt over het salaris dat zij feitelijk genoot ten tijde van de hypotheekaanvraag in mei 2014 en het salaris dat zij tot kort vóór die hypotheekaanvraag genoot (namelijk over de maanden januari t/m april 2014). Daarbij is van belang dat als onweersproken vaststaat dat [appellante] ten tijde van het versturen van deze stukken wist dat haar salaris niet al vanaf 1 januari 2014 € 6.200,- bruto bedroeg en dat zij in mei 2014 een veel lager netto salaris had ontvangen dan dat op haar salarisstrook stond vermeld.

Aldus staat voorshands in voldoende mate vast dat [appellante] op oneigenlijke gronden een hypothecaire geldlening heeft proberen te verkrijgen.

3.12.9.

Bij het voorgaande verwerpt het hof het betoog van [appellante] dat er geen sprake kan zijn van fraude, omdat zij nooit beoogd heeft om met het verstrekken van onjuiste gegevens een hogere hypotheek te verkrijgen. Daartoe stelt [appellante] dat het niet nodig was om onjuiste gegevens te verstrekken, omdat zij de aangevraagde hypothecaire geldlening had kunnen verkrijgen op basis van haar salaris van € 6.200,- bruto per maand. Hierboven heeft het hof echter al voorlopig geoordeeld dat [appellante] dit salaris feitelijk niet genoot ten tijde van de hypotheekaanvraag in mei 2014. Verder heeft het hof al voorlopig geoordeeld dat het salaris van [appellante] toen niet hoger was dan € 4.000,- bruto per maand. Nu Obvion voorts onweersproken heeft aangevoerd dat [appellante] de aangevraagde hypothecaire geldlening niet had kunnen verkrijgen op basis van een bruto maandsalaris van € 4.000,-, moet het er voorshands voor worden gehouden dat [appellante] deze lening ten tijde van de hypotheekaanvraag niet had kunnen verkrijgen op basis van haar toenmalige salaris.

3.12.10.

Het hof acht het voorshands vaststaande feit dat [appellante] onjuiste en misleidende informatie heeft verstrekt over haar salaris dermate ernstig, dat het opnemen van de gegevens van [appellante] in het externe verwijzingsregister gerechtvaardigd is, ook al heeft dit nadelige gevolgen voor haar. Voor een potentiële hypotheekverstrekker is het immers van essentieel belang om door de aanvrager correct te worden geïnformeerd over zijn/haar salaris.

Aan het proportionaliteitsbeginsel zoals genoemd in artikel 5.2.1 onder c van het protocol is op dit punt dus voldaan.

3.13.1.

Met betrekking tot de bankafschriften en het overzicht van ABN Amro van bij- en afschrijvingen die [directeur Reldair] naar de tussenpersoon heeft gestuurd (zie r.o. 3.1 onder i), overweegt het hof nog het volgende.

3.13.2.

Partijen zijn het er kennelijk over eens dat deze bankafschriften en het overzicht zijn vervalst en dat daarop salarisbetalingen staan vermeld die niet overeenkomen met het salaris dat daadwerkelijk op de bankrekening van [appellante] is gestort. Ook het hof zal daarvan daarom uitgaan. Verder dient het hof in dit verband uit te gaan van het kennelijke oordeel van de voorzieningenrechter dat de bankafschriften onder meer zijn vervalst doordat een bedrag van € 2.673,92 dat op 24 april 2014 op de bankrekening van [appellante] is bijgeschreven aan salaris, is gewijzigd in een bedrag van € 3.673,92. Tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 4.14 van het bestreden vonnis is immers geen grief gericht. Bovendien begrijpt het hof de stellingen van [appellante] in alinea 15 van haar memorie van grieven aldus dat zij zelf ook stelt dat voormelde wijziging heeft plaatsgevonden.

Overigens is tussen partijen niet in geschil dat ook andere salarisbetalingen op de door [directeur Reldair] verstuurde bankafschriften en het overzicht zijn gewijzigd. Het hof constateert bijvoorbeeld dat op het vervalste overzicht een op 29 mei 2014 gedane salarisbetaling van

€ 5.090,26 staat vermeld (conform de salarisstrook over mei 2014). Uit de niet vervalste bankafschriften van [appellante] blijkt echter dat er op deze datum € 3.000,- op haar bankrekening is gestort.

3.13.3.

Over de gang van zaken met betrekking tot de vervalste bankafschriften heeft [appellante] , samengevat, het volgende gesteld. Naar aanleiding van het verzoek van Obvion om toezending van de bankafschriften vanaf 1 november 2013 t/m 12 juni 2014 wilde [appellante] privacygevoelige aankopen op haar bankafschriften met zwarte stift geblokt hebben. [directeur Reldair] bood aan om dit voor [appellante] te doen, omdat zij daarvoor geen tijd had vanwege haar werk en tentamens. Vervolgens heeft [appellante] de bankafschriften van haar bankrekening bij ABN Amro gescand en per e-mail naar [directeur Reldair] gestuurd. Ook heeft zij een overzicht van ABN Amro met bij- en afschrijvingen op bedoelde bankrekening naar [directeur Reldair] gemaild. Bij het bekijken van de bankafschriften constateerde [directeur Reldair] dat sommige betalingen in gedeeltes werden gedaan en dat bedragen die Reldair voor [appellante] had betaald werden verrekend. [directeur Reldair] was hiervan niet op de hoogte en vond dat dit met hem besproken had moeten worden als directeur van Reldair. Bovendien was de manier van verrekening niet zoals hij dat wenste. [directeur Reldair] had de indruk dat de boekhouder slordig was omgegaan met de verwerkte betalingen. Gelet hierop heeft [directeur Reldair] , zonder medeweten van [appellante] , de bankafschriften en het overzicht toen aangepast om te kijken of het de boekhouder zou opvallen als zaken niet juist waren. [directeur Reldair] deed dit om ‘interne awareness’ bij de boekhouder te creëren. De aangepaste stukken waren alleen bedoeld voor intern gebruik, maar abusievelijk heeft [directeur Reldair] deze midden in de nacht naar de tussenpersoon gemaild. [appellante] heeft in ieder geval geen enkele betrokkenheid gehad bij het aanpassen van de bankafschriften en het overzicht en bij het aanleveren van deze aangepaste stukken bij de tussenpersoon.

3.13.4.

Naar het voorlopig oordeel van het hof is het ongeloofwaardig dat [directeur Reldair] de bankafschriften en het overzicht heeft vervalst om ‘interne awareness’ bij de boekhouder te creëren en dat de vervalste stukken alleen waren bedoeld voor intern gebruik. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Het ligt alles behalve voor de hand dat een directeur van een bedrijf die een andere werkwijze voorstaat dan zijn boekhouder, dit niet met hem bespreekt maar in plaats daarvan bankafschriften vervalst om te kijken of het de boekhouder opvalt dat er iets niet klopt. De navolgende feiten en omstandigheden duiden er naar het voorlopig oordeel van het hof juist op dat de vervalste stukken niet voor de boekhouder maar voor de tussenpersoon waren bestemd. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [appellante] ten behoeve van de hypotheekaanvraag eerst zelf onjuiste en misleidende informatie aan de tussenpersoon verstrekt over haar salaris. Een deel van deze onjuiste informatie, te weten de werkgeversverklaring, was afkomstig van [directeur Reldair] . Het feit dat [directeur Reldair] vervolgens het salaris van [appellante] op de bankafschriften en op het overzicht heeft verhoogd, is hiermee in lijn. Dat geldt ook voor het feit dat [directeur Reldair] op deze stukken ook de vele debetsaldi van [appellante] onleesbaar heeft gemaakt. Voorts duidt de inhoud van de e-mail van 16 juni 2014 waarmee [directeur Reldair] de vervalste stukken naar de tussenpersoon heeft gemaild, er bepaald niet op dat

– zoals [appellante] in eerste aanleg nog stelde – [directeur Reldair] deze stukken in een opwelling heeft aangepast en vervolgens abusievelijk naar de tussenpersoon heeft gestuurd. Bovendien gaan beide partijen ervan uit dat [directeur Reldair] de vervalste stukken niet alleen naar de tussenpersoon heeft gemaild, maar dat hij deze vervalste stukken ook heeft geprint en vervolgens in een envelop in de brievenbus van de tussenpersoon heeft gestopt. Gelet op deze gang van zaken acht het hof het voorshands juist aannemelijk dat de vervalste stukken niet per vergissing naar de tussenpersoon zijn gestuurd.

3.13.5.

Mede in het licht van het feit dat [appellante] in eerste instantie zelf onjuiste c.q. misleidende informatie heeft verstrekt over de hoogte van haar salaris, is voldoende aannemelijk geworden dat zij zelf op enige wijze betrokken is geweest bij het vervalsen van haar bankafschriften en het overzicht. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. [appellante] stelt zelf dat zij haar bankafschriften heeft gescand en dat zij het overzicht met bij- en afschrijvingen naar [directeur Reldair] heeft gemaild. [appellante] had dus, nu zij wel tijd had om alle afschriften te scannen en door te sturen, ook zelf de privébetalingen kunnen weglakken indien zij wilde dat Obvion die niet zou zien. De door [appellante] opgegeven reden dat zij hiervoor geen tijd had, acht het hof weinig overtuigend. [appellante] is bovendien bij uitstek degene die kan bepalen welke betalingen zij niet wilde tonen aan Obvion. Daarbij komt dat [appellante] al op 12 juni 2014 bankafschriften naar [directeur Reldair] heeft gemaild, terwijl hij pas vier dagen later, op 16 juni 2014, de vervalste stukken naar de tussenpersoon heeft gestuurd. Kennelijk was er dus de nodige tijd om de bankafschriften en het overzicht te bewerken. Dat die beschikbare tijd voor [appellante] onvoldoende zou zijn om zelf een aantal mutaties op haar bankafschriften en het overzicht zwart te maken, acht het hof, mede gelet op de omvang van de bankafschriften en het overzicht, onvoldoende aannemelijk.

3.13.6.

Het hof overweegt voorts dat [directeur Reldair] de e-mail van 16 juni 2014, waarmee hij de vervalste stukken naar de tussenpersoon stuurde, cc naar [appellante] heeft gestuurd. [appellante] kan zich er naar het voorlopig oordeel van het hof niet op beroepen dat zij de bijlagen bij die e-mail niet heeft gecontroleerd. Naar eigen zeggen heeft zij [directeur Reldair] gevraagd om haar bankafschriften en het overzicht te bewerken. [appellante] is er verantwoordelijk voor dat vervolgens de juiste stukken naar de tussenpersoon worden gestuurd, zeker nu zij de door [directeur Reldair] aangepaste stukken van hem ontving.

3.13.7.

Het hof komt niet tot een ander oordeel over de betrokkenheid van [appellante] bij de vervalste stukken op basis van de rapporten van Digital Investigation B.V. (prod. 14 mvg) en IRS (prod. 20 [appellante] ). Met deze rapporten wil [appellante] kennelijk aantonen dat zij geen vervalste stukken naar [directeur Reldair] heeft gestuurd. Uit de rapporten blijkt dat op de laptop van [directeur Reldair] een e-mail van [appellante] aan [directeur Reldair] d.d. 12 juni 2014 is aangetroffen met de tekst ‘kijk hier even naar aub’. Obvion heeft er terecht op gewezen dat bij deze e-mail maar een beperkt aantal bankafschriften van [appellante] zijn gevoegd. Uitgaande van de rapporten zaten bij die e-mail immers slechts vijf bankafschriften over de periode tot en met 17 februari 2014. Uit het rapport van IRS blijkt niets over (een) e-mail(s) waarbij [appellante] de andere drie bankafschriften en het overzicht met bij- en afschrijvingen naar [directeur Reldair] heeft gestuurd. In het rapport van Digital Investigation B.V. wordt nog wel een e-mail besproken waarbij in totaal negen bijlagen zijn gevoegd. Het betreft hier echter een e-mail die volgens het rapport is verzonden op 26 juni 2014, dus nadat [directeur Reldair] de vervalste stukken naar de tussenpersoon heeft gestuurd. Daar komt nog bij dat genoemde negen bijlagen alleen op bankafschriften zien en niet mede op het overzicht met bij- en afschrijvingen.

3.13.8.

[appellante] heeft nog gesteld dat zij met de door haar verzonden salarisstroken een lager salaris heeft opgegeven dan het salaris dat volgt uit de vervalste bankafschriften en het vervalste overzicht. Volgens [appellante] kan daarom niet worden geconcludeerd dat zij geprobeerd heeft om te frauderen teneinde een hogere hypotheek te krijgen.

Dit betoog kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet in voldoende mate afdoen aan hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellante] al voor het versturen van haar salarisstroken over november 2013 t/m april 2014 onjuiste en misleidende informatie over haar salaris aan de tussenpersoon heeft verstrekt, waaronder een onjuiste werkgeversverklaring van [directeur Reldair] .

3.13.9.

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat voorshands in voldoende mate vaststaat dat [appellante] ook betrokken is geweest bij het aanleveren van de vervalste bankafschriften en het vervalste overzicht bij de tussenpersoon. Ook op dit punt is dus voldaan aan de in artikel 5.2.1 onder a en b van het protocol gestelde vereisten voor het opnemen van de gegevens van [appellante] in het externe verwijzingsregister. Naar het voorlopig oordeel van het hof is het in het kader van een hypotheekaanvraag aanleveren van vervalste bankgegevens een zodanig ernstig feit, dat het opnemen van de gegevens van [appellante] in het externe verwijzingsregister gerechtvaardigd is ook al heeft dat nadelige gevolgen voor haar. Dat betekent dat ook hier het proportionaliteitsbeginsel van artikel 5.2.1 onder c van het protocol in acht is genomen.

3.14.

Het voorgaande brengt mee dat de grieven 1 t/m 3 en 5 falen.

3.15.

Met grief 4 klaagt [appellante] erover dat Obvion het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Deze grief faalt ook. Alvorens de melding bij SFH te (laten) doen, heeft Obvion eerst gecorrespondeerd met [appellante] en haar toenmalige advocaat en een bespreking met hen gevoerd. Ook heeft Obvion nog telefonisch contact gehad met [directeur Reldair] . Tijdens de bespreking die Obvion met [appellante] en haar toenmalige advocaat heeft gevoerd, heeft [appellante] haar reactie kunnen geven op de bevindingen van Obvion. Dit blijkt ook uit het besprekingsverslag dat [appellante] zelf heeft overgelegd (prod. 4 inl. dagv). Genoegzaam is komen vast te staan dat Obvion [appellante] daarna nog de kans heeft geboden om de e-mail over te leggen waarmee zij de bankafschriften naar [directeur Reldair] heeft gestuurd. Deze kans heeft [appellante] echter niet heeft benut. Pas daarna heeft Obvion de melding bij SFH gedaan.

3.16.

Grief 6 heeft geen zelfstandige betekenis en faalt daarom eveneens.

3.17.

De slotsom is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 14 november 2014;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Obvion worden begroot op € 704,- aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en M.R. van Zanten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 december 2015.

griffier rolraadsheer