Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5334

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
HD 200.167.533_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:609
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5531
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer; gerechtvaardigd vertrouwen werkgeefster; onderzoeksplicht werkgeefster; ontslag op staande voet; diefstal/verduistering als dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1314
AR 2015/2671
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.167.533/01

arrest van 22 december 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.L.E. Marchal te Maastricht,

tegen

Autobedrijf [autobedrijf] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.J. Baltus te Landgraaf,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 februari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
21 januari 2015, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2882700 CV EXPL 14-3193)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, tevens houdende een wijziging van eis;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] is op grond van een arbeidsovereenkomst op 7 september 1998 in dienst getreden bij [geïntimeerde] in de functie van automonteur tegen een loon van laatstelijk
    € 2.181,58 bruto per maand.

  2. Op 16 september 2013 heeft [geïntimeerde] aangifte gedaan van diefstal/verduistering in dienstbetrekking tegen haar werknemer [werknemer van autobedrijf] . [geïntimeerde] had voorts het vermoeden dat [appellant] daarin een aandeel had.

  3. Op 1 oktober 2013 heeft de politie [werknemer van autobedrijf] , één van de werknemers, bij [geïntimeerde] opgehaald en meegenomen naar het politiebureau voor verhoor. [werknemer van autobedrijf] heeft tegenover de politie bekend schuldig te zijn aan diefstal/verduistering van goederen van [geïntimeerde] .

  4. Op diezelfde dag, nadat [werknemer van autobedrijf] door de politie was opgehaald, heeft [geïntimeerde] het overige personeel toegesproken en gevraagd of iemand iets te melden had. Toen daarop niemand reageerde, heeft [geïntimeerde] [appellant] bij zich geroepen in de vergaderruimte van het bedrijf. Tijdens het daaropvolgende gesprek tussen [appellant] en namens [geïntimeerde] de heer [geïntimeerde] en de jurist de heer [jurist] heeft [geïntimeerde] [appellant] geconfronteerd met haar vermoeden dat [appellant] zich schuldig had gemaakt aan diefstal/verduistering van (in ieder geval) een zogenoemde hogedruk luchtslang. [geïntimeerde] heeft [appellant] vervolgens gevraagd op te schrijven wat hij had meegenomen en heeft hem alleen gelaten in de vergaderruimte.

  5. [appellant] heeft toen het volgende geschreven:
    - op een briefje: “Ik heb een Volvo XL60 nagekeken waarvan de turboslang defect was. Ik heb deze bij [werknemer van autobedrijf] besteld en ook gekregen heb deze bij hem betaalt. Ik heb de auto gemaakt.”
    - op een ander briefje: “Bij deze wil ik mijn dienst verband beëindigen bij Volvo [geïntimeerde] te [vestigingsplaats] getekend [appellant] .”
    [appellant] heeft beide briefjes ondertekend.

  6. Na het lezen van de briefjes heeft [geïntimeerde] [appellant] met onmiddellijke ingang geschorst, hem de toegang tot het bedrijf ontzegd en hem naar buiten begeleid. [geïntimeerde] heeft [appellant] gezegd de volgende dag om 10.00 uur te verschijnen voor een gesprek.

  7. In de namiddag van 1 oktober 2013 is [appellant] door de politie van huis opgehaald en meegenomen naar het bureau voor verhoor. Bij het verhoor heeft [appellant] verklaard tot die dag bij [geïntimeerde] als automonteur gewerkt te hebben en getekend te hebben voor vrijwillig ontslag, omdat hij zich, schuldig of niet, niet prettig zou voelen bij een terugkeer naar het bedrijf van [geïntimeerde] .

  8. Op 2 oktober 2013 heeft er een gesprek plaatsgehad bij [geïntimeerde] tussen [appellant] en de heren [directeur autobedrijf] en [jurist] namens [geïntimeerde] . In het gesprek is [appellant] op staande voet ontslagen.

  9. [geïntimeerde] heeft dezelfde dag, 2 oktober 2013, een brief gestuurd aan [appellant] . In de brief staat onder meer:
    “Voor zover noodzakelijk, mocht er twijfel ontstaan over uw wil om op te zeggen, dan bent u heden, 2 oktober 2013, op staande voet ontslagen wegens – verkort weergegeven – diefstal. Inmiddels hebben wij aangifte bij Politie gedaan wegens diefstal (in dienstbetrekking)”.

  10. [appellant] heeft een brief gedateerd 2 oktober 2013 aan [geïntimeerde] gestuurd. In de brief staat onder meer:
    “Hierbij deel ik u mede dat ik niet akkoord ga met het op woensdag 02 oktober 2013 door u aangezegde ontslag. Van een dringende reden voor ontslag op staande voet is geen sprake, en u beschikt niet over toestemming voor opzegging van het UWV. Het ontslag is dan ook niet rechtsgeldig.
    Zoals ik reeds vanmorgen duidelijk aangaf in het gesprek, waarbij tevens de heer [jurist] aanwezig was, verklaar ik mij bereid en ben ik beschikbaar om mijn werkzaamheden op eerste afroep te hervatten.
    Voorts deel ik u mede dat ik aanspraak maak op het mij toekomende loon totdat de bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.”

  11. Bij brief van 11 december 2013 heeft de (toenmalige) gemachtigde van [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven dat, voor zover dat nog niet bleek uit de brief van [appellant] van
    2 oktober 2013, wordt herhaald dat de wil van [appellant] ontbrak toen hij de arbeidsovereenkomst opzegde.

  12. Bij vonnis in kort geding van 13 december 2013 heeft de kantonrechter (als voorzieningenrechter) de vorderingen van [appellant] tot – kort gezegd – doorbetaling van loon en toelating tot zijn werkzaamheden afgewezen.

  13. Bij brief van 15 januari 2014 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellant] laten weten dat sprake is van een onregelmatige opzegging door [appellant] en dat [geïntimeerde] schadevergoeding vordert ex artikel 7:677 BW juncto artikel 7:680 BW ten bedrage van € 4.609,77.

  14. Bij brief van 29 januari 2014 heeft de gemachtigde van [appellant] met een beroep op artikel 3:44 BW geschreven dat de door [appellant] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk wordt vernietigd.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] in conventie:

primair betaling van € 5.330,57, zijnde € 4.609,77 aan gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, € 131,00 aan nakosten van het vonnis in kort geding van 13 december 2013 en € 589,80 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.740,77 vanaf 29 januari 2014 tot de dag van algehele voldoening, alsmede veroordeling van [appellant] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

subsidiair betaling van € 5.235,69, zijnde € 4.514,89 aan gefixeerde schadevergoeding wegens het geven van een dringende reden voor ontslag op staande voet, € 131,00 aan nakosten van het vonnis in kort geding van 13 december 2013 en € 589,80 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.645,89 vanaf
29 januari 2014 tot de dag van algehele voldoening, alsmede veroordeling van [appellant] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.2.

Aan de primaire vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellant] de arbeidsovereenkomst onregelmatig, dat wil zeggen zonder rekening te houden met de voor opzegging geldende bepalingen, op 1 oktober 2013 heeft opgezegd.

Aan de subsidiaire vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellant] aan [geïntimeerde] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op
2 oktober 2013 op te zeggen.

Voor beide situaties heeft volgens [geïntimeerde] te gelden dat [appellant] schadeplichtig is geworden op grond van artikel 7:677 BW.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft zelf een vordering in reconventie ingesteld. Hierop zal hierna worden ingegaan.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, samengevat, geoordeeld dat [geïntimeerde] gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de opzegging van [appellant] .

Op grond daarvan heeft de kantonrechter de primaire vordering van [geïntimeerde] in conventie toegewezen en [appellant] – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 5.299,57, bestaande uit € 4.609,77 aan gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, € 100,00 aan nakosten ter zake het vonnis in kort geding van 13 december 2013 en € 589,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.709,77 met ingang van
29 januari 2014 tot de dag van algehele voldoening, en [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld, alsook in de nakosten.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zestien grieven aangevoerd. Daarnaast heeft hij zijn oorspronkelijke eis in reconventie gewijzigd, zodat hij nu in hoger beroep, naast de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] vordert:
i. te verklaren voor recht dat de schriftelijke ‘opzegging’ van [appellant] , gedaan op
1 oktober 2013, terecht buitengerechtelijk vernietigd is, althans die schriftelijke ‘opzegging’ te vernietigen;

ii. te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] , aangegaan met ingang van 7 september 1998, niet rechtsgeldig is geëindigd, noch op grond van de schriftelijke ‘opzegging’ van 1 oktober 2013 noch op grond van het op 2 oktober 2013 door [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet;

iii. [geïntimeerde] te veroordelen om het maandelijks loon van € 2.181,58 per maand bruto te betalen met ingang van 1 oktober 2013 tot 10 februari 2014;

iv. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de verhoging, zoals bedoeld in artikel 7:625 BW over de maanden oktober tot en met december 2013 en januari 2014;

v. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3.5.

De grieven van [appellant] zijn – met uitzondering van grief XV en XVI – in de kern genomen allemaal gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, althans dat hij aan die opzegging kan worden gehouden. [appellant] betoogt onder meer dat hij geen ontslag wilde nemen en dat [geïntimeerde] niet in gerechtvaardigd vertrouwen op diens wilsverklaring mocht afgaan, zodat zij hem niet aan de opzegging kan houden.

3.6.

Hieromtrent overweegt het hof het volgende.

3.6.1.

De opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer vereist een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden kan op de werkgever een onderzoeksplicht rusten om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten (vaste jurisprudentie sinds HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4523, NJ 1983/457; HR 12 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC2628, NJ 1987/267; HR 25 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1310, NJ 1994/390).

3.6.2.

Vaststaat dat de gebeurtenissen op 1 oktober 2013 ingrijpend zijn geweest. Een collega van [appellant] werd, door de politie in het bedrijfspand van [geïntimeerde] opgehaald en meegenomen, waarna door [geïntimeerde] alle werknemers bij elkaar zijn geroepen en aan iedereen is gevraagd om openheid te geven over een verdenking van diefstal/verduistering. Vervolgens is [appellant] op kantoor geroepen en geconfronteerd met enkele bevindingen van ( [geïntimeerde] door) de heer [geïntimeerde] en de jurist van [geïntimeerde] , waarna hij is achtergelaten in een kamer om op te schrijven wat hij had meegenomen. [appellant] is vervolgens direct geschorst. [appellant] heeft die middag en avond voor verhoor op het politiebureau moeten doorbrengen. [geïntimeerde] was daarvan op de hoogte. Het gesprek van de volgende dag had, zo is zijdens [geïntimeerde] ook bij pleidooi verklaard, vooral de insteek om aan [appellant] mee te delen dat hij op staande voet werd ontslagen. De ontslagbrief was reeds voor het gesprek gereed en de opzegging is niet of nauwelijks meer aan de orde geweest in het gesprek op 2 oktober 2013, zo blijkt ook uit de verklaring van de heer [geïntimeerde] tijdens het pleidooi.

Op 1 oktober 2013 kwam de opzegging door [appellant] van zijn arbeidsovereenkomst volgens [geïntimeerde] voor haar onverwacht en zij wilde zich beraden.

Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken op 1 oktober 2013, had [geïntimeerde] echter wel op 2 oktober 2013 bij [appellant] moeten verifiëren of hij zijn arbeidsovereenkomst daadwerkelijk wilde opzeggen. Uit de ter gelegenheid van het pleidooi afgelegde verklaringen volgt dat [geïntimeerde] daar geen onderzoek naar heeft verricht. Zo daar tijdens dat gesprek al geen aanleiding voor was, had [geïntimeerde] daartoe alsnog moeten overgaan op het moment dat zij de brief van [appellant] van 2 oktober 2013 had ontvangen, waarin [appellant] aangaf bereid en beschikbaar te zijn voor arbeid en aanspraak te maken op loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Die brief kan niet anders gelezen worden dan dat [appellant] terugkomt op de gedane opzegging, omdat niet valt in te zien waarom [appellant] zich beschikbaar zou houden voor het verrichten van arbeid wanneer hij daadwerkelijk de arbeidsovereenkomst had willen opzeggen.

Derhalve kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat [geïntimeerde] onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de opzegging van [appellant] van zijn arbeidsovereenkomst. Aan dat oordeel doen de uitlatingen van [appellant] tijdens zijn verhoor bij de politie niet af, omdat die niet zijn gericht tot [geïntimeerde] en omdat [geïntimeerde] er, gelet op de na dat verhoor verzonden brief van [appellant] van 2 oktober 2013, niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [appellant] wenste op te zeggen.

Hierop strandt de primaire vordering van [geïntimeerde] .

3.6.3.

In zoverre slagen de grieven van [appellant] .

3.7.

Vervolgens dient onderzocht te worden in hoeverre de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] toegewezen dient te worden. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

3.7.1.

Voor toewijzing van de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] is noodzakelijk dat zij de aanwezigheid van de dringende reden voor het ontslag op staande voet stelt en – bij gemotiveerde betwisting – bewijst.

Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vaste jurisprudentie sinds HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849, NJ 1999/643).

3.7.2.

De eis dat voor de geldigheid van een op grond van een dringende reden aan de werknemer gegeven ontslag nodig is dat deze reden hem onverwijld is medegedeeld, strekt ertoe de werknemer in staat te stellen zijn standpunt met betrekking tot het gegeven ontslag te bepalen en in het bijzonder om hem ermee op de hoogte te brengen met welke ontslaggrond hij in een eventueel rechtsgeding zal worden geconfronteerd (HR 6 nov. 1981, NJ 1982, 100). Dit brengt mee dat niet uitgesloten is dat bij de beoordeling van de dringendheid van de ontslagreden mede rekening mag worden gehouden met omstandigheden waarvan voor de werknemer ten tijde van de mededeling duidelijk was dat hij daarmee wegens hun samenhang met de opgegeven ontslaggrond in een rechtsgeding zou worden geconfronteerd zodat hij zijn proceshouding ook daarop zou moeten afstemmen, ook al waren deze omstandigheden in die mededeling niet vermeld omdat zij toen slechts aan de werknemer en nog niet aan de werkgever bekend waren. Wat in een bepaald geval voor een werknemer te dezen zake voldoende duidelijk moet worden geacht, zal afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard van zijn functie, de aard van de hem kennelijk verweten feiten en het inzicht dat van iemand met een zodanige functie ter zake van dergelijke feiten mag worden verwacht (vaste jurisprudentie sinds HR 20 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0054, NJ 1988/282).

3.7.3.

In de brief van [geïntimeerde] aan [appellant] van 2 oktober 2013 schrijft [geïntimeerde] , voor zover hier relevant, dat zij [appellant] op staande voet ontslagen heeft “wegens – verkort weergegeven – diefstal” en dat zij aangifte bij de politie heeft gedaan “wegens diefstal (in dienstbetrekking)”.

3.7.4.

Uit het debat zoals dat door partijen tot nu toe in de procedure is gevoerd, blijkt dat partijen onder de medegedeelde dringende reden in ieder geval verstaan door [appellant] gepleegde diefstal/verduistering van aan [geïntimeerde] toebehorende auto-onderdelen. Het hof gaat daarom van dezelfde uitleg uit. Voor zover [geïntimeerde] beoogt te stellen dat onder de medegedeelde dringende reden ook verstaan moet worden het met korting kopen van auto-onderdelen van [geïntimeerde] zonder bijbehorende administratie en bonnen, is het hof van oordeel dat deze uitleg van de medegedeelde dringende reden zo ver af staat van de (strafrechtelijke betekenis van de) mededeling van [geïntimeerde] in de brief aan [appellant] van

2 oktober 2013, dat [geïntimeerde] deze ruime uitleg nader had moeten toelichten, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.7.2 is overwogen. Nu zij dat nagelaten heeft, ziet het hof geen aanleiding haar te volgen in die uitleg.

3.7.5.

[geïntimeerde] heeft ten bewijze van haar stelling, dat [appellant] zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal/verduistering van aan [geïntimeerde] toebehorende auto-onderdelen, verwezen naar de verklaring en aangifte van de heer Langeveld (producties 2 en 3 bij de inleidende dagvaarding), het briefje dat [appellant] schreef en ondertekende op 1 oktober 2013 (productie 4 bij de inleidende dagvaarding), de verklaring van [appellant] bij de politie (productie 6 bij de inleidende dagvaarding) en de akte houdende nadere producties, te weten de producties 17 tot en met 22, met als productie 22 de verklaring van [werknemer van autobedrijf] bij de politie.

3.7.6.

[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat een dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig was. Hij heeft er daartoe onder meer op gewezen dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen hem heeft geseponeerd (productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) en dat uit geen van de producties blijkt dat hij zich aan diefstal/verduistering heeft schuldig gemaakt.

3.7.7.

Het hof stelt vast dat het seponeren van de strafzaak op zich niet in de weg hoeft te staan aan het aanwezig achten van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [geïntimeerde] , als partij die de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden heeft opgezegd, de bewijslast van die dringende reden. Dat bewijs acht het hof vooralsnog niet geleverd. [geïntimeerde] moet dus bewijzen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal/verduistering van aan [geïntimeerde] toebehorende auto-onderdelen.

[geïntimeerde] heeft aangeboden haar stelling te bewijzen door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van getuigenbewijs. Gelet op artikel 166 Rv zal het hof [geïntimeerde] tot dit bewijs toelaten, zoals hierna in het dictum is vermeld. Eventuele schriftelijke bewijsstukken dienen op voorhand aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij toegezonden te worden.

3.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat [appellant] zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal/verduistering van aan [geïntimeerde] toebehorende auto-onderdelen;

bepaalt dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. P.P.M. Rousseau als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de
Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 5 januari 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat [geïntimeerde] het schriftelijk bewijs dat zij wil bijbrengen uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij zal toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 december 2015.

griffier rolraadsheer