Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5332

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
HD 200.163.946_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen Reglement BKR, overeengekomen minimale aflossingstermijn. Causaal verband registratie BKR en geweigerde hypothecaire lening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2016/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.163.946/01

arrest van 22 december 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Oostenrijk),

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. Y. Benjamins te Amsterdam,

tegen

Laser Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als LaSer,

advocaat: dr.mr. H.H. van Steijn te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 november 2014 ingeleide hoger beroep van het eindvonnis van 25 september 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's - Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en LaSer als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2733718/CV EXPL 14-891/410)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven zijdens [appellant] met producties;

  • -

    de memorie van antwoord zijdens LaSer;

  • -

    het pleidooi op 9 november 2015, waarbij partijen ieder pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan, mede gezien hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, in ieder geval worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] heeft in 2005 een kredietovereenkomst met LaSer gesloten voor een

kredietsom van € 3.700,--. Het betrof een zogenoemd aflopend krediet, waarop [appellant]

gedurende twee jaar maandelijks een bepaald bedrag moest aflossen. [appellant] heeft aan deze

verplichting voldaan en het betreffende krediet is in 2007 afgelost en beëindigd.

3.1.2.

Naast het aflopend krediet heeft [appellant] in 2005 een doorlopend krediet

afgesloten met LaSer (productie 2 bij dagvaarding). Aan dit krediet was een creditcard

gekoppeld met een bestedingslimiet van € 1.250,--.

3.1.3.

Rond oktober 2009 heeft [appellant] via zijn financieel adviseur de heer [financieel adviseur]

van [Assurantiën] Assurantiën een financiering aangevraagd bij BLG Hypotheken N.V.

(hierna: BLG) voor een bedrag van € 300.000,--. De financiering was bedoeld voor uitkoop

van zijn toenmalige echtgenote uit de echtelijke woning. BLG heeft via haar tussenpersoon

Welke Financiële Diensten BV een aanbieding gedaan voor de gevraagde financiering, die

op 19 oktober 2009 door [appellant] is geaccepteerd. In reactie op de door [appellant] geaccepteerde

offerte heeft BLG aangegeven nog nadere stukken te willen ontvangen, onder meer de

saldobiljetten van diverse doorlopende kredieten, waaronder het krediet van

€ 1.250,-- (waarmee het onder 2.2. bedoelde krediet is bedoeld).
Vervolgens heeft [appellant] nader overleg gevoerd met zijn toenmalige echtgenote over het bedrag waarvoor hij de echtelijke woning zou overnemen.

3.1.4.

Vanaf november 2009 zijn volgens LaSer problemen ontstaan met de automatische incassering van de maandelijkse betaaltermijnen van het onder 2.2. bedoelde doorlopend krediet.

3.1.5.

Bij brief van 29 januari 2010 (productie 5 bij dagvaarding) heeft LaSer aan

[appellant] geschreven:

"Ondanks eerdere herinneringen betreffende uw achterstand hebben wij tot op heden nog geen betaling van u mogen ontvangen.

Zoals aangekondigd zullen wij uw achterstand melden bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel. Indien u een lening of hypotheek wilt afsluiten, dan kan deze melding voor langere tijd negatieve gevolgen hebben.

U kunt deze registratie voorkomen door binnen twee dagen het achterstandsbedrag van € 20,-- over te maken naar (. .). "

3.1.6.

Op 1 februari 2010 is het bedrag van € 20,-- afgeboekt van het rekeningnummer

van [appellant] . Op 22 februari 2010 heeft LaSer aan het BKR bericht dat sprake was van een

achterstand op de aflossing van het doorlopend krediet (een zogenoemde a-codering).

3.1.7.

In de tussentijd heeft [appellant] overeenstemming bereikt met zijn toenmalige

echtgenote over het bedrag waarvoor hij de echtelijke woning zou overnemen en is het

financieringstraject bij BLG voortgezet en zijn nadere stukken aan BLG toegezonden.

3.1.8.

Op 1 juli 2010 heeft (de tussenpersoon van) BLG aangegeven dat zij, nadat enkele

nadere stukken waren ontvangen, nog enkele stukken nodig heeft, waaronder het saldobiljet

van het doorlopend krediet van € 1.250,--. Tevens is aangegeven dat de maximale

hypotheek op basis van de te betalen alimentatie € 288.000,-- bedraagt. Op 2 juli 2010 heeft

de heer [financieel adviseur] nog aanvullende stukken toegezonden. Onduidelijk is welke stukken dit zijn

geweest.

3.1.9.

Op 9 augustus 2010 heeft (de tussenpersoon van) BLG aanvullende

vragen gesteld aan [appellant] voor het uitbrengen van een offerte (zie de e-mail van de

tussenpersoon van BLG aan de heer [financieel adviseur] van 30 augustus 2010, productie 13 bij

dagvaarding, als hierna weergegeven onder 3.1.12) .

3.1.10.

Op 12 augustus 2010 heeft het BKR een overzicht (productie 12 bij dagvaarding) gestuurd aan [appellant] met de gegevens zoals die op die datum in het Centraal Krediet Informatiesysteem vermeld stonden. In dit overzicht is ten aanzien van het doorlopend krediet als genoemd onder 2.2. vermeld dat sprake is van een achterstand (a-codering) op 22 februari 2010 en van herstel van de achterstand op 24 februari 2010.

3.1.11.

Op 26 augustus 2010 heeft LaSer aan [appellant] laten weten dat het doorlopend

krediet is beëindigd en dat zij de rekening heeft afgemeld bij het BKR (productie 7 bij

dagvaarding).

3.1.12.

Op 30 augustus 2010 (productie 13 bij dagvaarding) heeft (de tussenpersoon van)

BLG aan de heer [financieel adviseur] het volgende gemaild:

"Voor onderstaande aanvraag hebben wij 21 dagen geleden aanvullende vragen gesteld om een offerte te kunnen uitbrengen. ( .. .) Vanwege een recente a-codering met een herstel wil BLG alleen een offerte uitbrengen indien volledige jaarcijfers en aangiften IB over de afgelopen 3 jaar worden aangeleverd. (. . .)

Tot op heden hebben wij geen reactie van u ontvangen. Wij beschouwen de aanvraag als afgelegd. "

3.1.13.

Op 20 oktober 2010 (productie 15 bij dagvaarding) heeft LaSer aan [appellant]

geschreven:

"Hierbij bevestigen wij dat wij per direct de achterstandscodering en herstelcodering bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel hebben laten verwijderen. Wij bieden onze excuses aan voor het ongemak. Deze wijziging is op korte termijn zichtbaar bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel. "

3.1.14.

Op het overzicht van het BKR van 17 december 2010 (productie 17 bij

dagvaarding) staat bij het doorlopend krediet nog steeds de achterstand en het herstel van de

achterstand vermeld.

3.1.15.

Bij fax van 21 december 2010 aan (de tussenpersoon van) BLG heeft de heer

[financieel adviseur] het volgende geschreven:

"Bijgaand ontvangt u volgende documenten:

(. . .)

brief Primeline 20 oktober 2010,

uitdraai BKR 17 december 2010 (. . .)

Ik verzoek u z.s.m. contact met mij op te nemen (. .). Inhoud spreekt voor zich!"

3.1.16.

Op het overzicht van het BKR van 4 maart 2011 (productie 17 bij dagvaarding)

staat bij het doorlopend krediet nog steeds de achterstand en het herstel van de achterstand

vermeld.

3.1.17.

Op het overzicht van het BKR van 24 mei 2011 (productie 18 bij dagvaarding)

is bij het doorlopend krediet niet langer aangegeven dat sprake is geweest van een

achterstand en van herstel van de achterstand.

3.1.18.

Bij brief van 8 april 2013 (productie 19 bij dagvaarding) heeft [appellant] LaSer

aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te lijden door het doorgeven van een

onterechte a-codering en het niet tijdig laten verwijderen van die codering en het herstel van

die codering .

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat LaSer aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt, nader op te maken bij staat, als gevolg van de tekortkoming, dan wel het onrechtmatig handelen van LaSer.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellant] voert aan dat LaSer heeft erkend dat zij ten onrechte een a-codering heeft laten registreren bij het BKR ( [appellant] had, zo stelt hij, immers binnen de gegeven termijn alsnog de achterstand betaald) en dat LaSer ondanks aandringen heeft nagelaten over te gaan tot herstel, althans verwijdering van deze registratie.

Aldus is LaSer volgens [appellant] tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,

althans heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] . [appellant] stelt verder dat het niet

verkrijgen van de financiering bij het BLG het gevolg is geweest van de tekortkoming c.q.

het onrechtmatig handelen van LaSer. In dat verband heeft hij aangevoerd dat, nadat de

codering uiteindelijk was verwijderd, de marktomstandigheden waren gewijzigd en hij niet

langer de door hem verzochte hypotheekvorm (self certified hypotheek) kon afsluiten. [appellant] stelt dat hij andere pogingen heeft gedaan om tot financiering te komen, maar dat die niet tot resultaat hebben geleid. De schade kan volgens [appellant] nog niet worden vastgesteld en zal daarom nader opgemaakt moeten worden bij staat.

3.2.3.

LaSer heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer behelst zakelijk weergegeven het volgende.
LaSer voert aan dat vanaf november 2009 problemen ontstonden met de

automatische incassering van de maandelijkse termijnen van het doorlopend krediet van [appellant] .

De automatische incasso voor het maandbedrag van november 2009 werd geweigerd en kon pas op 29 december 2009 geïncasseerd worden. Ook de automatische incasso voor het

maandbedrag van december 2009 werd geweigerd, aldus LaSer. LaSer heeft, zo stelt zij,

getracht herstelincasso's uit te voeren op 29 december 2009 en 25 januari 2010, maar dit

lukte niet. Vervolgens heeft zij [appellant] op 29 januari 2010 aangeschreven over de bestaande

achterstand, waarna het maandbedrag van december 2009 alsnog op 1 februari 2010, meer

dan twee maanden na de vervaldag, werd ontvangen.
LaSer stelt voorts dat zij wettelijk verplicht is een melding aan het BKR te doen als een

achterstand op een kredietovereenkomst niet binnen twee maanden na de vervaldag is

voldaan. Daarbij is de hoogte van de achterstand niet relevant. Omdat sprake was van een

achterstand als hiervoor bedoeld, heeft een melding aan het BKR plaatsgevonden. Die

melding is hersteld nadat de achterstand alsnog betaald werd, aldus LaSer. LaSer stelt dat zij

gelet op het voorgaande niet aansprakelijk is. Verder stelt zij dat het niet verstrekken van de

hypotheek door BLG niet het gevolg is van de a-codering bij het BKR. Tot slot stelt zij dat

[appellant] geenszins inzichtelijk heeft gemaakt dat hij enige schade zou hebben geleden.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 19 juni 2014 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het eindvonnis van 25 september 2014 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen, omdat de gestelde schade niet het gevolg is van een tekortkoming van LaSer maar het gevolg is van het door [appellant] niet aanleveren van de door BLG gewenste gegevens in 2010. [appellant] is tevens in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd en daarmee in hoger beroep het geschil in volle omvang voorgelegd aan het hof. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

LaSer heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn.

3.5.1.

In het kader van grief I heeft [appellant] allereerst betoogd dat hij met LaSer nimmer is overeengekomen dat in het kader van het aan [appellant] ter beschikking staande doorlopend krediet van € 1.250,=, naast het Laagste prijs & garantieplan (kosten € 14,95 per jaar) (LPGP) - als blijkend uit de als productie 1 aan de inleidende dagvaarding gehechte kredietovereenkomst (persoonlijke lening & doorlopend krediet) - tevens een protectie-overeenkomst zou gelden, het zogenaamde PrimeLine Protectie Plan (PPP), in welk verband [appellant] een maandelijkse beschermingsbijdrage verschuldigd zou zijn waarvan de hoogte afhankelijk is van de hoogte van het uitstaande saldo. Het bestaan van het PPP is [appellant] eerst gebleken na kennisname van de conclusie van antwoord, aldus [appellant] . Bij pleidooi heeft [appellant] voorts aangegeven dat het PPP in strijd is met artikel 34 Wet op het Consumentenkrediet (Wck), nu geen andere bijdragen van een kredietnemer mogen worden verlangd dan die genoemd in laatstgenoemd artikel. Hierbij heeft [appellant] verwezen naar het arrest van dit hof van 24 mei 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9465. Aldus heeft LaSer ten onrechte beschermingsbijdragen in rekening gebracht, aldus [appellant] .

3.5.2.

LaSer heeft zich op dit punt verweerd en onder meer aangevoerd dat het PPP mondeling is overeengekomen met [appellant] , ergens tussen maart 2005 (het moment van sluiting van de kredietovereenkomst als overlegd bij inleidende dagvaarding) en september 2005 (het moment van incassering van de eerste beschermingsbijdrage).
LaSer acht het ongeloofwaardig dat [appellant] vijf jaar lang maandelijkse incasso’s ten laste van zijn bankrekening in verband met zijn creditcardrekening – waarvoor hij ook overzichten ontving - heeft gezien maar zich nooit heeft afgevraagd waar dat voor was. Dit terwijl ook de jaarlijkse bijdrage voor het LPGP als verbonden aan de persoonlijke lening ten laste van hetzelfde krediet werd geïnd .

Nu [appellant] voorts in eerste aanleg niet heeft betwist dat het PPP was overeengekomen is sprake van een gedekt verweer. Evenmin heeft [appellant] een grief gericht tegen het feitelijk oordeel van de kantonrechter in onderdeel 2.1. van het tussenvonnis van 19 juni 2014, inhoudende “Op het krediet was een zogenoemde protectieovereenkomst met een laagste prijs & garantieplan van toepassing, waarvoor [appellant] onder meer een maandelijkse bijdrage van € 10,-- was verschuldigd. Afspraak was dat Laser dit bedrag maandelijks zou incasseren via een automatische incasso, als aflossing op het uitstaande kredietsaldo”. Het beroep op het ontbreken van een contractuele grondslag alsook op artikel 34 Wck is een eerst bij pleidooi opgeworpen nieuwe grief, waartegen LaSer bezwaar maakt.

3.5.3.

Het hof oordeelt als volgt.

3.5.3.1. Van een gedekt verweer in de zin van artikel 348 Rv is geen sprake: [appellant] heeft in eerste aanleg betoogd dat er geen grondslag was voor het in rekening brengen van de door [appellant] betaalde bedragen betreffende de credit card. LaSer heeft weliswaar bij conclusie van antwoord betoogd dat de bedragen verschuldigd waren vanwege het PPP, maar het dossier in eerste aanleg bevat verder geen processtukken waaruit blijkt dat [appellant] zijn verweer dan wel stellingname op dit punt vervolgens zou hebben prijsgegeven. LaSer onderbouwt ook geenszins op basis van welke proceshouding van [appellant] (bijvoorbeeld tijdens de comparitie van partijen, ter zake waarvan geen proces-verbaal is overgelegd) zij dit heeft mogen aannemen.

Voorts kan niet worden volgehouden dat [appellant] , gezien de verstrekte toelichting bij grief I, geen grief zou hebben gericht tegen het oordeel van de kantonrechter als hiervoor weergegeven. LaSer is immers uitvoerig op de stellingen van [appellant] in dit verband ingegaan zodat ook voor haar duidelijk was en is dat [appellant] zich niet met het oordeel kan verenigen.
Van een nieuwe grief is ten aanzien van het ontbreken van een contactuele grondslag voorts geen sprake, zoals blijkt uit de voorlaatste alinea van p. 4 van de memorie van grieven.

3.5.3.2. Artikel 34 Wck betreft een bepaling van dwingend recht, en moet als van openbare orde worden beschouwd. Het hof is gehouden ambtshalve in hoger beroep schending van deze bepaling te toetsen, zodat de twee-conclusie-regel hier niet aan de orde is. Ten aanzien van het arrest van dit hof waar [appellant] zich op beroept, geldt verder dat het hof zijn eerder oordeel over beschermingsbijdragen in het kader van Wck-krediet heeft genunanceerd in zijn arrest van 26 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1899.

In dat arrest is – kort gezegd - geoordeeld dat wanneer (aanvullende) diensten, zoals in de onderhavige zaak het PPP, niet verplicht zijn voor het verkrijgen van het doorlopend krediet, dit betekent dat de daarvoor in rekening gebrachte kosten niet vallen onder de kredietvergoeding als bedoeld in artikel 34 Wck en dus niet hoeven te worden meegenomen in de berekening van de ingevolge de artikelen 35, 36 Wck en het Besluit kredietvergoeding maximaal toegestane kredietvergoeding. Deze conclusie – aldus laatst genoemd arrest - sluit aan bij artikel 3 onder g van de Richtlijn 2008/48/EG en het daarop gebaseerde artikel 7:57 lid 1 onder g juncto lid 2 BW, dat bepaalt dat - vanaf 25 mei 2011 voor de onder die regeling vallende gevallen – de totale kosten van het krediet voor de consument ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst omvatten indien het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet te verkrijgen.

3.5.3.3. LaSer beroept zich op een na de kredietovereenkomsten gesloten PPP, zodat uit dien hoofde sprake kan zijn van een vrijwillig afgenomen dienst. In dat geval hoeft er niet getoetst te worden aan artikelen 34 Wck jo 35 en 36 Wck. [appellant] betwist echter stellig dat hij een PPP met LaSer is overeengekomen. Nu het door LaSer incasseren via de credit cardrekening van de daarmee samenhangende beperkte kosten per maand als zodanig geen sluitend bewijs vormt van de door [appellant] betwiste nadere overeenkomst, ligt het op de weg van LaSer te bewijzen dat het PPP tussen partijen is overeengekomen. LaSer zal zich mogen uitlaten over haar mogelijkheden dienaangaande op de wijze als hierna te bepalen.

Indien LaSer het bewijs van het afgesproken zijn van een PPP tussen partijen niet kan leveren, dan is [appellant] geen bijdragen verschuldigd geweest en ligt het in de rede de registratie bij BKR ter zake non-betaling van de beschermingsbijdrage aan te merken als onjuist en als een toerekenbare tekortkoming jegens [appellant] in het kader van de overeenkomst betreffende doorlopend krediet.
Levert LaSer bedoeld bewijs wel dan rijst de vraag of de registratie zoals door [appellant] betwist had mogen plaatsvinden respectievelijk moeten plaatsvinden.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat LaSer slaagt in haar bewijsvoering, zal het hof om redenen van proceseconomie alvast nader ingaan op hetgeen partijen ter zake de achterstand en de daarop gebaseerde registratie als zodanig hebben betoogd.

3.6.1.

[appellant] heeft in het kader van de registratie van de achterstand op 22 februari 2010 (hierna de A-codering) (zie productie 12 bij inleidende dagvaarding) in het kader van grief I voorts betoogd dat hij op 1 februari 2010 de brief van 29 januari 2010 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) heeft ontvangen, waarna hij op dezelfde dag het in bedoelde brief genoemde bedrag van € 20,= heeft betaald. Er is derhalve nooit een betalingsachterstand geweest van € 20,=, aldus [appellant] . LaSer heeft overigens ook in haar brief van 20 oktober 2010 (productie 15 bij inleidende dagvaarding) erkend dat zij ten onrechte tot achterstandscodering is overgegaan, door te melden dat zij per direct de beide coderingen heeft laten verwijderen en dat zij haar excuses aanbiedt voor het ongemak, aldus [appellant] . Voorts betoogt [appellant] dat als er al sprake zou zijn geweest van een achterstand, hij door LaSer had moeten worden gewaarschuwd dat, als hij niet tot betaling zou overgaan binnen een redelijke termijn, zij een A-codering zou registeren bij BKR, alsook wat daar de gevolgen van zouden zijn. Dit vloeit voort uit het algemeen reglement BKR 2014, waarin een termijn van vijf dagen voor alsnog voldoen van een achterstand staat genoemd. Deze waarschuwing is achterwege gebleven, aldus [appellant] . Eerdere aanmaningen dan de brief van 29 januari 2010 heeft [appellant] niet ontvangen, net zomin als een behoorlijke ingebrekestelling met een behoorlijke termijn van nakoming. Tenslotte is [appellant] van oordeel dat registratie bij BKR voor een achterstand van € 20,=, een draconische maatregel was en, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar .

3.6.2.

LaSer heeft betoogd dat van een erkenning, dat de melding bij BKR onterecht is geschied, geen sprake is geweest. Dat staat ook niet in de door [appellant] aangehaalde brief, waarin slechts “geautomatiseerd opgemaakte excuses voor ongemak” staan vermeld die geen erkenning inhouden. De A-codering is terecht en op goede gronden doorgegeven. LaSer heeft bij brief van 29 januari 2010 ook gewaarschuwd voor de effecten en bovendien gaat [appellant] voorbij aan de aan deze brief vooraf gegane betalingsherinneringen. Voorts zijn de deelnemers aan het BKR systeem verplicht om de gegevens waarvan het reglement BKR bepaalt dat die moeten worden geregistreerd respectievelijk gemeld aan het BKR te verstrekken. Van een draconische maatregel is geen sprake: het betrof een administratieve handeling met beperkte gevolgen, waartoe LaSer verplicht was. Aan de eis van proportionaliteit en subsidiariteit van de Wet Bescherming Persoonsgegevens is voldaan. Bij pleidooi heeft LaSer zich op het standpunt gesteld dat in het kader van de melding van de A-codering sprake is diverse nieuwe grieven van [appellant] bij pleidooi, waartegen zij bezwaar maakt.

3.6.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Met betrekking tot het bezwaar van LaSer tegen de nieuwe grieven rond de registratie geldt het volgende. Alle door [appellant] naar voren gebrachte aspecten rond de registratie betreffen hooguit een uitwerking van eerder door [appellant] ingenomen standpunten, die hetzij expliciet in de memorie van grieven zijn opgenomen hetzij als daarin herhaald onder verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg hebben te gelden. LaSer heeft deze standpunten ook bestreden en ook bij pleidooi gelegenheid gehad hierop en op de uitwerking van [appellant] nader te reageren.

3.6.4.

Uit de brief van 20 oktober 2010 als hierboven genoemd kan, naar het oordeel van het hof, geen onvoorwaardelijke erkenning van onterechte registratie worden afgeleid, of de excuses nu voor het ongemak echt gemeend of slechts geautomatiseerd zijn aangeboden.

3.6.5.

Met betrekking tot de door [appellant] gestelde plicht tot waarschuwen heeft [appellant] verwezen naar het Algemeen Reglement 2014. Tijdens het pleidooi is van de zijde van het hof aangegeven dat in 2010 waarschijnlijk een ander reglement gold, nu het hof er ambtshalve mee bekend is dat per 1 april 2010 het Algemeen Reglement BKR 2010 in werking is getreden. Van de zijde van LaSer is betoogd dat in februari 2010 (het moment van de A-coderingen met twee dagen later de herstel-melding) het Algemeen Reglement BKR 2009 gold. Het ligt in de rede dat dit reglement, voorzien van een verklaring van BKR dat tussen 2009 en 2010 geen nieuw reglement is ingevoerd, alsnog in het geding wordt gebracht, waarbij LaSer als meest gerede partij, namelijk deelnemer aan de BKR hiervoor zorg zal dienen te dragen, en wel op de wijze als hierna te bepalen. LaSer heeft zich immers ook op het Algemeen Regelement beroepen ten aanzien van haar plicht achterstanden te melden (zie ook hierna).

3.6.6.

[appellant] heeft zich erop beroepen dat de brief van 29 januari 2010 de eerste brief was die hij kreeg ter zake de achterstand. [appellant] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij eerdere brieven heeft ontvangen waarin hij is aangemaand en/of gewaarschuwd. Waar LaSer zich op dergelijke eerdere brieven beroept – de brief van 29 januari 2010 rept op zich ook van eerdere herinneringen – doch deze nog niet in het geding zijn gebracht, zal LaSer in de gelegenheid worden gesteld deze alsnog over te leggen, alsook aan te geven hoe LaSer het bewijs van de (dag van) ontvangst van de brief van 29 januari 2010 en eventuele voorafgaande aanmaningen door [appellant] ervan wenst te leveren, en wel op de hierna te bepalen wijze.

Deze brieven zullen ook (mogelijk) kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vraag of [appellant] “binnen twee dagen” heeft mogen opvatten als twee werkdagen dan wel twee dagen na ontvangst. Nu 29 januari 2010 - zoals tijdens pleidooi besproken - een vrijdag was, en [appellant] onweersproken heeft gesteld dat hij de brief pas op maandag 1 februari 2010 heeft ontvangen, heeft hij uitgaande van twee werkdagen of twee dagen na ontvangst in ieder geval tijdig betaald. Uit het door LaSer zelve als productie bij conclusie van antwoord overgelegde overzicht blijkt dat het in de brief van 29 januari 2010 genoemde bedrag van 20,= (“ontvangen betaling”) door LaSer op 1 februari 2010 is ontvangen. In dat geval zou de registratie ten onrechte hebben plaatsgevonden.

Blijkt dat [appellant] wel de gestelde brieven heeft ontvangen, dan zal de daarin vervatte informatie tevens bepalend zijn voor de vraag of een termijn van twee (kalender)dagen als opgenomen in de brief van 29 januari 2010 een redelijke termijn is, althans er voldaan is aan een termijn als door het Algemeen Reglement BKR als van toepassing in februari 2010 mogelijk bepaald en wellicht ook voldaan is aan andere formaliteiten. Zo is het hof ambtshalve bekend met het feit dat in het Algemeen Reglement BKR 2006 artikel 23 bepaalt dat bij een krediet als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder b (een revolverend (doorlopend) krediet als in deze aan de orde), een achterstandsmelding eerst aan de orde is wanneer sprake is van een overstand van 10% van de contractueel overeengekomen kredietlimiet met een minimum bedrag van € 500,=.

Voor de vraag of LaSer onverkort gehouden was tot melding indien de termijn twee kalenderdagen na datum verzending betrof – uitgaande van het door [appellant] alsdan één dag te laat betalen – kunnen dergelijke nadere voorwaarden ook van belang zijn. Hetzelfde geldt voor de door [appellant] opgeworpen vraag van proportionaliteit respectievelijk de stellingname dat registratie in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.
Voorshands lijkt het zonder eerdere waarschuwingen hanteren van een betaaltermijn van twee kalenderdagen in een op vrijdag verzonden brief in ieder geval geen redelijke termijn.

3.7.

Om redenen van proceseconomie zal het hof ook reeds ingaan op grief II en hetgeen partijen ter zake hebben opgemerkt.

3.7.1.

[appellant] heeft zakelijk weergeven betoogd dat de kantonrechter het karakter van de Self Certified Hypotheek (SCH) heeft miskend. Bij een SCH beoordelen de beoogde kredietnemer/klant en zijn adviseur zelf of de inkomenssituatie van klant toereikend is om de geldlening af te sluiten. De door de klant (en door de adviseur gecontroleerde) verklaring ter zake is vervolgens voldoende. Inkomensbescheiden behoeven in dat geval niet te worden overgelegd, het inkomen hoeft niet middels officiële jaarstukken van een accountant te worden aangetoond en daarom was de SCH aantrekkelijk voor [appellant] . Naast een inkomenstoets aan de hand van de eigen verklaring als hiervoor omschreven vindt een BKR-toets plaats door of namens de beoogd hypotheekverstrekker. Eventuele coderingen op naam van de aanvrager, ook herstelde betalingsachterstanden, zijn voor de beoogd verstrekker aanleiding om de offerte in te trekken. Dat is hetgeen [appellant] overkomen is naar aanleiding van de A-codering en H-codering in februari 2010: BLG ) heeft naar aanleiding hiervan per 9 augustus 2010 de oorspronkelijke offerte ingetrokken en stukken van de laatste drie jaar verlangd. Een SCH hoorde niet meer tot de mogelijkheden. [appellant] kon niet binnen de gegeven termijn volledige jaarcijfers laten opstellen en bovendien was niet aannemelijk dat de jaarcijfers van [appellant] aan de vereisten van BLG zouden voldoen. Ten tijde van de verwijdering van de onterechte coderingen in juli 2011 was de SCH niet meer als hypotheekvorm beschikbaar. Hierdoor heeft [appellant] schade geleden die in condictio sine qua non – verband staat tot de onterechte BKR- registratie, en die daarvan ook een voorzienbaar gevolg was. De door BLG naar aanleiding van die registratie gestelde nadere voorwaarden vormen geen aan [appellant] toe te rekenen schadeoorzaak. De kantonrechter had de zogenaamde omkeringsregel moeten toepassen, aldus [appellant] .

3.7.2.

LaSer heeft verweer gevoerd, als hierna zakelijk weergegeven. De door [appellant] gestelde en door LaSer betwiste schade had kunnen worden voorkomen als [appellant] de gegevens had verschaft die door of namens BLG werd verzocht en door ten minste te reageren op de e-mailberichten van BLG. Vaststaat dat de tussenpersoon van [appellant] niet heeft gereageerd op de mail van Welke Financiële Diensten (WFD) namens BLG voorafgaand aan de mail van 30 augustus 2010, aldus LaSer . De offerte op basis van SCH was al verlopen in oktober 2009. [appellant] heeft geen enkele poging ondernomen om WFD en / of BLG ervan te overtuigen dat de coderingen geen reden waren om niet door te gaan met de SCH. [appellant] heeft zelfs niet gepoogd om BLG contact te laten op nemen met LaSer teneinde informatie te verkrijgen over de codering. [appellant] heeft de zaak op zijn beloop gelaten en BLG niet getracht te bewegen om het krediet ook zonder jaarstukken te verlenen. Dat voor de SCH het ontbreken van een negatieve melding in het CKI van BKR een absolute voorwaarde vormde wordt door [appellant] niet onderbouwd. Het is de ervaring van LaSer dat bij navraag bij haar dergelijke meldingen in geval van een bevredigend antwoord niet aan een kredietverlening in de weg staan.

[appellant] had in het kader van zijn plicht schade te voorkomen en te beperken BLG erop moeten wijzen dat de coderingen geen afbreuk deden aan zijn kredietwaardigheid en niet behoorden te leiden tot weigeren van het verstrekken van een SCH. Er is sprake van eigen schuld aan de zijde van [appellant] door na te laten anders te handelen richting BLG, terwijl ook het niet kunnen beschikken over jaarstukken – hetgeen LaSer overigens betwist - aan [appellant] zelf is toe te rekenen. LaSer betwist in algemene zin de door [appellant] reeds genoemde schade.

3.7.3.1. LaSer heeft het door [appellant] gestelde causaal verband tussen de coderingen bij BKR enerzijds en de weigering aan [appellant] een SCH te verlenen door BLG anderzijds gemotiveerd betwist.

Indien derhalve in deze procedure komt vast te staan dat van onterechte coderingen als door LaSer verricht althans bewerkstelligd sprake is, dient conform de hoofdregel van artikel 150 Rv [appellant] bewijs te leveren van het door hem gestelde causaal verband. Weliswaar bevat de e-mail van 30 augustus 2010 (productie 13 bij inleidende dagvaarding) de mededeling dat vanwege een recente a-codering met herstel BLG alleen een offerte wil uitbrengen indien volledige jaarcijfers en aangiftes IB over de afgelopen 3 jaar worden aangeleverd en dat de aangeleverde verklaring niet afdoende is. Maar deze e-mail rept tevens van eerdere aanvullende vragen “om een offerte te kunnen uitbrengen”, doch ter zake is geen bericht overgelegd noch is aangegeven wat die vragen precies behelsden. In ieder geval wijzen in eerste instantie de woorden ‘een offerte te kunnen uitbrengen’ niet aanstonds op voortzetting van behandeling van de door [appellant] aanvaarde offerte van oktober 2009 (productie 3 bij inleidende dagvaarding), zoals [appellant] wel stelt en aan het causaal verband ten grondslag legt.

3.7.3.2. De door [appellant] ingeroepen omkeringsregel is in deze niet aan de orde. Schending van een norm gericht op voorkoming van een specifiek gevaar ter zake het ontstaan van – als in deze – zuivere vermogensschade is door [appellant] niet onderbouwd: de registratie bij BKR vindt niet plaats om [appellant] of andere kredietnemers te behoeden voor het op grond van onjuiste informatie niet verkrijgen van krediet, al laat dit onverlet dat registratie bij BKR uiteraard wel correct dient plaats te vinden.

3.7.3.3. [appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld zich nader uit te laten omtrent de wijze waarop hij het hierboven bedoelde bewijs nader wenst bij te brengen, op de wijze zoals hieronder te bepalen. Desgewenst zal [appellant] in dit verband alvast schriftelijke verklaringen kunnen overleggen van WFD en/of BLG omtrent de door hen gekozen opstelling in de zomer van 2010 en de onmogelijkheid voor [appellant] om op basis van de hem toen ter beschikking staande stukken een hypotheek te verkrijgen als beoogd, alsook zal [appellant] nadere informatie kunnen verschaffen omtrent de hierboven bedoelde aanvullende vragen. In dit verband lijkt overlegging van de drie in 2010 beschikbare aangiften van voorgaande jaren alsook daarbij horende cijfers evenzeer gewenst.

3.7.4.

De stelling van LaSer dat door [appellant] onvoldoende is ondernomen om zijn schade te voorkomen of te beperken, dan wel dat [appellant] eigen schuld heeft aan de door hem gestelde schade dient eveneens nader te worden onderzocht, maar uiteindelijk rust de bewijslast op de voet van artikel 150 Rv ter zake bij LaSer. LaSer wordt om redenen van proceseconomie uitgenodigd desgewenst alvast schriftelijke verklaringen te overleggen van WFD en/of BLG ter zake de door LaSer gestelde doch door [appellant] betwiste bereidheid van WFD en/of BLG om naar toelichtingen ten aanzien van de registratie te luisteren en daar vervolgens naar te handelen, op de wijze als hieronder te bepalen.

3.7.5.

Wat betreft de door [appellant] gestelde schade betreft acht het hof het tenslotte denkbaar dat vijf jaar na dato [appellant] een overzicht kan geven van de diverse schadeposten, als volgens hem reeds geleden als ook een schatting te maken van toekomstige posten en gevolgen van de aan LaSer verweten gedraging. [appellant] wordt in de gelegenheid gesteld een dergelijk overzicht thans reeds in het geding te brengen.

3.8.

Beide partijen zal de gelegenheid worden geboden bij gelijktijdig in te dienen aktes zich uit te laten als hierboven op diverse plaatsen per partij aangegeven, teneinde in het bijzonder de bescheiden en producties in het geding te brengen als per onderdeel aangegeven.

Vervolgens zullen partijen gelijktijdig op de akte en stukken van de wederpartij mogen reageren. Daarna zal het hof hetzij bewijsopdrachten formuleren hetzij eerst nog een comparitie van partijen gelasten.

3.9.

[appellant] zal in zijn akte aandacht besteden aan en stukken overleggen betreffende hetgeen is opgenomen in de onderdelen 3.7.3.3. en 3.7.5..

LaSer zal in haar akte aandacht besteden aan en stukken overleggen betreffende hetgeen is opgenomen in de onderdelen 3.5.3.3., 3.6.5., 3.6.6. en 3.7.4..

3.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 19 januari 2016 voor gelijktijdige akte houdende overlegging producties door [appellant] respectievelijk LaSer als bedoeld in onderdeel 3.9 van dit arrest;

bepaalt dat vervolgens ieder van partijen gelijktijdig vier weken later een antwoordakte zal mogen nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, R.R.M. de Moor en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 december 2015.

griffier rolraadsheer