Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5322

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
HD 200.148.774_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Belangenverstrengeling met bedrijf waarin echtgenote aandeelhoudster is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0045
AR 2016/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.148.774/01

arrest van 29 december 2015

in de zaak van

Holding [Holding] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. S.M.E. van Dijsseldonk te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 april 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, Kanton Eindhoven van 13 februari 2014, gewezen tussen appellante in het principaal appel - [Holding] - als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en geïntimeerde in het principaal appel - [geïntimeerde] - als eiser in conventie en verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 888660 rolnr. 13-3987)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel, waarbij een productie is overgelegd.

Nadat partijen arrest hebben gevraagd, is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de betreffende memories.

4 De beoordeling

4.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [Holding] is een onderdeel van de Vacansoleil Groep. De hoofdactiviteit van [Holding] is het project Iris Parc, waarin in eigen beheer campings worden opgericht en uitgebaat. [Holding] is geen bouwbedrijf en heeft geen bouwmedewerkers in dienst.

b. [geïntimeerde] is van 1 november 2010 tot 1 november 2011 via een detacheringsbureau bij [Holding] gedetacheerd geweest in de functie van bouwmanager voor het project Iris Parc. [geïntimeerde] heeft op verzoek van [Holding] een aannemer gezocht voor werkzaamheden in Frankrijk betreffende het project Iris Parc. Het betrof werkzaamheden waarop hij als bouwmanager toezicht diende te houden. [geïntimeerde] heeft eind 2010 als aannemer voorgedragen Iza Holland, gevestigd te Roemenië. [Holding] heeft op 3 februari 2011 de betreffende opdracht verstrekt aan Iza Holland.

c. [geïntimeerde] is aansluitend aan de hiervoor in sub b. genoemde detachering met ingang van 1 november 2011 voor bepaalde tijd tot 1 november 2012 bij [Holding] in dienst getreden als bouwmanager. Zijn brutosalaris bedroeg € 4.629,63, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor de reisbranche van toepassing.

d. Ook in het kader van zijn arbeidsovereenkomst diende [geïntimeerde] toezicht te houden op door Iza Holland in Frankrijk te verrichten werkzaamheden.

e. De echtgenote van [geïntimeerde] is in elk geval tot 15 februari 2011 voor 50% aandeelhoudster en tevens statutair directrice van Iza Holland geweest.

f. [Holding] heeft [geïntimeerde] op 4 juli 2012 op staande voet ontslagen. De ontslagbrief van 4 juli 2012 (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Als bouwmanager bent u belast met het coördineren van de bouwwerkzaamheden die dienden te worden uitgevoerd ten behoeve van in het kader van Iris Parc op te richten campings. In dat kader hebt u ons geattendeerd op het bedrijf Iza Holland (…). Naar aanleiding van uw aanbeveling zijn wij met Iza Holland tot een akkoord gekomen (…).

Iza Holland heeft de bouwwerkzaamheden aan de (…) campings vanaf eind 2010 ter hand genomen. Gedurende de eerste maanden hadden wij in grote lijnen weinig aan te merken op de kwaliteit (…). Vanaf begin 2011 is daar echter verandering in gekomen. (…) De kwaliteit van het werk bleek niet naar de maat (…). Uw (…) wijze van coördineren en (…) communiceren hebben bij ons steeds meer de indruk gewekt dat u (…) weinig tot geen druk uitoefende op Iza Holland (…). Wij hebben u daarover bij herhaling op zeer kritische wijze aangesproken maar kregen feitelijk nooit het gevoel dat u deze kritiek serieus nam (…).

Parallel daaraan zijn wij bekend geworden met berichten waarbij wij de nodige vraagtekens hebben gezet. Begin 2011 is ons namelijk het gerucht ter ore gekomen dat u op enigerlei wijze persoonlijke banden met Iza Holland zou onderhouden. Ik heb u met deze geruchten geconfronteerd en u op de man af gevraagd wat hiervan waar is. Ik heb u daarbij voorgehouden dat deze informatie voor ons van groot belang is, omdat wij – uiteraard – niet kunnen accepteren dat onze Bouwmanager mogelijk een belang heeft dat tegenstrijdig is met het onze. U hebt toen echter in alle toonaarden ontkend dat ook maar iets van deze geruchten zou kloppen. U hebt aangegeven dat u op geen enkele wijze een persoonlijke band met Iza Holland hebt. (…)

Uit (…) onderzoek is recentelijk gebleken dat u wel degelijk een persoonlijke relatie met Iza Holland hebt. U bent namelijk gehuwd met de statutair directeur (althans statutair gemachtigde) en tevens (voor 50%) aandeelhouder van Iza Holland, mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] .

Ik heb u (…) vandaag (…) in het bijzijn van de [vertegenwoordiger Holding] (…) en de [vertegenwoordiger Holding] (…) met deze bevindingen geconfronteerd. Ik heb u voorgehouden dat de genoemde recente bevindingen geheel tegenstrijdig zijn met hetgeen u hierover eerder aan mij heeft verklaard. Ik heb u vandaag in de gelegenheid gesteld hierop uw zienswijze te geven (…). De enige reactie bestond uit uw opmerking dat naar uw mening de werkzaamheden (…) goed zijn uitgevoerd. Verder heeft u niet ontkend dat uw vrouw mede-eigenaresse van Iza Holland is, (…).

Ontslag op staande voet

Wij constateren dat vast is komen te staan dat u niet uit eigen beweging hebt verteld dat u gehuwd bent met mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] , terwijl zij als statutair directeur althans statutair gemachtigde en tevens (voor 50%) aandeelhouder van Iza Holland een belang heeft bij Iza Holland, (…). U hebt zelfs op navraag ontkend dat u op enigerlei wijze een persoonlijke band met Iza Holland zou hebben, terwijl dit laatste dus wel degelijk het geval is. Wij achten dit onacceptabel en maken u daarvan een ernstig verwijt. Gezien (i) de contractuele verhouding van Iris Parc (…) ten opzichte van Iza Holland, (ii) de positie en de belangen van mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] binnen Iza Holland en (iii) uw eigen positie als Bouwmanager van Iris Parc, had u zich terdege moeten realiseren dat de vraag of u gehuwd bent met mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] voor ons van essentieel belang is. (…) Door desalniettemin niet te vertellen dat u met mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] gehuwd bent en desgevraagd in strijd met de waarheid te ontkennen dat u een persoonlijke band met Iza Holland onderhoudt, heeft u bewust de schijn van belangenverstrengeling op u geladen. (…)

Holding [Holding] merkt de bovenstaande gedraging (…) aan als een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Op basis daarvan zeg ik hierbij dan ook uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op. (…)

Daarnaast bent u schadeplichtig, nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd op grond van een omstandigheid waarvan u een ernstig verwijt kan worden gemaakt. (…)”

4.2.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank:

1. [Holding] veroordeelt om aan hem te betalen ter zake van achterstallig salaris over de maanden juli 2012 tot 1 november 2012 € 18.518,52 bruto, te vermeerderen met de wettelijke vakantietoeslag van 8%, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW van 50% van het netto-equivalent hiervan, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over de som van deze bedragen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

2. [Holding] veroordeelt om aan hem binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, op de voet van art. 7:626 BW de loonstroken te verstrekken betreffende de verplichte loonbetalingen aan hem vanaf de maand juli 2012 tot 1 november 2012, bij gebreke waarvan [Holding] aan [geïntimeerde] zal zijn verschuldigd een dwangsom van € 50,- voor elke dag of dagdeel dat zij hiermee jegens [geïntimeerde] in gebreke blijft;

3. [Holding] veroordeelt in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris gemachtigde, te betalen binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan [Holding] aansluitend de wettelijke rente tot aan de dag van algehele betaling zal zijn verschuldigd.

4.2.2

[Holding] heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank:

a. voor recht zal verklaren dat het door [Holding] op 4 juli 2012 aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet rechtmatig is gegeven;

b. voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] in verband met de gedragingen welke tot het ontslag op staande voet hebben geleid, aansprakelijk is jegens [Holding] wegens opzet dan wel schuld als bedoeld in art. 7:677 BW;

c. [geïntimeerde] zal veroordelen om op grond van de schadeplichtigheid die voortvloeit uit aansprakelijkheid ex art. 7:677 BW aan [Holding] te betalen € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 4 juli 2012, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

d. voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is jegens [Holding] wegens opzet dan wel bewuste roekeloosheid als bedoeld in art. 7:661 BW, zoals aangegeven in onderdeel 4.4 tot 4.6 van haar conclusie van eis in reconventie;

e. [geïntimeerde] zal veroordelen om op grond van de schadeplichtigheid die voortvloeit uit vorenbedoelde aansprakelijkheid ex art. 7:661 BW, alle schade te voldoen die [Holding] hierdoor reeds heeft geleden en nog zal lijden, onder bepaling dat (de omvang van) de schade nader dient te worden opgemaakt bij schadestaat,

met veroordeling van [geïntimeerde] in conventie en reconventie in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [Holding] .

4.2.3

De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat er in ieder geval sprake is geweest van de schijn van belangenverstrengeling, welke door het handelen van [geïntimeerde] is veroorzaakt en dat dit een objectief en subjectief dringende reden vormt op grond waarvan [Holding] gerechtigd was de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De vorderingen in conventie zijn afgewezen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

De rechtbank heeft in reconventie het onder a. gevorderde toegewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van schuld aan de zijde van [geïntimeerde] en dat evenmin is komen vast te staan dat hij met opzet of bewuste roekeloosheid heeft gehandeld. De vorderingen b, c, d en e van [Holding] zijn daarom afgewezen. De proceskosten in reconventie zijn gecompenseerd.

4.3.1

Bij memorie van grieven heeft [Holding] twee grieven geformuleerd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarin zijn afgewezen:

de onder b. gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] in verband met de gedragingen welke tot het ontslag op staande voet hebben geleid, aansprakelijk is jegens [Holding] wegens opzet dan wel schuld als bedoeld in art. 7:677 BW;

de onder c. gevorderde vordering om [geïntimeerde] te veroordelen om op grond van de schadeplichtigheid die voortvloeit uit aansprakelijkheid ex art. 7:677 BW aan [Holding] te betalen € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 4 juli 2012, althans vanaf de dag der conclusie van eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening;

en vervolgens deze twee vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

4.3.2

[geïntimeerde] heeft in zijn incidenteel appel vier grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis voor zover daarin zijn vorderingen sub 1 en 2 zijn afgewezen, onder de bepaling dat deze alsnog worden toegewezen. Hij vordert verder bevestiging van het vonnis voor zover daarin de vorderingen sub b, c, d en e in reconventie zijn afgewezen en ontzegging aan [Holding] van haar toegewezen reconventionele vordering(en).

[Holding] heeft verweer gevoerd.

In het principaal en incidenteel appel:

4.4

[Holding] voert aan dat [geïntimeerde] geen grief heeft geformuleerd tegen de door de kantonrechter in reconventie gegeven verklaring voor recht dat het gegeven ontslag rechtmatig is gegeven en dat daarom een inhoudelijke beoordeling van de grieven van [geïntimeerde] niet aan de orde is.

De kantonrechter heeft in conventie in r.o. 4.1 van het vonnis geoordeeld over de vraag of sprake is van een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW, en is daarbij tot de conclusie gekomen dat die dringende reden bestaat. In reconventie is vervolgens door de kantonrechter met enkel de opmerking dat de vordering in conventie wordt afgewezen, geoordeeld dat de vordering sub a van [Holding] toewijsbaar is. Nu de eerste grief van [geïntimeerde] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat een dringende reden bestaat, en [geïntimeerde] bovendien afwijzing heeft gevorderd van hetgeen in eerste aanleg in reconventie is toegewezen, laten de gedingstukken geen andere uitleg toe dan dat zijn eerste grief zich ook uitstrekt tegen de in het vonnis gegeven verklaring voor recht dat het gegeven ontslag rechtmatig is gegeven. Het hof zal dus ook de grieven van [geïntimeerde] inhoudelijk beoordelen.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke beoordeling, en zullen daarom niet afzonderlijk worden beoordeeld.

4.5.1

Allereerst ligt de vraag voor welke dringende reden ten grondslag is gelegd aan het ontslag en of het bestaan van deze dringende reden voldoende is komen vast te staan.

Uit de hiervoor geciteerde ontslagbrief van 4 juli 2012 blijkt dat de kern van het door [Holding] gemaakte verwijt dat ten grondslag is gelegd aan het ontslag bestaat uit de volgens [Holding] op 4 juli 2012 bestaande band tussen de echtgenote van [geïntimeerde] en Iza Holland. Die ontslagbrief houdt wat dit betreft in:

“(…)

Ontslag op staande voet

Wij constateren dat vast is komen te staan dat u niet uit eigen beweging hebt verteld dat u gehuwd bent met mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] , terwijl zij als statutair directeur althans statutair gemachtigde en tevens (voor 50%) aandeelhouder van Iza Holland een belang heeft bij Iza Holland, (…). U hebt zelfs op navraag ontkend dat u op enigerlei wijze een persoonlijke band met Iza Holland zou hebben, terwijl dit laatste dus wel degelijk het geval is. Wij achten dit onacceptabel en maken u daarvan een ernstig verwijt. Gezien (i) de contractuele verhouding van Iris Parc (…) ten opzichte van Iza Holland, (ii) de positie en de belangen van mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] binnen Iza Holland en (iii) uw eigen positie als Bouwmanager van Iris Parc, had u zich terdege moeten realiseren dat de vraag of u gehuwd bent met mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] voor ons van essentieel belang is. (…) Door desalniettemin niet te vertellen dat u met mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] gehuwd bent en desgevraagd in strijd met de waarheid te ontkennen dat u een persoonlijke band met Iza Holland onderhoudt, heeft u bewust de schijn van belangenverstrengeling op u geladen. (…)

Holding [Holding] merkt de bovenstaande gedraging (…) aan als een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.(…)”.

Uit de brief van 11 juli 2012 die namens [geïntimeerde] is geschreven (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg), kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] een en ander ook aldus heeft begrepen.

4.5.2

[geïntimeerde] heeft voldoende onderbouwd betwist dat zijn echtgenote omstreeks juli 2012 nog statutair directeur althans statutair gemachtigde en tevens (voor 50%) aandeelhouder van Iza Holland was en toen nog een belang had bij Iza Holland. Het is, gelet op die betwisting, aan [Holding] om deze stellingen te onderbouwen en eventueel te bewijzen.

Het hof komt daaraan echter niet toe. De kantonrechter heeft namelijk in reconventie geoordeeld dat [Holding] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken het betoog van [geïntimeerde] dat zijn vrouw, die sinds 1998 in Nederland is, in Roemenië de aandelenoverdracht heeft geregeld, waarvoor zij geen geld heeft gekregen en dat hij, [geïntimeerde] , om die reden eind 2011 tegen [Holding] (in de persoon van [vertegenwoordiger Holding] ) heeft gezegd dat het bedrijf niet van zijn echtgenote was. [Holding] heeft in hoger beroep niet (langer) aangevoerd dat de echtgenote van [geïntimeerde] in juli 2012 nog steeds statutair directeur althans statutair gemachtigde en tevens (voor 50%) aandeelhouder van Iza Holland was. Het hof wijst onder meer op nr. 12 en nr. 28 van haar memorie van grieven. In nr. 12 voert [Holding] aan dat zij het onacceptabel achtte dat “(…) [geïntimeerde] niet uit eigen beweging had verteld dat hij gehuwd was met mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] , terwijl zij (op met moment waarop de vraag aan [geïntimeerde] voorlag om een geschikte aannemer te zoeken voor Holding [Holding] ) als statutair directeur althans statutair gemachtigde en tevens (voor 50%) aandeelhouder van IZA Holland een groot persoonlijk belang had bij IZA Holland, (…). [geïntimeerde] had bovendien begin 2011 op navraag ontkend dat hij op enigerlei wijze een persoonlijke band met IZA Holland zou hebben, terwijl dit laatste dus wel degelijk het geval bleek te zijn geweest.”. Het hof begrijpt dat [Holding] in nr. 28 ook uitgaat van de juistheid van de stelling van [geïntimeerde] dat zijn echtgenote de aandelen in Iza Holland heeft verkocht. Het hof wijst verder op nr. 14 in de memorie van antwoord in incidenteel appel van [Holding] , waarin [Holding] onder meer naar voren brengt dat de echtgenote van [geïntimeerde] op 15 februari 2011 haar belang in IZA Holland heeft opgegeven. Al met al komt het hof tot de conclusie dat [Holding] in de loop der tijd de reden voor het ontslag verschuift van, kort gezegd, “de echtgenote van [geïntimeerde] was ten tijde van het ontslag in juli 2012 nog statutair directeur en aandeelhouder van Iza Holland” naar “ [geïntimeerde] heeft verzwegen dat zijn echtgenote ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Iza Holland, statutair directeur en aandeelhouder was van Iza Holland”. Dat laatste is echter niet de ontslagreden geweest. Nu [Holding] thans niet stelt dat in juli 2012 de echtgenote van [geïntimeerde] nog aandeelhoudster en tevens statutair directrice van Iza Holland was (het hof heeft evenmin stukken aangetroffen waaruit dit blijkt), is de juistheid van de door [Holding] gegeven reden voor het gegeven ontslag niet komen vast te staan. Als gezegd gaat [Holding] er zelf ook van uit dat de echtgenote van [geïntimeerde] haar belang reeds op 15 februari 2011 heeft opgegeven.

4.5.3

Voor zover [Holding] heeft willen aanvoeren dat [geïntimeerde] op 4 juli 2012 niet heeft ontkend dat zijn echtgenote nog statutair directeur was op 4 juli 2012, zodat om die reden het ontslag terecht is, leidt dit niet tot een ander oordeel. Voor zover een en ander al zo is gebeurd op 4 juli 2012, heeft [geïntimeerde] dit kort daarop recht gezet in zijn brief van 11 juli 2012, waarin hij tevens heeft verklaard bereid te zijn de bedongen werkzaamheden uit te voeren. Er stond [Holding] dus wat dat betreft niets in de weg om het door haar gegeven ontslag op grond van een dringende reden in te trekken.

4.5.4

De conclusie uit het voorgaande is dat alle vorderingen van [Holding] moeten worden afgewezen.

4.6

[Holding] heeft voor het overige alleen nog verzocht de gevorderde wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW op nihil te stellen althans te matigen naar billijkheid. Het hof ziet in het feit dat [geïntimeerde] voorafgaand aan de opdrachtverlening door [Holding] aan IZA Holland en toen hem is gevraagd of hij een band met IZA Holland had, niet spontaan aan [Holding] heeft meegedeeld dat zijn echtgenote in elk geval betrokken is geweest bij Iza Holland, voldoende reden om deze wettelijke verhoging op nihil te stellen. Voor het overige ligt de vordering van [geïntimeerde] voor toewijzing gereed.

4.7

Uit het vorenstaande blijkt dat het principaal beroep faalt en het incidentele beroep slaagt, zodat het vonnis niet in stand kan blijven. Voor zover bewijs is aangeboden, is dat onvoldoende concreet geweest, dan wel is het, gelet op vorenstaande oordelen, onvoldoende ter zake dienend, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

[Holding] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en dient in de proceskosten van beide instanties te worden veroordeeld.

5 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel:

verwerpt het beroep;

in het incidenteel appel:

vernietigt het in conventie en reconventie gewezen vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover in dat vonnis in reconventie de vorderingen onder b, c, d en e zijn afgewezen, en doet opnieuw recht als volgt:

veroordeelt [Holding] in conventie om aan [geïntimeerde] te betalen ter zake van achterstallig salaris over de maanden juli 2012 tot 1 november 2012 € 18.518,52 bruto, te vermeerderen met de wettelijke vakantietoeslag van 8%, te vermeerderen met de wettelijke rente over de som van deze bedragen vanaf de dag van dagvaarding (27 maart 2013) tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt [Holding] in conventie om aan [geïntimeerde] binnen 14 dagen na betekening van dit arrest, op de voet van art. 7:626 BW de loonstroken te verstrekken betreffende de verplichte loonbetalingen aan hem vanaf de maand juli 2012 tot 1 november 2012, bij gebreke waarvan [Holding] aan [geïntimeerde] is verschuldigd een dwangsom van € 50,- voor elke dag of dagdeel dat zij hiermee jegens [geïntimeerde] in gebreke blijft;

in het principaal en incidenteel appel:

veroordeelt [Holding] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 448,- aan griffierecht, € 81,21 kosten betekening dagvaarding en € 900,- aan salaris advocaat in eerste aanleg in conventie en reconventie en op € 308,- aan griffierecht en op € 1.341,- aan salaris advocaat in het principaal en incidenteel hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 december 2015.

griffier rolraad