Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:522

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
HD 200 098 417_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:612, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

artikel 3:15j aanhef en sub d BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 15j aanhef
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2015/47
NJF 2015/193
JONDR 2015/546
JOR 2016/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.098.417/01

arrest van 17 februari 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Europa] Europa B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

tegen

mr. drs. M.C. Schmitz,

in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Grondverbetering] Grondverbetering B.V.,

kantoor houdende te [kantoorplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 november 2011 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 2 november 2011 in kort geding tussen appellante – [appellante] – als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en geïntimeerde – de curator – als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 165309/KG ZA 11-439)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de op 17 juni 2013 van de zijde van de curator toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

- de op 20 juni 2013 van de zijde van [appellante] toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In de overwegingen 2.1. en 2.2. van het bestreden vonnis van 2 november 2011 heeft de voorzieningenrechter de feiten vastgesteld, waarvan hij bij de beoordeling van het geschil tussen partijen is uitgegaan. Hiertegen zijn geen grieven gericht noch zijn deze feiten anderszins ter discussie gesteld, zodat deze door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten ook het hof tot uitgangspunt strekken. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof deze feiten hierna herhalen en, waar nodig, aanpassen en aanvullen. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. a) [appellante] heeft op 20 april 2009 een koopovereenkomst gesloten met [Grondverbetering] Grondverbetering B.V. (hierna “HAG”), waarbij [appellante] aan HAG grondverbetermachines heeft verkocht voor een totaalprijs van € 1.150.000,-

b) HAG heeft de helft van deze koopprijs voldaan.

c) HAG is ten aanzien van de resterende helft van de te betalen koopprijs (een bedrag van
€ 575.000,-) met [appellante] een overeenkomst van geldlening aangegaan.

d) Bij vonnis van 25 januari 2011 van de rechtbank Maastricht is HAG in staat van faillissement verklaard en is de curator aangesteld in haar hoedanigheid.

e) [Beheer] Beheer B.V. (hierna “[Beheer]”) was voorafgaand aan het faillissement van HAG enig (statutair) bestuurder van HAG. [enig bestuurder van Beheer] (hierna “[enig bestuurder van Beheer]”) was toen enig bestuurder van [Beheer] Beheer.

4.2.1.

Volgens [appellante] is HAG uit hoofde van voormelde overeenkomst van geldlening nog een bedrag van € 514.915,86 verschuldigd en heeft [appellante] daarnaast nog een vordering van € 122.000,- uit anderen hoofde op HAG. Deze bedragen zijn naar de stellingen van [appellante] niet door haar op HAG te verhalen. [appellante] acht
[Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en de hieronder nader te duiden [vader van enig bestuurder van Beheer] hiervoor (hoofdelijk) aansprakelijk. [Beheer] kan als bestuurder een persoonlijk verwijt worden gemaakt van het feit dat de vorderingen van [appellante] niet op HAG verhaalbaar zijn. Queisen is op grond van het bepaalde in artikel 2:11 BW mede hoofdelijk aansprakelijk. De bestuurders hebben niet de zorgvuldigheid in acht genomen die zij jegens de individuele schuldeiser [appellante] in acht hadden behoren te nemen. Er waren geen adequate voorzieningen getroffen voor de voldoening van de vorderingen van [appellante] en er was sprake van selectieve betalingen. [Beheer] heeft tezamen met [vader van enig bestuurder van Beheer], de vader van [enig bestuurder van Beheer] en feitelijk bestuurder van HAG, bewerkstelligd dat HAG is “leeggemaakt” door projecten aan te nemen op naam van een andere vennootschap, genaamd Tuintechnisch Hoveniersbedrijf [tuintechnisch hoveniersbedrijf] B.V. – naar de stellingen van [appellante] het bedrijf van [vader van enig bestuurder van Beheer] (het hof neemt op grond van de stukken aan dat [vader van enig bestuurder van Beheer] directeur/grootaandeelhouder is van [holding] Holding B.V., de bestuurder en enig aandeelhouder van Tuintechnisch Hoveniersbedrijf [tuintechnisch hoveniersbedrijf] B.V.) - en de kosten voor grondstoffen, materieel en personeel te laten vallen in de onderneming van HAG zonder Tuintechnisch Hoveniersbedrijf [tuintechnisch hoveniersbedrijf] B.V. daarvoor te factureren. HAG verarmde hierdoor ten gunste van Tuintechnisch Hoveniersbedrijf [tuintechnisch hoveniersbedrijf] B.V. voormeld, en is hierdoor uiteindelijk in staat van faillissement verklaard, aldus [appellante]. Een voormalig werknemer van Hoverniersbedrijf [tuintechnisch hoveniersbedrijf] B.V. genaamd [voormalig werknemer van tuintechnisch hoveniersbedrijf] (hierna “[voormalig werknemer van tuintechnisch hoveniersbedrijf]”) heeft over deze gang van zaken verklaard aan de directeur van [appellante] en haar raadslieden, zo heeft [appellante] voorts gesteld.

4.2.2.

Teneinde de aansprakelijkheidstelling van [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] nader te onderbouwen wenst [appellante] op de voet van artikel 3:15j aanhef en onder d BW openlegging van de administratie van HAG door de curator. [appellante] heeft daarom in eerste aanleg – kort gezegd – in conventie veroordeling van de curator gevorderd tot verlening van medewerking gedurende een aaneengesloten periode van een maand aan een onderzoek door [appellante] betreffende de volledige (financiële) administratie van HAG zoals die is gevoerd tot de datum van haar faillissement, waarbij [appellante] de gelegenheid heeft op eigen kosten kopieën te maken van delen van deze administratie.

4.3.

De curator heeft hierop in conventie verweer gevoerd en in reconventie – kort gezegd – afgifte gevorderd van een deel van de administratie van HAG, dat [appellante] nog onder zich zou hebben, op straffe van een dwangsom. HAG was voorheen gevestigd op de locatie van [appellante]. HAG is begin 2010 verhuisd. Een deel van de administratie is toen volgens de curator achtergebleven. De curator heeft verzocht om afgifte van de achtergebleven administratie, maar [appellante] heeft zonder opgaaf van reden geen gehoor gegeven aan dat verzoek, aldus de curator.

4.4.

De voorzieningenrechter heeft [appellante] in conventie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat [appellante] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende had gesteld op grond waarvan een spoedeisend belang kon worden vastgesteld. De vordering in reconventie is toegewezen, waarbij de toegewezen dwangsom is gemaximeerd tot een bedrag van € 10.000,-. [appellante] is voorts in de proceskosten van beide procedures veroordeeld.

4.5.

[appellante] is van voormeld vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen. Zij vordert thans – kort gezegd – vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van haar vordering en afwijzing van de vordering van de curator met veroordeling van de curator in de proceskosten van beide instanties.

4.6.1.

Volgens de grieven van [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellante] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De curator heeft aangevoerd dat [appellante] de spoedeisendheid van haar vordering niet aannemelijk heeft gemaakt en dat zij daarom in onderhavige procedure niet kan worden ontvangen in haar vordering. Zij meent met de rechtbank dat [appellante] daartoe onvoldoende heeft gesteld. Dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist, blijkt niet uit de rolverrichtingen van [appellante], aangezien [appellante] haar memorie van grieven 53 weken nadat de zaak op de parkeerrol was geplaatst heeft genomen, terwijl zij de mogelijkheid had de zaak vervroegd op de rol te laten plaatsen, aldus de curator.

4.6.2.

Naar het oordeel van het hof volgt het spoedeisend karakter van de vordering van [appellante] ten tijde van het instellen van haar vordering uit haar stelling dat zij inzage in genoemde administratie nodig heeft teneinde de aansprakelijkheidstelling van [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] nader te kunnen onderbouwen. Gesteld noch gebleken zijn feiten of omstandigheden op grond waarvan dit is gewijzigd. Het enkele tijdsverloop doet aan dit spoedeisend karakter niet af. Thans is derhalve daarvan nog steeds sprake.

4.7.1.

Nu de grieven van [appellante] betreffende de spoedeisendheid van haar vordering slagen, dienen de overige geschilpunten in conventie te worden behandeld. De curator heeft de volgende verweren gevoerd tegen de vordering van [appellante].

4.7.1.1. Volgens de curator heeft [appellante] geen procesbelang. De curator heeft in dit kader het volgende gesteld. [appellante] plaatst haar vordering in het licht van artikel 2:11 BW en gaat eraan voorbij dat een vordering uit dit artikel is gekoppeld aan de wettelijke aansprakelijkheidsgrondslagen in boek 2 BW zoals artikel 2:9 en artikel 2:248 BW. In de literatuur heerst verdeeldheid over de vraag of een vordering uit hoofde van deze grondslagen – interne bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW en bestuurdersaansprakelijkheid in geval van faillissement ex artikel 2:248 BW – al dan niet zijn voorbehouden aan de curator.

4.7.1.2. [appellante] heeft naar de stellingen van de curator haar vordering ook verder onvoldoende gespecificeerd en toegelicht en onvoldoende concreet onderbouwd. De curator heeft geen aanwijzingen gevonden waaruit de juistheid van de stellingen van [appellante] zou blijken. De uitkomst van het onderzoek van de curator naar de administratie van HAG en de bestuurdersaansprakelijkheid zoals door [appellante] gesteld, stemt niet overeen met de van de verklaring van [voormalig werknemer van tuintechnisch hoveniersbedrijf] afgeleide stellingen van [appellante]. De curator heeft zelfs geconstateerd dat een aantal wezenlijke delen van de verklaring van [voormalig werknemer van tuintechnisch hoveniersbedrijf] onjuist zijn gebleken. [appellante] wist, althans [appellante] kan worden geacht te hebben geweten, gelet op de voorgeschiedenis tussen [appellante] en HAG – [appellante] is voormalig exploitant en aandeelhouder van HAG –, dat HAG een nieuwe vennootschap was met een nieuwe bestuurder, die zich nog moest gaan bewijzen in een lastige markt ten tijde van de kredietcrisis en dat HAG de koopprijs voor de grondverbetermachines volledig moest financieren met vreemd vermogen. De omzetbegroting die [appellante] aan HAG had verstrekt kon niet als erg realistisch worden beschouwd, omdat de helft van de omzet nog niet was gebaseerd op een concrete opdracht. Desondanks heeft [appellante] in april 2009 voormelde lening aan HAG verstrekt. [appellante] heeft de voorzieningen die HAG naar de stellingen van [appellante] had moeten treffen om haar verplichtingen jegens [appellante] te kunnen nakomen niet concreet aangegeven. HAG heeft een procedure jegens [appellante] aangespannen, omdat zij van mening was dat sprake was van een te hoge koopprijs voor de grondverbetermachines. Er staat niet vast dat er een causaal verband is tussen de gedragingen van de door [appellante] genoemde (rechts-)personen jegens [appellante] en de door [appellante] geleden schade. Ook staat niet vast of eventuele gedragingen van deze (rechts-)personen onrechtmatig zijn jegens [appellante]. Het is volgens de curator niet ondenkbaar dat het causaal verband mede gelegen is in de eigen acties van [appellante] jegens HAG. Van [appellante] had, gezien de door de curator als getuige afgelegde verklaring in een in augustus 2012 plaatsgevonden voorlopig getuigenverhoor dat door [appellante] in een procedure jegens [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] was verzocht, mogen worden verwacht dat zij een nadere onderbouwing en concretisering van haar vordering zou hebben gegeven, aldus de curator.

4.7.1.3. De bescheiden waar de vordering van [appellante] op ziet, zijn volgens de curator ook onvoldoende bepaald omschreven. Volgens de curator betreft de vordering van [appellante] feitelijk een fishing expedition. De curator mag alleen informatie verstrekken voor zover noodzakelijk voor het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan [appellante] gerechtigd zou zijn tot inzage in de gehele administratie is de curator niet gebleken.

4.7.1.4. Naar de visie van de curator is het inzagerecht van artikel 3:15j aanhef en onder d BW niet bestemd voor het door [appellante] beoogde doel. Dit artikel bepaalt dat sprake moet zijn van een rechtstreeks en voldoende belang. [appellante] heeft dit niet bij de inzage van de administratie van HAG. Zij heeft in het onderhavige geval slechts een indirect belang gesteld. Met artikel 3:15j aanhef en onder d BW is beoogd een crediteur de mogelijkheid te bieden zijn vordering jegens de – in dit geval failliete – vennootschap vast te stellen. Niet is bedoeld een recht te creëren tot onderzoek van de gehele administratie van HAG in verband met een mogelijke vordering van [appellante] op een derde. De vordering van [appellante] jegens [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] laat zich derhalve niet kwalificeren als een “rechtstreeks en voldoende belang” ten aanzien van HAG.

4.7.1.5. Voor zover wel geoordeeld zou moeten worden dat [appellante] een rechtstreeks en voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:15j aanhef en onder d BW, zal naar de stellingen van de curator een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van [appellante] bij toewijzing van haar vordering en het belang van de paritas creditorum dan wel het belang van goed boedelbeheer en de belangen van derden, zoals werknemers en degenen die [appellante] wil aanspreken. Indien deze belangen door vrijwillige voldoening aan een informatieverzoek worden geschaad, kan de curator naderhand worden geconfronteerd met vorderingen tot schadevergoeding. In het onderhavige geval dient de afweging van genoemde belangen naar het standpunt van de curator negatief uit te vallen voor [appellante]. Voor zover hierover anders zou moeten worden geoordeeld, geldt volgens de curator dat [appellante] moet wachten met het instellen van de beoogde vorderingen jegens genoemde derden totdat de curator duidelijk te kennen heeft gegeven af te zien van een aansprakelijkheidsactie jegens genoemde (rechts-)personen dan wel tot het faillissement is afgewikkeld.

4.7.1.6. Indien de vordering van [appellante] zal worden toegewezen, zal [appellante] de door de curator daarvoor te maken kosten bij voorschot dienen te vergoeden, aldus ten slotte de curator.

4.7.2.1. [appellante] heeft gesteld voornemens te zijn de genoemde bestuurders van HAG aan te spreken op grond van onrechtmatig handelen ex artikel 6:162 BW en de middellijk bestuurder mede op grond van het bepaalde in artikel 2:11 BW. Deze grondslagen zijn volgens [appellante] niet slechts aan de curator voorbehouden.

4.7.2.2. Naar de stellingen van [appellante] is haar vordering voor wat betreft de inhoud van de vordering zelf en voor wat betreft de ter ondersteuning van de vordering gestelde aansprakelijkheid van de bestuurders van HAG voldoende geconcretiseerd, gespecificeerd en onderbouwd. De reden van het bergafwaarts gaan van HAG was voornamelijk mismanagement. Volgens [appellante] is het standpunt van de curator dat [appellante] de door haar beoogde administratie nader moet omschrijven onjuist. Van een fishing expedition is geen sprake.

4.7.2.3. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij een rechtstreeks en voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:15j aanhef en onder d BW. Dat dit artikel de door de curator beschreven beperkte uitleg zou hebben, volgt volgens [appellante] noch uit de wettekst noch uit de wetgeschiedenis.

4.7.2.4. Ten aanzien van de stellingen van de curator dat inzage in de administratie mogelijkerwijs conflicteert met de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en dat een afweging van het belang van [appellante], een individuele crediteur, tegen het belang van de gezamenlijke crediteuren zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van [appellante], heeft [appellante] gesteld dat uit de wettekst niet meer en niet minder blijkt dan dat, indien sprake is van een rechtstreeks en voldoende belang, de individuele schuldeiser openlegging van de boekhouding van de failliet kan vorderen. De wettekst en de wetsgeschiedenis bevatten volgens [appellante] geen aanwijzingen dat door de wetgever bedoeld zou zijn dat het inzagerecht beperkt wordt in die zin dat inzage hoe dan ook niet aan de orde is indien het algemeen belang van de boedel zich daartegen verzet. Indien er al plaats is voor een afweging van de belangen van de individuele crediteur en die van de gezamenlijke crediteuren, is in ieder geval het enkele feit dat de belangen van de crediteur met die van de andere betrokkenen conflicteren, niet voldoende om het inzagerecht van een individuele crediteur tegen te houden. [appellante] acht zich voorts bevoegd naast de curator een vordering tegen genoemde bestuurders in te dienen. Uit niets blijkt bovendien dat van een belangenconflict sprake is, aldus [appellante]. De stelling van de curator dat Aerts met het instellen van een vordering jegens derden zou moeten wachten totdat het faillissement is afgewikkeld dan wel totdat de curator heeft aangegeven zelf deze vordering niet te zullen instellen snijdt volgens [appellante] reeds feitelijk geen hout. Overduidelijk is immers dat de curator genoemde bestuurders van HAG niet zal aanspreken.

4.7.2.5. Voor [appellante] bestaat geen enkele verplichting de kosten van de curator bij voorschot te voldoen. Uit niets blijkt dat deze kosten dienen te worden gemaakt, zo heeft [appellante] ten slotte aangevoerd.

4.7.3.1. Naar het voorlopig oordeel van het hof falen alle verweren van de curator. Het hof begrijpt dat de mogelijk door [appellante] tegen [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] in te stellen vordering gegrond zal worden op het bepaalde in artikel 6:162 BW. De vraag in hoeverre het bepaalde in artikel 2:11 BW in dat kader kan worden toegepast, behoeft hier geen bespreking, aangezien [appellante] slechts [enig bestuurder van Beheer] via deze bepaling beoogt aan te spreken en dit de aanspraken van [appellante] jegens [Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] onverlet laat.

4.7.3.2. [appellante] heeft ook overigens haar vordering voldoende concreet onderbouwd, althans bezien in het licht van het voorlopige karakter van onderhavige procedure. [appellante] heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom zij reden heeft om te vermoeden dat (het bestuur van) HAG jegens haar als crediteur van HAG onrechtmatig heeft gehandeld (door het leeghalen van HAG en het doen van selectieve betalingen) en dat verificatie daarvan alleen aan de hand van de boekhouding van HAG betreffende de periode vóór het faillissement kan plaatsvinden. Dat de curator een andere visie heeft op de oorzaak van de ondergang van HAG dan [appellante] doet hier niet aan af. Voor nader onderzoek naar het gelijk van partijen over het gebeurde is in de onderhavige procedure, mede gelet op de aard daarvan, geen plaats.

4.7.3.3. Het hof ziet gegeven de aan de orde zijnde verwijten vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat nadere specificatie door [appellante] van de open te leggen administratie aangewezen is. De verwijten jegens [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] zijn zodanig concreet gesteld dat naar het voorlopig oordeel van het hof van een fishing expedition geen sprake is.

4.7.3.4. Ook het standpunt van de curator betreffende de reikwijdte van artikel 3:15j aanhef en onder d BW deelt het hof niet. De jegens [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] in te stellen vordering betreft een afgeleide van een vordering die [appellante] jegens HAG stelt te hebben. De verwijten die [appellante] vooralsnog jegens [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] vermoedt te kunnen maken betreffen alle hun directe optreden en betrokkenheid bij de gang van zaken bij HAG voorafgaand aan het faillissement. Het hof zijn geen aanwijzingen gebleken op grond waarvan het aan de orde zijnde belang van [appellante] desondanks niet als een rechtstreeks en voldoende belang in de zin van dit artikel zou dienen worden gezien. De curator heeft zijn verweer op dit punt in elk geval onvoldoende toegelicht. Het hof oordeelt derhalve dat het beroep van [appellante] op artikel 3:15j aanhef en onder d BW in beginsel gehonoreerd dient te worden. De stelling van de curator dat voorts nog een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van [appellante] bij de toewijzing van haar vordering en de belangen van de door de curator genoemde betrokkenen is juist. De curator heeft evenwel deze belangen onvoldoende toegelicht. De curator heeft nadrukkelijk naar voren gebracht dat haars inziens geen aansprakelijkheid van [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] aan de orde is. Het hof leidt hieruit voorshands af dat de curator niet voornemens is [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] aan te spreken. [appellante] lijkt daarom met de door haar voorgenomen aanspraak jegens [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] de curator, de overige schuldeisers en de boedel niet te benadelen. De door de curator genoemde belangen leggen derhalve geen gewicht in de weegschaal. Wel zullen bescheiden die klaarblijkelijk niets met de aansprakelijkheidsstelling van de door [appellante] genoemde bestuurders van HAG van doen hebben niet mogen worden ingezien en gekopieerd en dient behoedzaam te worden omgegaan met te in te ziene gegevens gelet op de mogelijke vertrouwelijkheid hiervan. De vraag of [appellante] zou moeten wachten met het daadwerkelijk instellen van een vordering jegens [Beheer], [enig bestuurder van Beheer] en [vader van enig bestuurder van Beheer] is voor de beslissing op de onderhavige vordering niet relevant en behoeft geen beantwoording.

4.7.3.5. Aan de stelling van de curator dat [appellante] de door de curator als gevolg van de openlegging te maken kosten bij voorschot dient te vergoeden zal evenmin gehoor worden gegeven, reeds omdat de curator het betreffende voorschot slechts op een hypothetische berekening heeft gegrond.

4.8.1.

[appellante] heeft voorts in hoger beroep aangevoerd dat de vordering van de curator in reconventie ten onrechte is toegewezen, omdat [appellante] de in haar bezit zijnde administratie van HAG voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg reeds aan de curator heeft gegeven en de curator derhalve geen belang meer heeft bij haar vordering. [appellante] stelt verder dat de vordering van [appellante] in conventie en de vordering van de curator in reconventie nagenoeg identiek zijn. [appellante] kan daarom de voorzieningenrechter niet volgen in zijn oordeel dat de laatste vordering wel als spoedeisend is geduid en de eerste niet.

4.8.2.

De curator heeft ook ten aanzien van haar reconventionele vordering naar voren gebracht dat op grond van het tempo van de rolverrichtingen van [appellante] dient te worden geoordeeld dat van spoedeisend belang bij de vordering van [appellante] tot vernietiging van de toewijzing van de reconventionele vordering geen sprake is. Voorts heeft de curator aangevoerd dat het niet realistisch was van [appellante] te verwachten dat de curator aan de hand van de pas enkele minuten voor de zitting ontvangen ordners bepaalde of zij nog belang had bij het handhaven van haar vordering. De curator heeft zich ter zitting in eerste aanleg tevergeefs bereid verklaard haar vordering in reconventie te schorsen, opdat zij kon nagaan of zij de ontbrekende stukken van de administratie van HAG overhandigd had gekregen. De spoedeisendheid van het belang van [appellante] bij haar vordering in conventie en dat van de curator bij haar vordering in reconventie vallen volgens de curator niet te vergelijken daar de betreffende administratie eigendom is van HAG en [appellante] geen recht had deze administratie onder zich te houden.

4.8.3.

[appellante] hoeft naar het oordeel van het hof geen spoedeisend belang te stellen bij haar aanvechting van de op vordering van de curator jegens haar uitgesproken veroordeling tot afgifte van de administratie van HAG die [appellante] nog onder zich had. Zij vordert immers geen voorlopige voorziening doch verweert zich slechts daartegen.

4.8.4.

[appellante] heeft evenwel niet betwist dat zij administratie van HAG onder zich had die zij aan de curator moest afgeven. [appellante] heeft dat na de instelling van de eis in reconventie van de curator weliswaar alsnog gedaan, maar zij heeft niet betwist dat de curator ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg nog niet heeft kunnen beoordelen of die afgifte alle af te geven stukken betrof. Bij die stand van zaken had de curator op dat moment nog alle belang bij toewijzing van haar vordering en heeft de voorzieningenrechter die vordering terecht toegewezen. Het feit dat de curator nadien de overhandigde administratie niet onvolledig heeft bevonden, doet aan de juistheid van de beslissing van de voorzieningenrechter niet af. Nu [appellante] met die afgifte aan haar verplichting heeft voldaan, heeft zij bij haar grief tegen die beslissing (en de daaraan verbonden dwangsom) verder geen belang.

4.9.

Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden vonnis voor wat betreft de beslissing in conventie zal worden vernietigd en voor wat betreft de vordering in reconventie zal worden bekrachtigd. De vordering van [appellante] in conventie zal alsnog worden toegewezen met dien verstande dat het hof geen aanleiding ziet tot machtiging tot toegangverschaffing tot de plaats(en) waar deze administratie wordt gehouden en het maken van kopieën met behulp van de sterke arm, aangezien de curator te kennen heeft gegeven vrijwillig uitvoering te zullen geven aan onderhavige uitspraak.

4.10.

De curator zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie in eerste aanleg. De kosten van de procedure in hoger beroep zullen, nu partijen in hoger beroep over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, tussen partijen worden gecompenseerd.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 2 november 2011 voor zover gewezen in conventie en

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de curator om na betekening van dit arrest gedurende een aaneengesloten periode van een maand alle medewerking te verlenen aan een onderzoek door [appellante] in de volledige (financiële) administratie – alle boeken, bescheiden en gegevensdrager daaronder begrepen – van HAG zoals die is gevoerd tot aan de datum van het faillissement en [appellante] daarbij in de gelegenheid te stellen op eigen kosten kopieën te maken van delen van die administratie;

bepaalt dat bescheiden die klaarblijkelijk niets met de aansprakelijkheidsstelling van de door [appellante] genoemde bestuurders van HAG van doen hebben niet mogen worden ingezien en gekopieerd;

wijst het in conventie meer of anders gevorderde af;

veroordeelt de curator in de kosten van de procedure in conventie in eerste aanleg, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 636,31 aan verschotten (€ 76,31 explootkosten en € 560,- griffierecht) en € 816,- aan salaris advocaat;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 2 november 2011 voor zover gewezen in reconventie;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, E.K. Veldhuijzen van Zanten en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 februari 2015.

griffier rolraadsheer