Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5213

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
28-01-2016
Zaaknummer
200.180.000/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 december 2015

Zaaknummer : 200.180.000/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/208564/FT RK 15/1017

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. P. Winkens.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 november 2015, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog rechtdoende te bepalen dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt gehonoreerd.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 december 2015. Bij die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Winkens, gehoord. Mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder is, met bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 oktober 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 27 november 2015;

  • -

    het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 30 november 2015;

- de brieven van de beschermingsbewindvoerder d.d. 23 november 2015 en 27 november 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit het door de beschermingsbewindvoerder aan dit hof verzonden brieven van 23 november 2015 en 27 november 2015 blijkt dat zij bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld om haar visie over voornoemd hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 42.878,09. Daaronder bevinden zich een schuld aan Nationale Nederlanden van € 24.741,22, een schuld aan het UWV van € 7.808,36, een schuld aan de Belastingdienst van € 1.507,00 alsmede een clusterschuld aan het CJIB van € 746,02 Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Ten aanzien van de vordering van Nationale Nederlanden ad € 24.741,22 heeft verzoekster verklaard dat deze betrekking heeft op een pensioenuitkering van haar inmiddels overleden vader, waaromtrent zij van mening was dat deze uitkering voor haar bedoeld was omdat beiden dezelfde bank hadden. Deze uitkering is door haar als leefgeld gebruikt. De invordering van het UWV ten bedrage van € 7.808,36 betreft ten onrechte ontvangen gelden in het kader van de Ziektewet en de WW-uitkering. Daarnaast is er ook nog sprake van een vordering van de belastingdienst van € 1.507,00 terzake onterecht ontvangen toeslagen. (…)

Gezien de totale schuldenlast van € 42.878,09 is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van voormelde vorderingen in overwegende mate sprake is van niet te goeder trouw ontstane schulden. (…)

Immers, zij stelt niet tot werken in staat te zijn, terwijl uit de door de beschermingsbewindvoerder ingezonden verklaring van mevr. [betrokkene] d.d. 15 juli 2015 blijkt dat de psychosociale problematiek van verzoekster beheersbaar is en dat zij beschikt over voldoende hulp om haar heen. Medische verklaringen dat verzoekster (voor een deel) arbeidsongeschikt wordt geacht worden door haar niet overgelegd.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de vordering van Nationale Nederlanden merkt [appellante] op dat dit een pensioenuitkering betreft van haar inmiddels overleden vader. Haar tweede echtgenoot is eveneens overleden en [appellante] ontving daarvan eveneens een pensioenuitkering. Klaarblijkelijk heeft Nationale Nederlanden de pensioenuitkering van de vader abusievelijk gedurende langere periode overgemaakt op de rekening van [appellante] . [appellante] heeft dit niet in de gaten gehad daar zij daarnaast, terecht, gelden ontving uit de pensioenuitkering van haar overleden echtgenoot. Op het moment dat Nationale Nederlanden haar fout inzag en het geldbedrag ging terugvorderen waren deze geldbedragen door [appellante] reeds besteed voor huishoudelijke uitgaven en derhalve was zij niet meer in staat om dit bedrag ineens in zijn geheel terug te betalen. Voorts stelt [appellante] met betrekking tot de schuld aan het UWV dat zij zich op enig moment genoodzaakt zag om een bijstandsuitkering aan te vragen en dat het op dat moment voor haar niet meer mogelijk was om, vanwege een fout van het UWV, de ten onrechte aan haar uitgekeerde gelden aan het UWV terug te betalen. Daar de bijstandsuitkering pas op een later moment werd aangevraagd, namelijk pas op het moment toen bleek dat de uitkeringen in het kader van de Ziektewet en de WW onterecht waren, was er geen sprake van een betaling met terugwerkende kracht van de bijstandsuitkering met welk geld de ten onrechte ontvangen uitkering van het UWV kon worden terugbetaald. Aangezien [appellante] in de veronderstelling was dat een en ander door het UWV zou worden rechtgezet heeft zij nimmer bezwaar gemaakt tegen de beslissingen van het UWV. Ten aanzien van de vordering van de Belastingdienst merkt [appellante] op dat het hier inderdaad gaat om een in 2012 en 2013 onterecht door haar ontvangen zorgtoeslag. De betreffende toeslag was evenwel door haar beschermingsbewindvoerder aangevraagd en [appellante] begrijpt derhalve in het geheel niet waarom deze bedragen thans dienen te worden terugbetaald. Voorts merkt [appellante] op dat de schuld aan Kredietbank Limburg ziet op een lening, de vordering van de ABN AMRO Bank een roodstand betreft, de vordering van Orthophysics ziet op een noodzakelijke behandeling voor haarzelf en de vordering van [schuldeiser] de zwemlessen van de kinderen betreft. Tot slot stelt [appellante] dat zij door de gemeentelijke Sociale Dienst tot 1 augustus 2015 was vrijgesteld van arbeid. Er diende een herkeuring plaats te vinden maar dat is nog immer niet gebeurd. [appellante] zal deze herkeuring met spoed aanvragen en de rapportage daaromtrent alsnog in het geding brengen. [appellante] is stellig van mening dat uit deze rapportage zal blijken dat zij niet in staat is om te werken.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] stelt dat zij op het moment dat zij in de gaten had dat het pensioen van haar vader op haar rekening werd gestort dit direct telefonisch bij de uitkerende instantie heeft aangegeven. Dat zij dit niet direct had opgemerkt wijt [appellante] aan het feit dat het slechts om een zeer gering pensioen ging, in casu om een bedrag van circa € 230,00 per maand, en haar vader bovendien dezelfde voorletter heeft als zijzelf, zodat de tenaamstelling van de pensioenuitkering identiek was aan de hare. Daarbij stelt [appellante] dat zij voorafgaand aan de pensioenuitkering ook nimmer een pensioenbeschikking heeft ontvangen dan wel enige andere correspondentie waaruit zij had kunnen concluderen dat er op haar rekening voor haar vader bestemde pensioengeleden werden gestort. Datzelfde geldt volgens [appellante] min of meer ook ten aanzien van de onterecht door haar ontvangen UWV uitkering. Zij had dit naar eigen zeggen pas in de gaten toen de uitkering veranderde van een maandelijkse in een wekelijkse uitkering. En ook in dit geval heeft [appellante] daarop naar eigen zeggen direct telefonisch contact opgenomen met de uitkerende instantie. Een bezwaar tegen de terugvordering van het UWV heeft zij vooralsnog niet ingesteld. Ten aanzien van haar belastingschuld merkt [appellante] op dat de onterecht ontvangen zorgtoeslag door de Belastingdienst is verrekend met een aantal opgelegde aanslagen zodat zij deze gelden feitelijk nimmer heeft ontvangen en dus ook niet heeft kunnen reserveren om de huidige fiscale terugvordering te voldoen. Ook ten aanzien van deze vordering heeft [appellante] nimmer bezwaar aangetekend. Met betrekking tot haar psychosociale problematiek merkt [appellante] op dat zij nog immer antidepressiva gebruikt maar dat zij, omwille van de zorg voor haar kinderen, is gestopt met het gebruik van slaapmiddelen omdat twee van haar kinderen slaapwandelen en zij dus met enige regelmaat midden in de nacht haar bed uit moet om deze kinderen voor gevaarlijke situaties te behoeden. Naar haar eigen inzicht zou zij echter nog wel slaapmiddelen dienen te gebruiken.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat het ontstaan van de schuld aan Nationale Nederlanden [appellante] valt aan te rekenen. Het hof acht de stelling van [appellante] zoals geponeerd bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat zij niet wist dat Nationale Nederlanden pensioengelden op naam van haar inmiddels overleden vader uitkeerde en dat zij deze betalingen, die nota bene op haar eigen rekening plaatsvonden, vanwege de geringe omvang ook niet direct bemerkte, namelijk volstrekt onaannemelijk. Gebruikelijk is – hetgeen ter zitting in hoger beroep ook niet door [appellante] (voldoende gemotiveerd) is betwist dat een pensioenfonds bij de aanvang van een uitkering de ontvanger(s) middels een pensioenbeschikking zowel ten aanzien van de hoogte van de uitkering als het moment van aanvang van de uitkering op de hoogte stelt. Het hof acht het hoogst onaannemelijk dat [appellante] noch een dergelijke pensioenbeschikking noch enige andere correspondentie heeft ontvangen waaruit zij had kunnen, feitelijk moeten, herleiden dat onderhavige pensioenuitkeringen niet voor haar maar voor haar vader waren bestemd en dat zij deze gelden op enig moment derhalve terug zou dienen te betalen. [appellante] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep bovendien bij herhaling gesteld dat haar financiële situatie dermate problematisch was en is dat zij de onterecht ontvangen pensioengelden (nagenoeg) volledig heeft aangewend ter bekostiging van primaire levensbehoeften. Deze stelling van [appellante] staat op gespannen voet met haar eveneens bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep geponeerde stelling dat zij de ontvangst van de pensioengelden van haar vader vanwege de relatief beperkte omvang hiervan niet direct zou hebben opgemerkt. Gelet op de hoogte van de inkomsten van [appellante] , welke naar haar zeggen dermate laag was dat zij structureel in financiële problemen verkeerde, valt niet in te zien dat zij extra inkomsten van circa € 230,00 per maand niet (vrijwel) direct zou hebben opgemerkt.

3.7.3.

Hetzelfde dient naar het oordeel van het hof te gelden ten aanzien van haar schuld aan het UWV. Ook nu valt niet in te zien waarom [appellante] de onterechte ontvangst van uitkeringsgelden niet (direct) heeft opgemerkt. Dat zij naar eigen zeggen een en ander direct na constatering telefonisch aan het UWV heeft gemeld en naar aanleiding van dat gesprek naar eigen zeggen in de veronderstelling verkeerde dat een en ander “wel goed zou komen” maakt dit, nog los van het feit dat deze gang van zaken noch door verificatoire bescheiden noch anderszins wordt onderbouwd en derhalve ook niet voldoende aannemelijk wordt gemaakt, geenszins anders.

3.7.4.

Vast staat voorts dat [appellante] een schuld aan de Belastingdienst heeft. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellante] verzuimt haar stelling met betrekking tot de belastingschuld, dat de naar nu blijkt onterecht ontvangen toeslagen destijds door haar beschermingsbewindvoerder zouden zijn aangevraagd en dat zij deze toeslagen vanwege een verrekening nimmer daadwerkelijk zou hebben ontvangen zodat zij deze gelden ook niet heeft kunnen reserveren om de thans ontstane belastingschuld te kunnen voldoen, ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te onderbouwen, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.7.5.

Het hof heeft voorst vastgesteld dat de onderbouwing, al dan niet door middel van verificatoire bescheiden, ten aanzien van een groot aantal schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw ontbreekt zodat ook met betrekking tot deze schulden niet kan worden vastgesteld of deze schulden te goeder trouw zijn ontstaan. Een en ander klemt met name doch niet uitsluitend ten aanzien van haar clusterschuld aan het CJIB, een schuld welke naar zijn aard in beginsel immers heeft te gelden als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

3.7.6.

Daarbij komt dat [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling heeft gesteld dat zij nog immer kampt met een aanzienlijke psychosociale problematiek. Ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is.

Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is, zoals ook door [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd is erkend, evenwel niet voorhanden. Het hof is op grond hiervan dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, P.J.M. Bongaarts en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.