Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5178

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
HR 200 161 130_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 10 december 2015

Zaaknummer: 200.161.130/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/269343 FA RK 13-5253

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T.C. Putters,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.M. van Aken.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 december 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

I. de beschikking van 23 juli 2008 van de rechtbank (naar het hof begrijpt) Utrecht te wijzigen aldus dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift wordt vastgesteld op € 25,- per maand, dan wel met ingang van een zodanig tijdstip en op een zodanig bedrag als het hof juist acht;

II. te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding vóór het tijdstip waarop deze gewijzigd wordt, wordt vastgesteld op hetgeen feitelijk door de man is betaald, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 januari 2015, heeft de vrouw verzocht de grieven van de man te verwerpen als onjuist en/of ongegrond.

Tevens heeft de vrouw bij wijze van incidenteel appel verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de man voldoende heeft gesteld dat hij de bijdrage niet langer passend acht en voor zover is bepaald dat de geïndexeerde behoefte (tabelbedrag) van [minderjarige] € 288,- per maand bedraagt en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

- de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat hij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de overeengekomen bijdrage niet passend is;

- de geïndexeerde behoefte (tabelbedrag) van [minderjarige] in 2013 € 521,67 per maand bedraagt.

2.2.1.

Bij (aangeduid als) verweerschrift in incidenteel appel met productie, ingekomen ter griffie op 27 februari 2015, heeft de man verzocht het incidenteel appel van de vrouw af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Putters;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Aken.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 26 augustus 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 23 oktober 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 23 oktober 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 27 oktober 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 31 januari 2006 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 23 juli 2008 heeft de rechtbank Utrecht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 27 november 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank voorts bepaald dat het door partijen op 27 juni 2008 ondertekende echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking. In het echtscheidingsconvenant is, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen een bedrag van € 135, - per maand.

De bijdrage voor [minderjarige] beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 151,70 per maand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen op € 25, - per maand afgewezen.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.1.

Het door de vrouw in haar verweerschrift opgenomen incidenteel appel merkt het hof aan als een verweer in het principaal appel nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw geen ander dictum wenst doch slechts bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3.5.

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de bijstandsuitkering van de vrouw (grief 1), het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige] (grief 2) en de draagkracht van de man (grief 3).

Rechtsmacht

3.6.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot de onderhavige verzoeken.

Ontvankelijkheid

3.7.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de bijdrage die partijen zijn overeengekomen niet langer passend is en aldus in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.7.1.

Het hof overweegt hierover als volgt.

3.7.2.

Artikel 3 van voornoemd echtscheidingsconvenant bepaalt, voor zover thans van belang, dat indien in een later stadium één der partijen de overeengekomen bijdrage niet langer passend acht, het die partij vrij staat zich te wenden tot de bevoegde rechter met het verzoek tot wijziging/nihilstelling van de alimentatie, waarbij een wijziging van omstandigheden niet is vereist. Achter deze bepaling schuilt kennelijk dat partijen in het verleden niet met in acht name van, althans een onderzoek naar de wettelijke maatstaven de bijdrage zijn overeengekomen. Niet helder is of de overeengekomen bijdrage van meet af aan (niet) aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de man in zijn verzoek kan worden ontvangen.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

3.8.

De ingangsdatum van de eventuele wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 9 september 2013, de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte [minderjarige]

3.9.

Om proceseconomische redenen zal het hof, alvorens de behoefte van [minderjarige] te bespreken, allereerst de draagkracht van de man aan de orde stellen.

Draagkracht man

3.10.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van (geïndexeerd naar 2013) € 285,- per maand te voldoen.

3.10.1.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist. Ter zitting van het hof heeft zij haar verweer beperkt tot de periode tot 8 september 2015, de datum waarop de man een uitkering op basis van de Participatiewet is gaan ontvangen.

3.10.2.

Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.500,- wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 850 (2013)]. Voor inkomens met een netto besteedbaar inkomen lager dan € 1.500,- zijn vaste bedragen per categorie van toepassing, volgens de gepubliceerde tabellen.

3.10.3.

De man exploiteert sedert eind 2006 een carwash onderneming handelend onder de naam [wasstraat] Wasstraat [vestigingsplaats] . De man is franchisenemer van IPIC Nederland B.V. te [vestigingsplaats] . Blijkens de in eerste aanleg overgelegde aangiften inkomstenbelasting bedroeg de winst in 2010: € 21.197,-, in 2011: € 15.216,- en in 2012: € 10.071,-.

In hoger beroep heeft de man de aanslagen IB van 2008 tot en met 2013 overgelegd, uit welke aanslagen een verzamelinkomen blijkt van:

- in 2008: € 13.596,-

- in 2009: € 8.239,-

- in 2010: € 12.298,-

- in 2011: € 5.631,-

- in 2012: € 2.456,-

- in 2013: € 1.648,-.

Uit het eveneens in hoger beroep door de man overgelegde jaarrapport 2014 blijkt een nettoresultaat in dat jaar van € 5.754,-.

Blijkens de door de man overgelegde brief van IPIC Nederland B.V. d.d. 21 juli 2015 is de franchiseovereenkomst c.q. onderhuurovereenkomst met betrekking tot de exploitatie van [wasstraat] Wasstraat te [vestigingsplaats] met ingang van 31 augustus 2015 opgezegd.

3.10.4.

Het hof is van oordeel dat - wat ook moge zijn van de stelling van de vrouw dat de man, gelet op de verhouding onttrekkingen en vaste lasten van de man in 2013, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke bedragen uit de onderneming zijn onttrokken - uit voormelde aanslagen inkomstenbelasting en het jaarrapport 2014 genoegzaam is gebleken dat (in ieder geval) met ingang van 9 september 2013 het netto besteedbaar inkomen van de man uitkomt op een bedrag lager dan € 1.250,- netto per maand, zodat het hof met ingang van die datum conform het verzoek van de man zal uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,- per maand. De derde grief van de man slaagt aldus.

3.11.

Gelet op het voren overwogene behoeft hetgeen partijen over en weer ten aanzien van de behoefte van [minderjarige] en het aandeel daarin van partijen naar voren hebben gebracht, geen verdere bespreking meer. Het hof komt derhalve niet toe aan de overige grieven van de man en het in dat kader aangevoerd verweer van de vrouw.

3.12.

Ten aanzien van het verzoek van de man te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding vóór het tijdstip waarop deze gewijzigd wordt, wordt vastgesteld op hetgeen feitelijk door de man is betaald, overweegt het hof als volgt.

3.12.1.

De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de man de onderhoudsbijdrage tot en met juni 2011 feitelijk heeft betaald. Toewijzing van het verzoek van de man zou derhalve neerkomen op een wijziging van een alimentatieverplichting over een periode in het verleden. Nu ingevolge vaste jurisprudentie heeft te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden en de man zijn verzoek verder ook niet heeft onderbouwd, zal het hof dit verzoek van de man afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 september 2014,

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 23 juli 2008 van de rechtbank Utrecht;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , zal voldoen een bedrag van € 25,- per maand met ingang van 9 september 2013, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.J. van Laarhoven en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.