Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:5177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
20-003733-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7705, Overig
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1233, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

14 jaar gevangenisstraf voor moord op ex-echtgenote. Bewijsoverwegingen voorbedachte raad, contra-indicaties niet aannemelijk. Consultatierecht, geen recht op bijstand raadsman tijdens verhoor politie. Verweer bewustzijnsvernauwing verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003733-14

Uitspraak : 10 december 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 november 2014 in de strafzaak met parketnummer 02-800047-14 tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Verdachte is bij dat vonnis ter zake van de impliciet primair ten laste gelegde moord vrijgesproken, en veroordeeld ter zake van doodslag tot een gevangenisstraf van 10 jaar. Tevens is beslist op de vordering tot beslag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Door en namens verdachte is bepleit dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat hij van moord dient te worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg –ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2014 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meermalen althans eenmaal

- met een mes, althans een scherp voorwerp, in het hoofd en/of lichaam gestoken en/of

- met kracht haar keel dichtgeknepen en/of

- met kracht tegen haar hoofd en/of lichaam geslagen en/of geschopt en/of

- met kracht meermalen op haar hoofd gestampt/getrapt en/of

- vervolgens die [slachtoffer] in het water gegooid,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 januari 2014 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer]

- met een mes, althans een scherp voorwerp, in het lichaam gestoken en

- met kracht haar keel dichtgeknepen en

- met kracht tegen haar hoofd geslagen en geschopt en

- met kracht meermalen op haar hoofd gestampt/getrapt en

- vervolgens die [slachtoffer] in het water gegooid,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft (het hof begrijpt: primair) aangevoerd dat de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, omdat deze het resultaat zijn van in het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbare vormverzuimen, inhoudende dat de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) zijn geschonden. In strijd met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Richtlijn 2013/48/EU, PB L 294/1 is de verdachte op geen enkel moment medegedeeld dat hij tijdens de politieverhoren, en in ieder geval tijdens het verhoor voor de inverzekeringstelling, recht had op bijstand van een raadsman. De raadsman heeft in dat verband ook gewezen op de conclusie van advocaat-generaal mr. T. Spronken van 26 november 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:1424). Voorts is de verdachte niet vóór ieder verhoor gewezen op het recht om daaraan voorafgaand een raadsman te consulteren. De enige keer dat de verdachte wel op het consultatierecht is gewezen is echter niet geverifieerd of die mededeling tot de verdachte is doorgedrongen en of hij de consequenties overzag van het afstand doen van zijn recht(en), terwijl de verdachte op dat moment in shock verkeerde en, zoals later bleek, last had van amnesie. Een en ander levert een schending op van artikel 6 EVRM, aldus de raadsman.

Volgens de raadsman kan gelet op het voorgaande betwijfeld worden of de raadsman wel was geïnformeerd en of afdoende rechtsbijstand is verleend. Daarmee is ook sprake van strijd met artikel 5 EVRM. De raadsman heeft voorts gesteld dat de gangbare praktijk bij levensdelicten in bijvoorbeeld Utrecht en Amsterdam is dat de raadsman bij het verhoor wordt toegelaten. Nu dat in dit geval niet is gebeurd, is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid.

Indien het hof tot de gevraagde bewijsuitsluiting over gaat resteert volgens de raadsman onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van voorbedachte raad, zodat de verdachte van de tenlastegelegde moord dient te worden vrijgesproken.

Volgens de verdediging kan, ook indien het hof niet overgaat tot bewijsuitsluiting, niet tot een bewezenverklaring ter zake van moord worden gekomen. De verdachte is bij de rechter-commissaris, tegenover de rechtbank en tegenover het hof gedeeltelijk teruggekomen op de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd, met name op zijn verklaringen van 12 en 13 januari 2014. Die verklaringen berusten namelijk op aannames en niet op herinneringen die de verdachte zelf heeft gehad aan de gebeurtenissen op 10 januari 2014.

Bovendien hebben volgens de verdediging de gedragsdeskundigen M.T. Appelo, G.T. Blok, G.A. Ameling en A. Bakker geconcludeerd dat de verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Gesteld is dat de verdachte verkeerde in een situatie van extreme stress (“arousal”), waarbij geen sprake was van welbewust handelen, maar van zogenaamde “narcissistic rage” oftewel een hevige drift. Deze ontstond toen [slachtoffer] in de garage volgens verdachte nare uitlatingen had gedaan tegen hem en hem een duw tegen de schouder had gegeven. Volgens de raadsman was de verdachte ruim een uur daarvoor tot rust en bezinning gekomen, in de woonkamer op de bank met een kopje espresso toen hij zich – na het klaarleggen van de zeilen – besefte dat het geen oplossing was om [slachtoffer] van het leven te beroven. Bij de verdachte was op het moment dat hij [slachtoffer] om het leven bracht derhalve sprake van een extreme bewustzijnsvernauwing. De raadsman heeft toegelicht wanneer die extreme bewustzijnsvernauwing aan de orde was en waarom de verdachte op die momenten heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan en waarom het uitvoeren van bepaalde handelingen niet kan bijdragen aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad. Volgens de raadsman heeft het openbaar ministerie, tegenover de wetenschappelijke kennis van de deskundigen over de werking van het brein ten tijde van extreme stress, niets gesteld dat het oordeel van die deskundigen in twijfel doet trekken.

Subsidiair, voor het geval het hof niet overgaat tot bewijsuitsluiting, heeft de raadsman betoogd dat voornoemde onherstelbare vormverzuimen dienen te leiden tot strafvermindering.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat in het voorbereidend onderzoek geen sprake is geweest van vormverzuimen en heeft op dit punt verwezen naar de motivering die de rechtbank heeft gegeven bij de verwerping van de verweren van de raadsman.

Volgens de advocaat-generaal dient bewezen te worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Volgens de advocaat-generaal is de voorbedachte raad en dus moord bewezen, omdat de verdachte – kort gezegd – heeft gehandeld door één van de drie door hem vooraf bedachte scenario’s (te weten: [slachtoffer] iets aandoen, haar van het leven beroven) voor te bereiden en daadwerkelijk uit te voeren en nadien te trachten om zijn sporen uit te wissen. Dat de verdachte daarbij heeft gehandeld in een situatie van extreme stress (“arousal”) vindt de advocaat-generaal niet aannemelijk geworden. De advocaat-generaal hecht in het bijzonder geen waarde aan de rapporten van de gedragsdeskundigen M.T. Appelo en A. Bakker.

Oordeel hof omtrent vormverzuimen

Het beroep op schending van de artikelen 5 en 6 EVRM dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria zoals gesteld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op grond van dit artikel kan de rechter, ingeval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie, tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering. Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke situatie zich voordoet dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde factoren, te weten: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het vormverzuim wordt veroorzaakt. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, in geval de verdediging een beroep doet op artikel 359a Sv, van haar wordt verlangd dat zij aan de hand van de in lid 2 van dat artikel genoemde factoren uiteenzet waarom schending van een bepaald vormverzuim dient te leiden tot het/de door haar bepleite gevolg(en).

In de onderhavige zaak heeft de raadsman weliswaar aangevoerd welke vormen volgens hem zijn verzuimd en waar dit volgens hem toe dient te leiden, maar hij heeft nagelaten om duidelijk en gemotiveerd aan de hand van voornoemde (in artikel 359a lid 2 Sv vermelde) factoren te expliciteren waarom het hof over zou moeten gaan tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. Het verweer (zowel het primaire als het subsidiaire) van de raadsman stuit reeds daarop af.

Overigens is het hof gelet op het navolgende van oordeel dat in het voorbereidend onderzoek geen sprake is geweest van schending van artikel 5 dan wel van artikel 6 EVRM.

Naar het oordeel van het hof is tijdens de verhoren niet gehandeld in strijd met de Aanwijzing Politieverhoor en de vigerende Salduz-jurisprudentie. Deze jurisprudentie houdt in dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor recht heeft op consultatie van een raadsman (HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079). Uit de door de raadsman aangehaalde conclusie van de advocaat-generaal mr. T. Spronken volgt weliswaar dat Spronken uit met name de uitspraak van het EHRM Navone e.a. vs. Monaco (24 oktober 2013, nrs. 62880/11, 62892/11 en 62899/11) en uit de Richtlijn 2013/48/EU (hierna: de Richtlijn) afleidt dat een verdachte ook tijdens het verhoor recht heeft op bijstand van een raadsman, maar bij arrest van de Hoge Raad van 1 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:770) is het standpunt van Spronken verworpen. De Hoge Raad heeft in dat arrest beslist dat de Richtlijn een implementatietermijn kent die loopt tot 27 november 2016, zodat tot die datum geen rechtstreeks werkende rechten of verplichtingen aan de inhoud van die Richtlijn ontleend kunnen worden. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft de Europese wetgever door het stellen van die termijn aanvaard dat dat zich de situatie kan voordoen dat de wetgeving van een lidstaat op dit moment nog niet voldoet aan de door de Richtlijn gestelde eisen, zoals in casu het geval is. Ten aanzien van de door Spronken genoemde Straatsburgse jurisprudentie oordeelt de Hoge Raad dat daaruit niet zonder meer algemene conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de reikwijdte van het recht op verhoorbijstand en de consequenties die aan schending van dat recht moeten worden verbonden. Mede gelet op de beleidsmatige, organisatorische en financiële aspecten meent de Hoge Raad dat het zijn rechtsvormende taak te buiten gaat om een dergelijke algemene regeling op te stellen. Het is niet uitgesloten dat het, bij het uitblijven van een dergelijke regeling, zal leiden tot een andere afweging bij de beoordeling van toekomstige gevallen waarin vragen naar de inhoud en de reikwijdte van het recht op verhoorbijstand aan hem worden voorgelegd, aldus de Hoge Raad. Dat een dergelijke andere afweging al heeft plaatsgevonden is het hof niet gebleken.

Het hof heeft verder nog geconstateerd dat advocaat-generaal mr. G. Knigge de Hoge Raad in zijn conclusie van 29 september 2015 (ECLI:NL:PHR:2015:1996) in overweging heeft gegeven om op grond van artikel 267 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen over (de reikwijdte van) het recht op verhoorbijstand, maar de Hoge Raad heeft in die zaak nog geen arrest gewezen.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat thans geen recht bestaat op bijstand van een raadsman tijdens het verhoor van een verdachte, maar slechts een consultatierecht. Dat in Utrecht en Amsterdam sprake is van een gangbare praktijk om verdachten van levensdelicten tijdens politieverhoren te laten bijstaan door een raadsman, als door de verdediging gesteld, doet daaraan niet af omdat is gesteld noch gebleken dat die praktijk, nadat deze bij wijze van pilot is gestart, landelijk is doorgevoerd. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel gaat reeds om die reden niet op.

Ten aanzien van het consultatierecht is het hof van oordeel dat dit niet zo ver reikt dat de verdachte op dat recht voorafgaand aan ieder verhoor gewezen dient te worden. Voldoende is dat hij voorafgaand aan het eerste verhoor van 12 januari 2014 om 17.50 uur op dat recht is gewezen. Het hof stelt vast dat uit de processtukken blijkt, dat de verdachte op 12 januari 2014 omstreeks 10.30 uur overleg heeft gevoerd met zijn advocaat mr. M. Nieland.

Verder blijkt uit het procesdossier dat de verdachte op 12 januari 2014 om 03.54 uur in verzekering is gesteld. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat sprake is van een vormverzuim omdat de consultatie na de inverzekeringstelling plaatsvond, geldt dat niet valt in te zien dat de verdachte daarvan enig nadeel heeft ondervonden. Hij heeft immers in dat verhoor geen inhoudelijke verklaring afgelegd. Het hof gaat ook op dit punt daarom aan het verweer van de raadsman voorbij. Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat onvoldoende is geverifieerd of de verdachte de hem medegedeelde rechten wel goed heeft begrepen, is het hof van oordeel dat in geen van de verhoren een aanwijzing is te vinden waaruit blijkt dat bij de verdachte op enig punt onduidelijkheid heeft bestaan over zijn rechten. Evenmin volgt dit uit het rapport d.d. 16 januari 2014 dat de forensisch Gz-psycholoog Schuurbiers heeft uitgebracht naar aanleiding van een met de verdachte op 14 januari 2014 gevoerd gesprek (voorgeleidingsconsult). In dit rapport is vermeld dat de verdachte uitgebreid antwoord heeft gegeven op alle vragen van Schuurbiers, dat het contact adequaat is geweest en dat de aandacht en de concentratie goed te trekken en te behouden zijn geweest. Ook concludeert Schuurbiers dat bij de verdachte geen sprake is van acute psychiatrische problematiek in de vorm van depressie, angst of psychose.

Ook overigens is het hof niet gebleken dat de verdachte tijdens enig verhoor bij de politie niet in staat zou zijn geweest om verhoord te worden. Het hof wijst in dit verband op de verklaring van de verdachte van 12 januari 2014, inhoudende dat hij in staat is om met de verbalisanten te praten, dat hij dat gewoon wil doen (p. 66 procesdossier), dat hij eigenlijk heel blij was dat hij dit gesprek kon hebben en dat hij er heel de dag op zat te wachten (p. 67 procesdossier) en dat hij alles gewoon wil vertellen (p. 79 procesdossier). Ook op 13 januari 2014 is de verdachte gevraagd of hij zich, na de door de verdachte getoonde emoties, goed genoeg voelde om een verklaring af te leggen. De verdachte heeft die vraag bevestigend beantwoord (p. 95 procesdossier).

De slotsom luidt dan ook dat de verweren van de raadsman falen voor zover deze inhouden dat de artikelen 5 en 6 EVRM zijn geschonden waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv met als consequentie bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.

De verklaringen van de verdachte bij de politie

Uit de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd volgt dat de verdachte op 10 januari 2014 in de ochtend een sollicitatiegesprek had in Leiden. Vlak voor dat gesprek heeft [slachtoffer] de verdachte gebeld over een brief die zij van de Belastingdienst had ontvangen. Na het sollicitatiegesprek belde de verdachte haar terug om een afspraak te maken om samen naar de brief te kijken. De verdachte voelde zich tijdens dit telefoongesprek niet prettig. Hij ging nog naar zijn werk in Den Bosch om iets op te halen en reed vervolgens naar Zevenbergen. Tijdens de rit van Den Bosch naar Zevenbergen kreeg de verdachte hartkloppingen en ging hij hyperventileren en zweten. Hij bleef malen over de manier waarop hij en [slachtoffer] al jaren met elkaar communiceerden en hij voelde zich gekleineerd door haar. Hij bedacht drie mogelijke scenario’s om een einde te maken aan de langdurige relatieproblemen die tussen hen beiden speelden, zo heeft verdachte verklaard. Het eerste scenario was dat hij tijdens een gesprek met de vuist op tafel zou slaan, het tweede scenario hield in dat hij zichzelf iets zou aandoen en het derde scenario hield in dat hij [slachtoffer] iets zou aandoen, haar van het leven zou beroven. De verdachte heeft verklaard dat hij overmand werd door boosheid en dat zijn gevoel was dat hij [slachtoffer] van het leven wilde beroven (p. 97 procesdossier). De verdachte was omstreeks 14.30 uur thuis. Hij pakte een oranje en een blauw zeil uit de houten tuinberging en strekte het blauwe zeil uit in de garage. Het oranje zeil legde hij daarachter. Ook pakte hij een mes met een kartelrand en een zwart kunststof heft uit de keukenla. Dat legde hij eveneens in de garage. Toen hij alle spullen had klaargelegd bedacht hij dat hij [slachtoffer] iets zou gaan aandoen op het zeil met het mes. Op dat moment schrok de verdachte van zijn eigen gedachten en ging hij op de bank in de woonkamer zitten met een kopje espresso. Hij vroeg zich af wat hij aan het doen was, dacht dat dit niet de oplossing was en kwam tot bezinning (p. 97 procesdossier). Tussen 15.00 uur en 16.00 uur heeft de verdachte volgens zijn verklaring de kinderen van school gehaald en is hij met de hond gaan wandelen. De verdachte had afgesproken dat [slachtoffer] hem zou bellen als zij onderweg was. Aldus geschiedde. Ook dit telefoongesprek verliep onaangenaam, volgens de verdachte. Zijn ex-echtgenote maakte hem verwijten en de verdachte voelde zich opnieuw in een hoek gezet. Toen zij in zijn woning was ging het gesprek op die toon verder en werd de verdachte steeds bozer. Hij zei vervolgens dat hij [slachtoffer] iets wilde laten zien in de garage, maar in de garage kwam hij weer tot bezinning en zei hij dat hij haar niets wilde laten zien. Ze liepen terug naar de keuken, maar [slachtoffer] bleef vragen wat de verdachte haar wilde laten zien. Zij liepen beiden naar de garage, zo heeft hij verklaard. Weer in de garage aangekomen zei [slachtoffer] volgens de verdachte dat hij een slappe hap en slappe zak was en dat haar huidige partner veel beter was dan de verdachte. Ook zei ze dat ze wilde dat de verdachte kanker zou krijgen en dat zij hem haatte. Daarna gaf zij de verdachte een duw tegen zijn schouder. Op dat moment sloegen bij de verdachte de stoppen door en bracht hij [slachtoffer] om het leven. De verdachte heeft haar lichaam in het blauwe zeil gewikkeld en haar weggebracht en achtergelaten in het water nabij de Schansdijk in Zevenbergen. Ook heeft hij de zeilen in de Mark en diverse goederen van hem en [slachtoffer] in het water nabij de Huizersdijk gegooid.

Beoordeling hof

Het hof stelt vast dat de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd op belangrijke onderdelen bevestiging vinden in andere objectieve bewijsmiddelen.

Uit de historische printgegevens van zowel de telefoon van [slachtoffer] als die van de verdachte blijkt dat zij de verdachte op 10 januari 2014 om 16.05.31 uur heeft gebeld, welk gesprek 974 seconden duurde, oftewel ruim 16 minuten. Zij bereikte al bellend de woning van de verdachte, zo valt uit het procesdossier af te leiden.

De verdachte heeft op 13 januari 2014 ten aanzien van het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel onder meer heeft verklaard dat hij haar met een mes in haar zij heeft gestoken en in haar keel, dat hij het hoofd van [slachtoffer] met beide handen heeft vastgepakt en meerdere keren op het beton heeft geslagen en dat hij met zijn geschoeide voet op haar gezicht heeft gestampt toen zij op de grond lag. Die verklaring past bij het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd. Het pathologie-onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood van 11 april 2014 (p. 225 en 226 forensisch technisch onderzoek) vermeldt over het bij haar aanwezige letsel dat aan haar rechterborst twee naast elkaar gelegen scherprandige huidperforaties aanwezig waren die onderhuids met elkaar waren verbonden, dat aan haar hals een huidperforatie zichtbaar was, dat in haar schedelhuid en de beide slaapspieren met elkaar samenhangende gebieden van bloeduitstorting waren, dat er veel fracturen aan haar aangezichtsschedel zijn waargenomen en dat haar neus, bovenkaak en beide jukbeenderen abnormaal beweeglijk waren door breuken.

Uit het technisch onderzoek volgt dat de verdachte op 10 januari 2014 om 16.29.00 uur een WhatsApp bericht naar de telefoon van [slachtoffer] heeft gestuurd met de inhoud “Vond het een fijn gesprek! Thanx” en om 16.29.30 uur “Ik zie je auto nog? Knipafspraak?”.

Die avond omstreeks 19.33 uur, 20.57 uur en 20.58 uur heeft de verdachte opnieuw berichten verzonden naar de telefoon van [slachtoffer]. Ook heeft hij een bericht op Facebook geplaatst over de kinderen. De volgende dag heeft de verdachte kleding naar de stortplaats in Zevenbergen gebracht; hij heeft verder geprobeerd de sporen van het geweld in de garage te wissen. Daartoe heeft hij onder meer een brandje veroorzaakt in zijn garage.

Voorts heeft de verdachte op 12 en 13 januari 2014 verklaard dat hij een “jaap in zijn duim heeft opgelopen” (p. 84 en p. 100 procesdossier) en een bijtwond (p. 80 en p. 101 procesdossier). Op 12, 13 en 20 januari 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij op 10 januari 2014 omstreeks 19.00 uur met de wond aan zijn duim naar de huisartsenpost in Etten-Leur is gegaan. Uit gegevens van huisarts [huisarts X], werkzaam bij de huisartsenpost te Etten-Leur, blijkt dat de verdachte zijn duimmuis op 10 januari 2014 tussen 19.11.28 uur en 19.56.22 uur heeft laten hechten bij die huisartsenpost. Op 12 januari 2014 heeft een verbalisant bovendien geconstateerd dat de linkerhand van de verdachte was verbonden met verband en dat daaronder een verwonding zichtbaar was die was gehecht. Aan de rechterhand van de verdachte constateerde de verbalisant aan de binnenzijde van de middenvinger en ringvinger, aan de duim en aan de buitenzijde van de ringvinger en middenvinger een huidbeschadiging. Ook was onder één van de nagels een hematoom aanwezig (p. 99 forensisch technisch onderzoek).

Daarnaast heeft de verdachte op 12 januari 2014 verklaard dat het lemmet van het mes dat hij heeft gebruikt om [slachtoffer] te verwonden is afgebroken. Op 13 januari 2014 heeft hij verklaard dat hij dat mes van tevoren heeft klaargelegd, dat hij dat uit de keukenlade heeft gepakt. De verdachte heeft daarbij details van dat mes beschreven: het was een mes met een kartelrand en een scherpe punt, met een zwart kunststof heft. Op 20 januari 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij het mes in twee stukken in een doosje heeft gedaan met andere spullen. Dat doosje heeft hij weggegooid in het water bij de Huizersdijk. Toen hij terugkwam zag hij dat het handvat van het mes nog in het doosje zat. Dat heeft hij toen in het water gegooid achter zijn huis. Op 20 januari 2014 is het lemmet van het mes op aanwijzing van de verdachte gevonden in het water aan de Huizersdijk te Zevenbergen.

De verdachte heeft op 13 januari 2014 verder verklaard dat [slachtoffer] en hij op het blauwe zeil terecht kwamen dat op de grond lag en dat hij (het hof begrijpt: in de garage) overal bloed zag en dat er ook bloedspetters waren op het zeil nadat hij haar had verwond (p. 100 procesdossier). De verdachte heeft ook verklaard dat hij [slachtoffer] in het blauwe zeil heeft gerold voordat hij haar wegbracht.

Ook deze delen van zijn verklaring worden bevestigd door forensisch bewijs. Zo zijn op de grasmaaier die in de garage stond bloedspatten aangetroffen, waaruit een DNA-profiel is afgeleid dat volgens het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in zijn rapport van 11 april 2014 (p. 207 tot en met 217 forensisch technisch onderzoek) afkomstig kan zijn van het slachtoffer (p. 16, 37 en 215 forensisch technisch onderzoek, SIN: AAGZ0204NL). Ook op het blauwe afdekzeil is een afdrukpatroon van bloed aangetroffen waarvan volgens het NFI het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer (p. 139 en 215 forensisch technisch onderzoek, SIN: AAGZ1429NL). De berekende frequentie van het DNA-profiel, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, is telkens kleiner dan één op één miljard.

Ten slotte heeft de verdachte bij de politie op 12 januari 2014 verklaard dat hij na het feit nog bij de Jumbo is geweest om een bepaald merk fritessaus te halen. Op 20 januari 2014 heeft hij verklaard dat hij nog eerst bij een Shell tankstation te Zevenbergen was om te kijken of die fritessaus daar verkrijgbaar was en daarna bij Jumbo te Zevenbergen. Het bezoek aan het Shell tankstation wordt bevestigd door aldaar gemaakte opnamen van 20.03.17 tot 20.10.42 uur. Daarop is de witte Toyota Prius van de verdachte te zien en de verdachte met drie kinderen (p. 587 tot en met 592 procesdossier). Ook is een kassabon van Jumbo te Zevenbergen aangetroffen waarop is vermeld dat om 20.19 uur onder meer fritessaus van het merk Lays Patatje Joppie is afgerekend.

De verdachte is nadien, in zijn verhoor bij de rechter-commissaris en ook in zijn verklaringen ter terechtzittingen van de rechtbank en het hof, gedeeltelijk teruggekomen op de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd. Het hof stelt daarbij vast dat dit met name de onderdelen betreft van zijn verklaringen die zien op de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld toen hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de politieverhoren aannames heeft gedaan die niet op waarheid berusten en dat hij die aannames (verklaringen) uit schuldgevoel jegens [slachtoffer] heeft afgelegd en om de verbalisanten te “pleasen”. Zo heeft hij bij de rechter-commissaris (verhoor 27 augustus 2014) verklaard dat zijn eerdere verklaring dat hij [slachtoffer] iets wilde aandoen en dat hij met zeilen in de garage bezig is geweest, aannames van de verdachte maar geen vaststaande feiten zijn geweest. Hij stelt zich in dat verhoor verder op het standpunt dat hij geen keuze heeft gemaakt tussen de door hem bedachte scenario’s. Op dat punt heeft hij, ook ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij die dag meerdere keren tot bezinning is gekomen en dat hij uiteindelijk tot zijn daad is gekomen nadat [slachtoffer] in de garage allerlei nare dingen tegen hem zei en hem een duw gaf tegen zijn schouder.

Naar het oordeel van het hof is de enkele stelling van de verdachte dat de door hem bij de politie afgelegde verklaringen niet op waarheid berusten onvoldoende en niet overtuigend. Het hof heeft geconstateerd dat de verbalisanten in de politieverhoren van 12 en 13 januari 2014 open vragen hebben gesteld, waarop door de verdachte gedetailleerde en consistente antwoorden zijn gegeven. Maar ook nadien tijdens de verhoren van 29 januari en 6 februari 2014, heeft de verdachte uitvoerig verklaard naar aanleiding van (meer gesloten) vragen. Het hof vermag niet in te zien dat de door verdachte aldus afgelegde verklaringen, uitgerekend waar deze feiten of omstandigheden betreffen die duiden op een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, als onwaar moeten worden aangemerkt. Het hof stelt nog vast dat de verdachte niet heeft onderbouwd waarop de door hem gestelde aannames gebaseerd zouden zijn geweest.

Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat de door de verdachte afgelegde verklaringen op een aantal punten door de politie zijn geverifieerd en gefalsificeerd, zoals hiervoor overwogen. Voorts is de verdachte erop gewezen dat hij de verbalisanten niet hoefde te “pleasen” en alleen moest verklaren wat hij zelf wist. Dat de verdachte – naar eigen zeggen uit schuldgevoel en/of om de verbalisanten ter wille te zijn – aannames heeft gedaan waarvan hij later stelt dat die onjuist zijn, vindt geen steun in enig ander, objectief bewijsmiddel, terwijl de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd juist op essentiële onderdelen worden bevestigd door objectieve bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte in de eerste politieverklaringen aannames zou hebben gedaan en dat die aannames onjuist zouden zijn. Het hof ziet daarom geen reden om de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet mede voor het bewijs te bezigen.

Voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van moord is vereist dat het bestanddeel voorbedachte raad bewezen kan worden.

Voorop staat dat volgens vaste jurisprudentie voor een bewezenverklaring ter zake van ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen/genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen/genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden geacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat (o.a. Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:BR2342).

Het hof overweegt als volgt.

Uit de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd volgt dat tijdens zijn autorit van Den Bosch naar Zevenbergen voor het eerst het idee in zijn hoofd ontstond om [slachtoffer] wat aan te doen, als één van de drie scenario’s om de moeizame communicatie tussen hen beiden te beëindigen. Voor de uitvoering van dat scenario heeft de verdachte vervolgens na zijn thuiskomt omstreeks 14.30 uur, derhalve bijna twee uur voor hij daadwerkelijk geweld gebruikte tegen [slachtoffer], voorbereidingen getroffen door twee zeilen en een mes in de garage neer te leggen. Hij bedacht zich toen, volgens zijn eigen verklaring, dat hij [slachtoffer] iets ging aandoen op het zeil met het mes. Hij schrok toen van zijn eigen gedachten en gedragingen en ging met een kopje espresso in de woonkamer op de bank zitten. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment tot bezinning kwam en bedacht dat het geen oplossing was om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof leidt uit die verklaring af dat de verdachte zich op dat moment heeft kunnen beraden op zijn eerdere besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Hij heeft op dat moment daadwerkelijk nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit om haar van het leven te beroven. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte op dat moment niet zijn eerdere gedachte om [slachtoffer] van het leven te beroven heeft verlaten. De uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen duidt daar niet op, nu de verdachte de zeilen en het mes in de garage heeft laten liggen en hij bovendien nadien [slachtoffer] daadwerkelijk om het leven heeft gebracht zoals hij aanvankelijk had bedacht: in de garage, op het zeil en (naast het andere fysieke geweld) gebruik makend van een mes. Naar het oordeel van het hof is reeds daarmee voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van zijn plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Toen [slachtoffer] vervolgens omstreeks 16.21 uur in zijn woning arriveerde heeft de verdachte zijn eerdere opgevatte plan om haar in de garage van het leven te beroven in een kort tijdsbestek tot uitvoering gebracht.

Het hof is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd en heeft daarbij betekenis gehecht aan de uiterlijke kenmerken van de gedragingen van de verdachte. Het hof ziet zich in dat oordeel gesterkt gelet op de omstandigheid dat de verdachte [slachtoffer] binnen hooguit 8 minuten na haar aankomst in de woning van de verdachte mee heeft genomen naar de garage waar hij haar om het leven heeft gebracht. Om 16.29.00 uur en 16.29.30 uur heeft de verdachte met zijn telefoon, volgens zijn eigen zeggen na afloop van de geweldshandelingen, immers al berichten verstuurd naar haar telefoon.

Voor zover de verdachte heeft verklaard dat door de nare woorden en de duw van zijn ex-echtgenote de stoppen bij hem doorsloegen en dat hij haar daarom – in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling – om het leven heeft gebracht, gaat het hof daaraan voorbij. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het niet de eerste keer was dat [slachtoffer] in dergelijke bewoordingen tegen hem praatte, hem (figuurlijk) in de hoek zette en hem een duw gaf. Het hof ziet daarom niet in dat de verdachte door de bewoordingen – die volgens de verdachte niet zo bijzonder waren nu zij deze woorden reeds eerder aan hem had toegevoegd – en de duw nu juist op de latere middag van 10 januari 2014 werd aangezet om [slachtoffer] van het leven te beroven. Naar het oordeel van het hof was sprake van de uitvoering van een scenario dat de verdachte eerder die middag had bedacht. De boosheid van de verdachte liep daarbij al tijdens de autorit van Den Bosch naar Zevenbergen op, leidde tot het klaarleggen van de zeilen en het mes, tot een moment van nadenken over zijn voorgenomen daad en de gevolgen daarvan en uiteindelijk tot een nog grotere woede vanaf het laatste telefoongesprek met [slachtoffer] en na haar binnenkomst in zijn woning, waarna de verdachte overging tot het om het leven brengen van [slachtoffer].

Voorgaande feiten en omstandigheden leiden het hof tot de conclusie dat geen sprake is van contra-indicaties die in de weg staan aan het bewezen verklaren van voorbedachte raad. Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte boos op zijn ex-echtgenote was, maar acht

– zoals hiervoor overwogen – niet aannemelijk geworden dat hij in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde in die zin dat besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotselinge hevige drift die betekende dat hij de consequenties van zijn daden niet kon overdenken en overzien. Ook andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad zijn niet aannemelijk geworden. De verdachte is overgegaan tot de uitvoering van een ruim tevoren bedacht scenario en heeft in ieder geval de consequenties van zijn voorgenomen besluit overdacht toen hij met een kopje espresso in de woonkamer op de bank ging zitten. Van een korte tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering daarvan kan niet worden gesproken en de verdachte heeft ook niet pas tijdens de uitvoering van het besluit gelegenheid gehad tot beraad.

Verweer: bewustzijnsvernauwing

De raadsman heeft nog aangevoerd dat bij de verdachte tijdens het plegen van het bewezenverklaarde sprake was van extreme bewustzijnsvernauwing en voor en na het feit enige mate van bewustzijnsvernauwing, waardoor niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte welbewust en met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of sprake is (geweest) van de gestelde bewustzijnsvernauwing slechts van belang is voor de vaststelling van de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het plegen van het delict. Daarbij heeft te gelden dat zelfs wanneer sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid dit op zichzelf niet uitsluit dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier vast dat niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte op de bewuste dag op enig moment sprake was van een extreme mate van bewustzijnsvernauwing. Het verweer dat de verdachte niet met voorbedachte raad gehandeld kan hebben faalt derhalve.

Conclusie

De verweren van de verdediging worden in alle onderdelen verworpen en de slotsom is, dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de verdachte is gerapporteerd door vier gedragsdeskundigen, te weten psychiater G.T. Blok, psycholoog G.A. Ameling, psycholoog M.T. Appelo en psychiater A. Bakker. Zij verschillen enigszins van mening over de gradaties van toerekeningsvatbaarheid, dat wil zeggen van “ten hoogste licht verminderd toerekeningsvatbaar” (Ameling en Blok) tot “enigszins verminderd toerekeningsvatbaar” (Appelo), tot de conclusie dat “zeer waarschijnlijk (is, het hof) dat hij op het moment dat het geschiedde niet over zijn volle geestelijke vermogens beschikte” (Bakker).

Met de deskundigen stelt het hof vast dat geen sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting neemt het hof het advies en de conclusie van de deskundigen Blok en Ameling in zoverre over dat de verdachte het bewezenverklaarde in licht verminderde mate toe te rekenen is, in verband met een geconstateerde aanpassingsstoornis die zich vanaf het najaar van 2013 uit in milde stemmings-, angst- en paniekklachten en een afgenomen betrouwbaarheid in zijn gedrag.

Er zijn aldus geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg geëist dat verdachte ter zake van het plegen van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de verdachte ter zake van het plegen van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat verdachte ter zake van het plegen van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij in de toekomst graag voor zijn kinderen wil zorgen. Hij heeft het hof verzocht om hem een straf op te leggen die dat nog mogelijk maakt.

Moord is één van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, zodat naar het oordeel van het hof slechts het opleggen van een langdurige gevangenisstraf aan de orde kan zijn. De verdachte heeft zijn ex-echtgenote [slachtoffer], met wie hij een lange relatie heeft gehad en met wie hij drie kinderen heeft gekregen, vermoord. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van excessief geweld jegens het slachtoffer, terwijl één van de drie kinderen aanwezig was in het huis van de verdachte waar hij haar heeft vermoord. Nadien heeft hij geprobeerd om sporen van het misdrijf te wissen door het lichaam in een water nabij de Schansdijk in Zevenbergen te dumpen en allerlei goederen waarop sporen zichtbaar waren weg te maken. Ook heeft verdachte direct na zijn daad met zijn telefoon twee berichtjes naar de telefoon van het slachtoffer verzonden die moesten doen voorkomen dat hij even daarvoor met haar een fijn gesprek had gevoerd en tevens dat het slachtoffer de woning van de verdachte inmiddels had verlaten.

Weliswaar heeft de verdachte het om het leven brengen van [slachtoffer] direct na zijn aanhouding bekend, maar het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zijn kinderen, de vriend van het slachtoffer, [vriend Y], en haar familie en vrienden twee dagen na de moord in onzekerheid gelaten over haar lot, door zijn daad verborgen te houden voor de buitenwereld. De verdachte heeft in die periode nog meegedaan aan een zoektocht die was opgestart om het slachtoffer, dat inmiddels als vermist was opgegeven, te vinden.

De verdachte heeft niet alleen aan het slachtoffer het leven ontnomen maar ook aan de kinderen hun moeder. Daarmee heeft de verdachte de kinderen, maar ook de familie van het slachtoffer en andere nabestaanden onherstelbaar leed en veel pijn en verdriet aangedaan. Daarnaast heeft zijn handelwijze tot gevolg gehad dat eveneens zijn eigen ouders zullen moeten leven met de gevolgen van zijn daad. Ook heeft het handelen van de verdachte gevoelens van angst en maatschappelijke onrust teweeg gebracht, met name in de omgeving van het gebeurde.

Bij de bepaling van de duur van die gevangenisstraf heeft het hof voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat het feit de verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend. Ook is meegewogen dat de verdachte spijt heeft betuigd en dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten.

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof het passend en geboden om verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 14 jaar. De tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op die straf in mindering worden gebracht.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven drugs zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 13a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

te weten: een oranje dekzeil (1081593), een blauw dekzeil (1081596), een trui (1084697), een mes/lemmet (1084699), een sok (1084701) en een kussen (1084702).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

te weten, verdovende middelen, namelijk 1,1 gram (1082425), 6 pillen (1082429), 0,91 gram (1085199), 0,94 gram (1085200) en een gripzakje (1085201).

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 10 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.